RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5856
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, het college,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Het college heeft met het besluit van 2 juni 2026 het bezwaar van verzoeker tegen het plan van aanpak van 30 december 2025 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Verzoeker heeft een aanvullend verzoekschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: verzoeker. De gemachtigde van het college is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Aan verzoeker is een leerwegtraject aangeboden, waarin hij toestemming heeft gekregen om een opleiding te volgen voor de duur van één jaar.
Het college heeft dat opgenomen in het plan van aanpak van 27 mei 2025. Verzoeker heeft daar tegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening (ROT 25/5130). Verzoeker was het niet eens met de voorwaarde om deze opleiding binnen één jaar af te ronden en vond dat het college moest bemiddelen met het vinden van een stageplek. Het verzoek om een voorlopige voorziening is op de zitting van 17 juli 2025 behandeld. Tijdens de zitting is over het terugbetalen uitgelegd dat in het geval de opleiding niet (tijdig) zou worden afgerond en de opleidingskosten moeten worden teruggevorderd er daarbij dan rekening wordt gehouden met de oorzaak daarvoor en de verwijtbaarheid daarin, wat nog niet aan de orde was. Daarnaast is overeengekomen dat verzoeker, in afwijking van het plan van aanpak, zelf de opleidingskosten (deels middels incasso) zou gaan betalen en dat de kosten, na het overleggen van betaalbewijzen, door het college vergoed worden. Het verzoek is ter zitting ingetrokken.
Het college heeft vervolgens met de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025, met inachtneming van hetgeen ter zitting is besproken, het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Uit de beslissing op bezwaar volgt dat een opleidingsduur van één jaar wordt aangehouden en dat verzoeker niet langer dan voor de duur van deze opleiding een vrijstelling krijgt. Tegen de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 is geen beroep ingesteld.
Met het plan van aanpak van 30 december 2025 heeft het college de opleidingskosten en reiskosten voor de maand november 2025 vergoed en herhaald wat in het besluit op bezwaar van 14 oktober 2025 is beslist over de opleidingsduur van één jaar. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingediend. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van nieuwe of gewijzigde rechtsgevolgen van de vrijstelling om de eenjarige opleiding te volgen.
Waar gaat deze zaak om?
3. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat hij zijn leerwerktraject mag voortzetten totdat dit is afgerond, met gerichte ondersteuning bij het vinden van een passende werkplek in het onderwijs en bekostiging van zijn opleidingskosten.
Ter zitting is duidelijk geworden dat het verzoek om een voorlopige voorziening gericht is op de opleidingskosten die vanaf 1 september 2026 moeten worden betaald voor het volgende opleidingsjaar. Verzoeker kan zelf die collegekosten niet betalen en zal dientengevolge moeten stoppen met zijn opleiding als de opleidingskosten niet door het college worden vergoed en hij geen vrijstelling meer krijgt.
Is er een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Het college heeft het spoedeisend belang betwist.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. In het onderhavige plan van aanpak worden de opleidings- en reiskosten voor de maand november 2025 (in het vorige collegejaar) vergoed en wordt herhaald wat al eerder is besloten in het besluit op bezwaar van 14 oktober 2025. Verzoeker wordt vrijgesteld voor één jaar voor het volgen van de opleiding en kan zijn opleidings- en reiskosten voor de eenjarige opleiding bij het college declareren. In het besluit van 2 juni 2026 wat thans voorligt wordt voor wat betreft de opleidingsduur het standpunt uit het besluit van 14 oktober 2025 herhaald. Hoewel het thans voorliggende plan van aanpak betrekking heeft op het vorige collegejaar, heeft het in die zin financiële consequenties voor verzoeker dat hieruit kan worden afgeleid dat de opleidingskosten voor een tweede studiejaar niet zullen worden vergoed. Dat verzoeker hierdoor in een financiële noodsituatie geraakt is echter niet gebleken. Verzoeker heeft het collegegeld nog niet betaald en ter zitting is besproken dat het collegegeld mogelijk in termijnen kan worden betaald. Dat dit zou leiden tot acute financiële nood is niet gebleken, nu verzoeker zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd. Ook is ter zitting besproken dat het college in het bestreden plan van aanpak expliciet wijst op de mogelijkheden van maatwerk. Het college geeft in dit plan aan graag te horen over wijzigingen in de situatie van verzoeker, zodat maatwerk kan worden geleverd. Ook volgt uit dit plan dat de werkadviseur van verzoeker op 30 december 2025 tevergeefs geprobeerd heeft een voortgangsgesprek in te plannen om het standpunt van verzoeker dat het onwaarschijnlijk is dat hij zijn diploma binnen een jaar zal kunnen halen te bespreken. Verzoeker heeft ter zitting weliswaar aangegeven inmiddels ook met het college gesproken te hebben en dat dit nergens toe heeft geleid, maar dit standpunt is niet nader onderbouwd.
Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat op dit moment een onomkeerbare situatie zal ontstaan, waardoor verzoeker de beroepsprocedure niet zou kunnen afwachten. Van een concreet en actueel dreigend nadeel is geen sprake en de belangen van verzoeker lijken gericht op het aanpassen van het plan van aanpak voor de toekomst, waar een eerdere procedure ook op heeft gezien. Verzoeker kan ervoor kiezen zijn opleiding voort te zetten. Dat het college ervoor zou kunnen kiezen de opleidingskosten na de verlenging van inschrijving niet meer te bekostigen, maakt niet dat sprake is van acute financiële nood.
5. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten voor dergelijke twijfel.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: