RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12055500 CV EXPL 26-1689
datum uitspraak: 21 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] (hierna: ‘werknemer’),
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. D. Quant,
tegen
Unsal Infratechniek B.V. (hierna: ‘werkgever’),
vestigingsplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.E.M. Kapel.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van werknemer van 5 januari 2026, met bijlagen;
het antwoord van werkgever van 17 februari 2026, met bijlagen;
de repliek van werknemer van 15 juni 2026.
De zaak is op 15 juni 2026 op een zitting besproken. Partijen hebben na de zitting ieder nog een akte genomen, werknemer met bijlagen.
2. Het geschil
Werknemer is tot 1 november 2024 in dienst geweest bij werkgever. Werknemer stelt dat werkgever ten onrechte voor € 6.376,32 bruto aan vakantie-uren ingehouden heeft. Werknemer vordert werkgever ertoe te veroordelen dit bedrag aan hem te betalen, met rente, wettelijke verhoging en proceskosten. Werknemer is in juli en augustus 2024 tijdens zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar naar Spanje geweest, maar dit kan niet als vakantie gezien worden. De overige vorderingen in de dagvaarding heeft werknemer ingetrokken.
Werkgever betwist de vordering, op een bij vergissing ingehouden bedrag van in totaal € 944,64 bruto na. Werknemer is zonder overleg met werkgever of bedrijfsarts naar Spanje gegaan. Dit moet als vakantie gezien worden.
3. De beoordeling
Werkgever erkent dat hij nog € 944,64 bruto aan vakantie-uren aan werknemer moet betalen. Werkgever wordt ertoe veroordeeld dit te doen, met een wettelijke verhoging van 25%. Voor het toekennen van een hogere wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding. Werkgever heeft steeds het loon van werknemer op tijd betaald. Dat dit bedrag aan vakantie-uren bij de eindafrekening niet aan werknemer is betaald, lijkt niet meer te zijn geweest dan een vergissing. Rente over het genoemde bedrag is toewijsbaar vanaf 1 november 2024, de dag dat werknemer uit dienst ging.
Voor het toekennen van een hoger bedrag aan vakantie-uren is geen aanleiding. Werknemer was vanaf enig moment in 2024 arbeidsongeschikt. Tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid moet werknemer samengevat gezegd meewerken aan re-integratie (artikel 7:660a Burgerlijk Wetboek). Dit houdt onder meer in dat als werknemer naar Spanje wil tijdens arbeidsongeschiktheid, hij daarvoor toestemming moet vragen aan werkgever. Dit geldt ook als werknemer, zoals in deze zaak, voor zijn vakantie naar Spanje in februari 2024 al toestemming had gevraagd en gekregen, toen hij nog niet arbeidsongeschikt was. De werkgever kan dan, als hij daar aanleiding toe ziet, de bedrijfsarts om advies vragen over de reis van werknemer naar Spanje, mede gelet op zijn (eventuele) re-integratieverplichtingen en zijn gezondheidssituatie.
Werknemer is in dit geval naar Spanje gegaan zonder toestemming van bedrijfsarts en werkgever. Hij stelt wel dat hij dit heeft afgesproken met werkgever, maar dat dit zo is blijkt verder nergens uit en is door werkgever gemotiveerd weersproken. Uit de WhatsApp berichten van de kant van werkgever volgt juist dat deze verbaasd was toen werknemer schreef dat hij niet op de afspraak bij de bedrijfsarts kon komen omdat hij in Spanje was. Werkgever had van werknemer begrepen dat hij eerst aan zijn neuroloog zou vragen of hij in staat was om naar Spanje te gaan. De uitkomst daarvan heeft hij niet meer teruggekoppeld aan werkgever. Werkgever heeft dus niet de mogelijkheid gehad om voorafgaand aan de Spanje-reis van werknemer de bedrijfsarts om advies te vragen. Niet gebleken is dat werknemer in de betreffende periode niet tot enige re-integratie-activiteiten in staat was. Hij was ook niet vrijgesteld van re-integratieverplichtingen. Werkgever mocht het verblijf in Spanje van werknemer daarom als vakantie afboeken. De vordering tot uitbetaling van de ingehouden vakantiedagen zal daarom worden afgewezen.
Niet het hele bedrag dat werknemer vordert is toewijsbaar, maar slechts een deel. Niettemin is het zo dat deze procedure nodig is geweest om werkgever tot de conclusie te laten komen dat hij nog een bedrag aan werknemer moet betalen. Werkgever wordt daarom gezien als de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van werknemer uit € 155,72 aan dagvaardingskosten, € 265,00 aan griffierecht, € 288,00 aan gemachtigdensalaris en € 77,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 785,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder moet worden uitgereikt. De rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter kan worden afgedwongen dat aan de veroordelingen in dit vonnis wordt voldaan.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt werkgever om € 944,64 bruto aan werknemer te betalen, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 1 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
veroordeelt werkgever in de proceskosten, aan de kant van werknemer begroot op een bedrag van € 785,72, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag dat dit bedrag volledig betaald is;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
686