RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11359508 CV EXPL 24-25986
datum uitspraak: 28 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. S. Foullani,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Muller.
De partijen worden hierna ‘werknemer’ en ‘werkgever’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 oktober 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlage.
Op 13 juli 2027 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig werknemer met zijn gemachtigde en de gemachtigde van werkgever.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Werknemer werkt sinds 1 maart 1990 bij werkgever als ambulancechauffeur. Tot 2011 was op werknemer de rechtspositieregeling van de gemeente Rotterdam van toepassing, een uitwerking van de CAR UWO. Sinds 1 januari 2011 valt werknemer onder de cao Ambulancezorg (hierna ‘de cao’). Werknemer is sinds augustus 2020 arbeidsongeschikt. Omdat terugkeer naar de eigen functie niet meer mogelijk is, werkt werknemer sinds 1 september 2022 als medisch facilitair medewerker. Werknemer vraagt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat werkgever op grond van het FLO-overgangsrecht de loongarantieregeling van de CAR UWO moet toepassen en niet de afbouwregeling van de cao Ambulancezorg. Werknemer wil dat werkgever die loongarantieregeling toepast en hem € 9.896,90 bruto betaalt als aanvulling tot nu toe en dat werkgever ook in de toekomst zijn loon aanvult. Werkgever is het hiermee niet eens.
De uitkomst
De kantonrechter beslist dat werknemer gelijk krijgt. De loongarantieregeling van de CAR UWO is van toepassing en werknemer heeft daarom recht op de gevraagde aanvulling op zijn salaris. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de beslissing is.
De loongarantieregeling van de CAR UWO is van toepassing
Werknemer heeft recht op de loongarantieregeling van artikel 9b:25 CAR UWO die gold op 1 januari 2011.
Partijen zijn het erover eens dat ‘Bijlage X FLO-overgangsregeling en particuliere overgangsregeling’ (‘hierna: ‘de FLO-regeling’) bij de cao Ambulancezorg op werknemer van toepassing is. In deze bijlage zijn de afspraken en rechten vastgelegd voor medewerkers die al langere tijd in de ambulancesector werken.
In de FLO-regeling staat onder andere:
“Bij ingang van de sector-cao per 1 januari 2011 zijn de rechten op overgangsregelingen
ouderenbeleid uit de voormalige particuliere cao ambulancezorg, de CAR UWO of de cao B4 behouden voor de werknemers die op dat moment recht hierop hadden. Dit recht blijft
ongewijzigd met het afspreken van deze cao. In deze bijlage zijn de relevante bepalingen
opgenomen.”
en:
“Relevante bepalingen uit de CAR UWO
Voor de overgangsbepalingen uit de CAR UWO wordt verwezen naar hoofdstuk 9b en
hoofdstuk 9e CAR UWO. De afspraken zoals die van kracht waren op 1 januari 2011 blijven
van toepassing. De tekst van deze regeling is gepubliceerd op de website van
Ambulancezorg Nederland.”
Voor de uitleg van deze bepalingen geldt de cao-norm. Dit betekent dat deze objectief moeten worden uitgelegd. De letterlijke tekst, gelezen in samenhang met de rest van de cao en de schriftelijke toelichting, is hierbij doorslaggevend. Het gaat dus niet om wat partijen destijds hebben bedoeld, voor zover die bedoelingen niet uit de cao zelf kenbaar zijn. Het gaat puur om de objectieve betekenis van de gekozen bewoordingen.
Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen deze bepalingen niet anders worden uitgelegd dan dat de bepalingen uit de hoofdstukken 9b en 9e, voor zover die op 1 januari 2011 voor werknemer golden, op hem van toepassing blijven. Uit de bepalingen van de FLO-regeling volgt niet dat deze regeling, zoals werkgever zegt, alleen is bedoeld om de financiering van de tot 2011 opgebouwde spaarpotjes aan levenslooptegoed te regelen maar niet om rechten uit de CAR UWO mee te nemen naar de cao Ambulancezorg. De bepalingen uit de regeling gaan duidelijk niet alleen over levensloop, maar ook over inkomensbescherming bij arbeidsongeschiktheid. En ook gaat de regeling niet alleen over de financiering. Het gaat juíst om behoud van bepaalde rechten van werknemers.
De kantonrechter verwerpt het argument van werkgever dat hoofdstuk 9b en 9e op 1 januari 2011 niet voor werknemer golden, omdat voor hem de eigen rechtspositieregeling van werkgever van toepassing was, niet de CAR-UWO. Op de zitting heeft werkgever gezegd dat de eigen rechtspositieregeling van de gemeente een uitwerking was van de CAR UWO en dat deze regeling voor 99 procent gelijk is aan de CAR UWO. Op een vraag van de kantonrechter heeft werkgever geantwoord dat er in die rechtspositieregeling niet is afgeweken van wat in hoofdstuk 9b en 9e van de CAR UWO is bepaald. Dat wat in hoofdstuk 9b en 9e staat geldt dus ook gewoon voor werknemer. Op de zitting heeft werkgever bovendien uitgelegd dat er tot 2011 voor medewerkers in de ambulancezorg verschillende cao’s en rechtspositieregelingen waren. Er waren volgens werkgever drie categorieën: de B3 ambulancediensten (geprivatiseerde voormalig overheidsdiensten), de particuliere ambulancediensten, en de publieke ambulancedienst die onder de CAR UWO vallen. Sinds 2011 vallen deze drie categorieën allemaal onder de cao Ambulancedienst. Ook in bijlage X wordt uitgegaan van de drie hiervoor genoemde categorieën. Een andere categorie (voor een van de CAR UWO afgeleide eigen rechtspositieregeling) waar werknemer onder zou kunnen vallen is er dus niet. Ook daarom gaat de kantonrechter er van uit dat werknemer op 1 januari 2011 in de categorie CAR UWO viel.
Het is waar dat, zoals werkgever zegt, de CAR UWO vanaf 2011 niet meer van toepassing is en dat vanaf die datum de cao Ambulancezorg geldt. Ook is waar dat de CAR UWO vanaf 1 januari 2011 uitsluit dat medewerkers zowel kunnen vallen onder de werking van de CAR-UWO als die van de cao Ambulancezorg. Ook klopt het dat de cao Ambulancezorg zelf een afbouwregeling kent en dat dit een standaard cao is waar niet van mag worden afgeweken. Maar al deze argumenten staan niet in de weg aan toepassing van de loongarantieregeling van de CAR UWO. In de cao Ambulancezorg is namelijk zelf voorzien in een afwijking van die cao. Want de cao Ambulancezorg bepaalt namelijk dat er overgangsrecht is op grond waarvan de afspraken uit hoofdstuk 9b en 9e CAR UWO (waaronder de loongarantieregeling) blijven gelden voor de medewerkers die onder bijlage X vallen.
Werknemer kan geen beroep doen op artikel 9b:20 CAR UWO. Hij voldoet niet aan de voorwaarden ‘vóór 1949 geboren en op 1 januari 2006 20 jaar of langer in dienst’. Maar artikel 9b:25 CAR UWO geldt wel voor hem. Werknemer is namelijk geboren na 1949 en werkte op 1 januari 2006 minder dan 20 jaar in een bezwarende functie. In dit artikel staat dat de ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, een garantietoelage ontvangt ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe bezoldiging. De kantonrechter is met werknemer eens dat hier sprake is van het aanvaarden van een andere functie in het kader van de tweede loopbaan. Werkgever heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het gaat om een functie die volgt op de bezwarende functie die normaal gesproken in een loopbaanplan besproken moet worden. Werknemer heeft dus door de herplaatsing in de functie van medisch facilitair medewerker een tweede loopbaan aanvaard. Daarom geldt voor hem de loongarantieregeling uit dit artikel.
Werkgever moet € 9.896,90 bruto betalen
Werkgever heeft niet weersproken dat voor het berekenen van de garantietoelage de uitgangspunten van artikel 9b:2 onder a CAR UWO moeten worden gehanteerd. Werkgever heeft ook niet weersproken dat de maandelijkse toelage gelijk is aan het verschil tussen € 4.224,22 bruto (€ 3.468,- bruto plus de over 12 maanden berekende ORT van € 646,11 bruto) en het feitelijke bruto schaalsalaris plus de feitelijk ontvangen ORT.
Volgens werknemer moet werkgever hem op basis hiervan € 8.483,54 bruto aan toelage over de periode tot nu toe betalen, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. Dit is een totaalbedrag van € 9.896,90 bruto. Daarom wijst de kantonrechter dit bedrag toe. Werkgever moet voor het berekenen van de toekomstige toelagen die hiervoor genoemde uitgangspunten hanteren.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
Werkgever moet over de € 9.896,90 bruto ook wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen. De rente wordt toegewezen, omdat werknemer genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en werkgever dat niet heeft betwist. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 15 procent. Werkgever heeft weliswaar het loon niet betaald, terwijl dat wel had gemoeten, maar de reden is dat zij meende dat werknemer geen recht op de overgangsregeling had. Er is niet gebleken van kwaadwillendheid aan de kant van werkgever. Bovendien is er sprake van samenloop: zowel de wettelijke rente als de wettelijke verhoging wordt toegewezen.
Werkgever moet incassokosten van € 869,85 betalen
De incassokosten van € 869,85 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen.
Werkgever moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die werkgever aan moet betalen op € 139,30 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.209,30. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat werknemer dat eist en werkgever daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat werknemer recht heeft op een maandelijkse toeslag ter grootte van het verschil tussen € 4.114,11 bruto en het feitelijk ontvangen bruto
schaalsalaris, vermeerderd met feitelijk ontvangen ORT;
veroordeelt werkgever om maandelijks aan werknemer te betalen een toeslag ter grootte van het verschil tussen € 4.114,11 bruto en het feitelijk ontvangen bruto schaalsalaris, vermeerderd met feitelijk ontvangen ORT;
veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen € 9.896,90 bruto, met 15% wettelijke verhoging en met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 9.896,90 bruto vanaf 3 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt werkgever om € 869,85 aan incassokosten aan werknemer te betalen;
veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van werknemer worden begroot op € 1.209,30;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
34650