RECHTBANK Rotterdam
team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711298 / HA ZA 25-1056
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. I. van der Putt-van Vessem,
tegen
FIDUS.NL B.V.,
gevestigd te Heinenoord,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Fidus,
advocaat: mr. J.D. van de Meent.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties 1 tot en met 22;
- de conclusie van antwoord van Fidus, met producties 1 tot en met 8;
- de brief van de rechtbank van 16 februari 2026 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
- de mondelinge behandeling op 23 juni 2026, de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen en de daarbij door [eiseres] overgelegde aanvullende productie 23.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Fidus is een assurantietussenpersoon die adviseert en bemiddelt bij het sluiten van verzekeringen.
[eiseres] is de enig erfgenaam van [naam 1] (hierna: [naam 1]). [naam 1] is op 12 juli 2024 onverwachts overleden aan een hartaanval in Frankrijk, waar hij woonachtig was.
[eiseres] en [naam 1] hadden sinds 2019 een affectieve relatie. [naam 1] was sinds 2016 weduwnaar en had geen kinderen.
Bij leven heeft [naam 1], voor een gouden handdruk die hij bij het einde van een dienstbetrekking had ontvangen, bij FlexGarant Assuradeuren (hierna: FlexGarant) een stamrechtverzekering afgesloten. Bij brief van 21 juli 2021 heeft Fidus [naam 1] geïnformeerd over de verplichting om in het jaar waarin hij de AOW-leeftijd zou bereiken, de waarde van deze stamrechtverzekering om te zetten in periodieke uitkeringen, door aankoop van een lijfrenteverzekering. Deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Vanwege het hanteren van de gegarandeerde rentevergoeding dienen de periodieke uitkeringen, net als het stamrechtkapitaal, tevens ondergebracht te worden bij FlexGarant Assuradeuren volmacht onderdeel van Nationale-Nederlanden. De waarde kan niet worden overgeheveld naar een andere verzekeraar voor de aankoop van (bancaire) periodieke uitkeringen.”
Begin 2023, toen [naam 1] binnen korte tijd de AOW-leeftijd zou bereiken, heeft hij Fidus verzocht hem te adviseren over de onder 2.4 bedoelde omzetting van de stamrechtverzekering. [naam 2], toentertijd financieel adviseur bij Fidus (hierna: [naam 2]), heeft dat verzoek van [naam 1] behandeld.
[naam 2] heeft voor de door [naam 1] bij Flex Garant af te sluiten lijfrenteverzekering twee opties schriftelijk uitgewerkt. De looptijd van deze lijfrenteverzekeringen was 15 respectievelijk 10 jaar. Bij beide opties stopte de uitkering uit de verzekering als [naam 1] tijdens de looptijd zou overlijden.
In april en mei 2023 heeft telefonisch en via mail overleg plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam 1] over de af te sluiten lijfrenteverzekering. Daarbij is ook aan de orde gekomen de mogelijkheid voor [naam 1] om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten voor het resterende kapitaal van de lijfrenteverzekering, voor het geval [naam 1] gedurende de looptijd van de lijfrenteverzekering zou komen te overlijden. Daarbij is gesproken over een contraverzekering (een specifiek soort overlijdensrisicoverzekering) en over een standaard overlijdensrisicoverzekering. De mailwisseling die hierover tussen [naam 1] en [naam 2] heeft plaatsgevonden luidt, voor zover relevant, als volgt:
- Mail van 25 april 2023 9:41 uur van [naam 2] aan [naam 1]:“Met referte aan ons plezierig gesprek van gisterenmiddag kan ik u melden dat een “contradekking voor uw uitkering E 78,- per maand bedraagt en het is per maand opzegbaar. Over een periode van 12 jaar zou de totaalpremie E 11.232,= bedragen, terwijl ik mij kan voorstellen dat u het laatste jaar, of wellicht de laatste twee jaar de polis stopzet gezien het geringe restbedrag. Ik ben uitgegaan van een verzekerd bedrag van E 250.000,-, lineair teruglopend naar nul. De reden dat ik niet het gehele bedrag verzeker, is dat de uitkering netto is en uw stamrechtkapitaal bruto.”
- Mail van 25 april 2023 13:20 uur van [naam 1] aan [naam 2]:
“Hartelijk dank voor uw snelle berekening. De combinatie van een Flexgarant lijfrente met de contraverzekering lijkt/is nu een veel gunstiger optie dan banksparen bij BLG Wonen.
Ik neem nog contact op mijn belastingconsulent om te kijken naar de hoogte van de uitkering.”
- Mail van 26 april 2023 07:57 uur van [naam 1] aan [naam 2]:“Overleg met mijn belastingconsulent leerde mij gisteren dat mijn ABP pensioen, één van mijn pensioenpotjes inderdaad blijvend door Nederland zal worden belast. Hij adviseerde voor een (iets) langere looptijd van de lijfrente om onder de grens van dat belastingtarief te blijven.
U gaf aan dat het 10 procent belastingtarief geldt tot een niveau van € 36.000.
Mijn ABP pensioen bedraagt € 5.000 per jaar.
Hetgeen nog ruimte geeft aan € 31.000 Flexgarant lijfrente per jaar (mits de overheid niet tussentijds de spelregels wijzigt..... ).
Ik schat dat dit een looptijd betekent van zo'n 13 jaar.
Ik verzoek u een berekening te doen voor een dergelijke looptijd/oplossing en tevens voor de
bijbehorende contraverzekering.
Wat zijn de voorwaarden voor die contraverzekering? Kunnen ze nog roet in het eten kunnen gooien van deze route?”
- Mail van 26 april 2023 8:30 uur van [naam 2] aan [naam 1]:
“Gaarne maak ik voor u een vergelijk van aa[n]bieders en van de beste maak ik een offerte.
Ik heb de volgende gegevens van u nodig:
(…)
Uw goedkeuring voor de kosten van het uitkeringsproduct van E 600,- en E 300,- voor de contradekking.
Bij brief van 17 mei 2023 heeft [naam 2] namens Fidus aan [naam 1] een “Voorstel overlijdensrisicoverzekering” toegestuurd. Deze brief luidt verder, voor zover voor deze zaak van belang, als volgt:
“Met betrekking tot het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering heeft u een adviesgesprek met adviseur Paul [naam 2] gehad.
Rekeninghoudend met uw wensen, een verzekerde som van € 250.000,- met een lineair dalende
dekking en een looptijd van 12 jaar hebben wij een marktverkenning gedaan.
De maandelijkse premies zijn als volgt:
(…)
Wij hebben de offerte van TAF bijgevoegd, mocht u interesse hebben in een andere maatschappij
sturen wij u een nieuwe offerte.
Advies en bemiddeling Fidus
Voor de begeleiding door Fidus omtrent het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering zijn onze
bemiddelingskosten € 300,-
(…)
Tot slot
Wanneer u de overlijdensrisicoverzekering bij TAF wenst te af te sluiten, ontvangen wij graag de
volgende stukken:
• Deze brief voor akkoord
(…)
Nadat wij de aanvraag bij TAF hebben ingediend, ontvangt u per mail een uitnodiging om de online gezondheidsverklaring in te vullen.”
Een mailwisseling tussen [naam 1] en [naam 2] van 17 mei 2023 luidt, voor zover van belang, als volgt:
- Mail van 9:36 uur van [naam 1] aan [naam 2]:
“Waarom is eigenlijk een Nederlandse bankrekening nodig? Mijn vorige Flexgarant-uitkering werd gestort op mijn Franse CIC rekening.
Of gaat dit over een contraverzekering af te sluiten in Nederland ?
Vrijdagmiddag heb ik een gesprek met mijn lokale verzekeringsagent om daarmee de mogelijkheid van een lineair aflopende overlijdensverzekering te bespreken.”
- Mail van 13:24 uur van [naam 2] aan [naam 1]:
“Zoals ik u aangaf zal de verzekeringnemer de begunstigde worden. Degene waarvan u wilt dat die de uitkering ontvangt, wordt de verzekeringnemer en dus ook eerste begunstigde. Op deze wijze voorkomen wij erfbelasting.
Indien u zelf verzekeringnemer wenst te zijn zal de uitkering bij uw overlijden altijd onder de erfbelasting vallen.”
- Mail van 13:56 uur van [naam 1] aan [naam 2]:
“Bedankt voor uw toelichting.
Ik ga alles de komende dagen nader bestuderen.”
Op 23 mei 2023 heeft [naam 1] een handtekening voor akkoord gezet onder het voorstel van 17 mei 2023 voor een bij TAF af te sluiten overlijdensrisicoverzekering (zie 2.8). In het aanvraagformulier zoals dat naar aanleiding van het akkoord van [naam 1] bij TAF Verzekeringen is ingediend, is [naam 1] vermeld als de verzekeringnemer en als de verzekerde. Bij “Begunstiging” is het volgende vermeld:
“Standaard
Standaard geldt de begunstiging in de volgende volgorde:
1. Verzekeringnemer
2. Weduwe, Weduwnaar of geregistreerd partner van verzekeringnemer
3. De kinderen van verzekeringnemer
4. De erfgenamen van verzekeringnemer”
Op 24 mei 2023 heeft Fidus [naam 1], voor zover hier relevant, het volgende gemaild:
“Dank voor de getekende offerte. De aanvraag is bij TAF gedaan.
U ontvangt van TAF per mail een overzicht van de aanvraaggegevens en uitleg over het afronden van de aanvraag.
We horen graag of het gelukt is.”
Op 5 juni 2023 heeft Fidus [naam 1] het volgende gemaild:
“Wij ontvingen van TAF dat u voor de aanvraag voor de overlijdensrisicoverzekering nog een gezondheidsverklaring mag invullen.
Wij vragen u dan ook spoedig de gezondheidsverklaring in te vullen en rechtstreeks naar
TAF te mailen.”
Na de aanvraag daartoe op 24 mei 2023 te hebben ondertekend, heeft [naam 1] op 30 juni 2023 van FlexGarant de polis van de lijfrenteverzekering toegestuurd gekregen. Op de polis is vermeld dat de lijfrenteverzekering is ingegaan op 7 mei 2023 en recht geeft op een uitkering van € 2.595,47 per maand, voor het eerst op 7 juni 2023 en voor het laatst op 7 augustus 2034, zolang [naam 1] in leven is.
Op 3 juli 2023 heeft Fidus, voor zover relevant, het volgende aan [naam 1] gemaild:
“Op uw verzoek heeft TAF u een nieuw[e] link gemaild, zodat u de gezondheidsverklaring kunt invullen.”
Op 28 augustus 2023 heeft Fidus, voor zover relevant, het volgende aan [naam 1] gemaild:
“Voor het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekering bij TAF, bent u gevraagd om een
gezondheidsverklaring in te vullen. U heeft meerdere herinneringen van TAF en Fidus ontvangen, maar TAF heeft de gezondheidsverklaring niet mogen ontvangen. TAF heeft uw aanvraag voor de overlijdensrisicoverzekering dan ook afgelegd.”
Op 12 januari 2024 heeft [naam 1] een eerdere uiterste wilsbeschikking herroepen en [eiseres] aangewezen als enig erfgenaam.
3. Het geschil
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. voor recht te verklaren dat:
Fidus toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] als rechtsopvolger onder algemene titel en pro se, alsmede dat Fidus zich de belangen van [naam 1] en [eiseres] als rechtsopvolger onder algemene titel en pro se onvoldoende heeft aangetrokken en niet zorgvuldig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eiseres] daardoor geleden schade;
dat Fidus aansprakelijk is voor de door [eiseres] gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte ex artikel 6:96 lid 2 BW en dat Fidus deze kosten dient te vergoeden aan [eiseres];
2. Fidus te veroordelen tot betaling van:
primair: een bedrag van € 328.466,- ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2024, zijnde de datum van overlijden van [naam 1], dan wel vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
subsidiair: een bedrag van € 239.173,- ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2024, zijnde de datum van overlijden van [naam 1], dan wel vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
meer subsidiair: een bedrag van € 230.000,- ten titel van schadevergoeding, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2024, zijnde de datum van overlijden van [naam 1], dan wel vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
een bedrag van € 5.590,20 aan advocaatkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening en een bedrag van € 750,- aan kosten van belangenbehartiging door de heer Minczeles, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten.
Fidus voert verweer. Fidus concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Deze zaak gaat over een verzekering die [naam 1] volgens [eiseres] ten behoeve van haar had willen sluiten voor het geval [naam 1] vroegtijdig zou overlijden, met welke verzekering zou worden voorkomen dat het restant van het kapitaal voor de lijfrente zou vervallen aan de verzekeraar. Volgens [eiseres] was het de bedoeling van [naam 1] om een contraverzekering of een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten met haar als begunstigde. Dat uiteindelijk geen van die verzekeringen is afgesloten door [naam 1], komt volgens [eiseres] doordat Fidus haar zorgplicht, zowel jegens [naam 1] als jegens [eiseres] zelf, heeft geschonden. Volgens [eiseres] moet Fidus de schade die zij daardoor lijdt vergoeden. Dat gaat volgens [eiseres] om het bedrag dat aan haar zou zijn uitgekeerd na het overlijden van [naam 1], als Fidus wel aan haar zorgplicht had voldaan en de contraverzekering, dan wel de overlijdensrisicoverzekering, op het leven van [naam 1], conform zijn wens, was afgesloten.
[eiseres] voert twee grondslagen aan voor haar vordering. In de eerste plaats is volgens haar sprake van een zorgplichtschending jegens [naam 1], die [eiseres], als enig erfgenaam en opvolger onder algemene titel in de rechten van [naam 1], een vordering geeft op Fidus. In de tweede plaats is volgens [eiseres] sprake van de schending van een zorgplicht die Fidus rechtstreeks jegens haar heeft.
Hieronder zullen deze twee grondslagen worden besproken. Daaraan voorafgaand gaat de rechtbank in op de kwestie van de contraverzekering. Volgens [eiseres] moet uit de stukken worden opgemaakt dat [naam 1] in de eerste plaats beoogde een dergelijke verzekering af te sluiten.
Contraverzekering was niet (meer) mogelijk
Volgens [eiseres] was het de bedoeling van [naam 1] een contraverzekering af te sluiten en is dat niet gebeurd als gevolg van de gestelde zorgplichtschending van Fidus. Met een contraverzekering wordt in dit verband bedoeld een specifiek soort overlijdensrisicoverzekering, waarmee, net als met een ‘gewone’ overlijdensrisicoverzekering, kon worden bereikt dat het nog niet uitgekeerde kapitaal van de lijfrenteverzekering van [naam 1] alsnog zou worden uitgekeerd aan de begunstigde en niet zou vervallen aan de lijfrenteverzekeraar als [naam 1] voortijdig zou overlijden. De contraverzekering zou er dus toe hebben geleid dat het kapitaal van de lijfrenteverzekering dat op het moment van overlijden van [naam 1] nog niet aan hem was uitgekeerd, naar [eiseres] als erfgenaam van [naam 1] zou zijn gevloeid.
Beide partijen gaan er vanuit dat een contraverzekering als hier bedoeld per definitie gelijktijdig met de lijfrenteverzekering, en bij dezelfde verzekeraar, moest worden afgesloten en niet achteraf alsnog kon worden afgesloten. (Bij de contraverzekering moet dat door betaling van een bedrag inééns, anders dan bij een ‘gewone’ overlijdensrisicoverzekering waarbij periodieke premies worden betaald.) Vast staat dat dat hier niet is gebeurd. Fidus heeft ter zitting gesteld dat dat zo is omdat het sluiten van een contraverzekering in dit geval niet mogelijk was. Fidus voert aan dat [naam 1] een stamrechtverzekering, ook wel gouden-handdruk-verzekering, bij FlexGarant had. Deze stamrechtverzekering moest bij het bereiken van de AOW-leeftijd worden omgezet in een lijfrenteverzekering. Vanwege (onder meer) de overeengekomen gunstige rentepercentages, was het in de polisvoorwaarden van de stamrechtverzekering verplicht gesteld om ook de lijfrenteverzekering bij FlexGarant af te sluiten. [naam 1] kon de lijfrenteverzekering dus niet bij een andere verzekeraar afsluiten en was daarvoor gebonden aan FlexGarant, waarmee hij voor het afsluiten van een contraverzekering behorend bij de lijfrenteverzekering, ook aan FlexGarant gebonden was. Maar FlexGarant was sinds 16 december 2019 gestopt met het aanbieden van contraverzekeringen als door [eiseres] bedoeld. Volgens Fidus had dat ermee te maken dat ‘gewone’ overlijdensrisicoverzekeringen in die periode goedkoper werden en meer flexibiliteit boden. Meerdere verzekeraars waren in de betreffende periode om die reden gestopt met het aanbieden van contraverzekeringen.
De rechtbank heeft [eiseres] na schorsing van de zitting gevraagd of zij erkende dat een contraverzekering niet had kunnen worden afgesloten door [naam 1]. Het antwoord daarop van de advocaat van [eiseres] was dat dat niet erkend kon worden. Er is niet verzocht om een nadere gelegenheid om hier alsnog inhoudelijk op in te gaan. Bij gebreke daarvan, en gezien de aannemelijkheid van de stellingen van Fidus op dit punt, gaat de rechtbank ervan uit dat er in dit geval simpelweg geen mogelijkheid was voor [naam 1] om een contraverzekering af te sluiten. Los van de hierna te bespreken (gestelde) zorgplichtschendingen van Fidus, was in dit geval dus hoe dan ook geen contraverzekering tot stand gekomen en waren er hoe dan ook nooit uitkeringen uit een dergelijke verzekering aan [eiseres] gedaan. Hierna zal het dan ook alleen nog kunnen gaan over een reguliere overlijdensrisicoverzekering (hierna kortweg aan te duiden als “ORV”), waarvan [eiseres] subsidiair stelt dat [naam 1] die beoogde af te sluiten.
Geen vordering wegens zorgplichtschending jegens [naam 1]
De eerste door [eiseres] aangevoerde grondslag gaat ervan uit dat de ORV die door [naam 1] zou zijn afgesloten zonder de gestelde zorgplichtschending van Fidus, tot een uitkering aan [naam 1] zou hebben geleid. Alleen in die situatie kan immers sprake zijn van een schadevordering van [naam 1], die onder algemene titel is overgegaan op [eiseres] als enig erfgenaam van [naam 1].
De aanvraag voor de ORV die namens [naam 1] is gedaan (zie 2.10), gaat uit van een standaardbegunstiging. Deze rangorde van de persoon (of personen) die bij het overlijden van de verzekerde de verzekeringsuitkering ontvangt, noemt als eerste begunstigde de verzekeringnemer.
In dit geval was een aanvraag gedaan voor een ORV waarbij [naam 1] zowel de verzekeringnemer als de verzekerde was, zo volgt uit het aanvraagformulier (zie nog steeds 2.10). Maar de eerste begunstigde kan in die situatie nooit zelf de uitkering ontvangen: hij is namelijk degene door wiens overlijden de uitkering vrijkomt. Een begunstigde moet de uitkering kunnen ontvangen, en dat vereist dat hij de verzekerde overleeft. De begunstiging schuift door naar de volgende in de rij als de eerste begunstigde - de verzekeringnemer - tevens de verzekerde is. Anders gezegd: de uitkering uit een ORV wordt pas opeisbaar bij het overlijden van de verzekerde. [naam 1] was vanaf het moment van zijn overlijden geen rechtssubject meer en kon de uitkering (indien de ORV tot stand was gekomen) daardoor niet meer ontvangen. Het kan zo zijn dat het noemen van de verzekeringnemer als eerste begunstigde daarmee in dit geval zinloos is, maar dat heeft er mee te maken dat hier is gekozen voor een standaardbegunstiging. Deze is bedoeld om in een veelheid aan gevallen te worden gebruikt. Een uitkering aan de verzekeringnemer kan uiteraard wel zinvol en aan de orde zijn in de situatie dat de verzekeringnemer niét tevens de verzekerde is.
In dit geval is van belang dat ómdat de aangevraagde ORV hoe dan ook niet tot een uitkering aan [naam 1] zou hebben geleid, van door [naam 1] geleden schade door het uiteindelijk achterwege blijven van die verzekering geen sprake kan zijn. [naam 1] kan daarom in dit geval geen schadevordering op Fidus hebben verkregen. En [eiseres] heeft dus een dergelijke vordering ook niet verkregen als rechtsopvolger onder algemene titel van [naam 1].
Geen zorgplichtschending jegens [eiseres]
[eiseres] voert (als tweede grondslag) aan dat Fidus een zorgplicht rechtstreeks jegens haar heeft en dat Fidus deze zorgplicht heeft geschonden. Volgens [eiseres] is sprake van een evidente betrokkenheid van derden bij de overeenkomst van opdracht die tussen [naam 1] en Fidus bestond. Bij (het adviseren over) het sluiten van een ORV is immers per definitie sprake van belangen van derden, omdat de uitkering naar derden vloeit. Alleen al vanwege de aard van de overeenkomst van opdracht en vanwege de aard van de verzekering die [naam 1] wilde afsluiten, moest Fidus volgens [eiseres] rekening houden met de belangen van derden ten behoeve van wie de verzekering gesloten zou worden. Daarbij doet het er volgens [eiseres] niet toe dat Fidus niet bekend was met haar bestaan. [eiseres] kwalificeerde als begunstigde. Daarmee was haar belang gegeven en strekte de zorgplicht van Fidus zich ook uit tot het beschermen van dat belang, aldus [eiseres].
Fidus betwist dat zij aansprakelijk is jegens [eiseres]. Fidus voert aan dat zij in de periode waarin zij [naam 1] adviseerde niet bekend was (en daarna evenmin) met het bestaan en de persoon van [eiseres] en dus evenmin met haar relatie met [naam 1] en haar eventuele belangen bij het afsluiten van een ORV door [naam 1]. Fidus meent dat zij haar gedrag in dit geval dan ook niet mede hoefde te laten bepalen door de belangen van [eiseres]. Volgens Fidus heeft [naam 1] uiteindelijk zelf besloten om de aanvraag van de ORV niet door te zetten en heeft hij kennelijk om die reden de gezondheidsverklaring niet ingevuld. Hij was erop gewezen dat dat nodig was, heeft dat niet gedaan en heeft ook geen actie ondernomen toen hij vernam dat de verzekeraar zijn aanvraag voor een ORV had afgelegd omdat de gezondheidsverklaring niet was binnengekomen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak volgt dat indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat hij/zij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, kunnen meebrengen dat die contractant zijn gedrag mede door die belangen dient te laten bepalen. Of deze normen dat in een specifieke situatie meebrengen, hangt af van de relevante omstandigheden van het geval (Vleesmeester/Alog-arrest, ECLI:NL:HR:2004:AO9069).
De stelplicht (en bewijslast) dat sprake is van een dergelijke buitencontractuele aansprakelijkheid, rust op [eiseres]. [eiseres] heeft aan deze stelplicht niet voldaan, zo zal de rechtbank hieronder toelichten.
Desgevraagd verklaarde [eiseres] ter zitting dat zij, in de fase van hun relatie waarin [naam 1] en zij verkeerden toen [naam 1] in juli 2024 overleed, niet financieel afhankelijk was van [naam 1] of van de uitkering uit een ORV voor haar levensonderhoud. [eiseres] verklaarde ter zitting dat zij ten tijde van zijn overlijden parttime inwoonde bij [naam 1] en nog gehuwd was met haar echtgenoot. Omdat zij werkzaam was in de onderneming die zij samen met haar echtgenoot had, kon zij niet de hele tijd bij [naam 1] zijn. Volgens [eiseres] was het haar bedoeling om binnen afzienbare tijd te stoppen met het werken in de onderneming, een scheidingsprocedure in gang te zetten, en daarna geheel bij [naam 1] in te trekken. Volgens [eiseres] waren [naam 1] en zij, voordat [naam 1] in juli 2024 overleed, stap voor stap bezig om hun relatie meer vorm te geven. [naam 1] verkeerde volgens [eiseres] in goede gezondheid en zijn overlijden was volslagen onverwacht.
Uit de door Fidus in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [naam 2] komt naar voren dat [naam 2] in de eerste helft van 2023 uitvoerig met [naam 1] heeft gesproken over een ORV. Kennelijk zag [naam 1] het nut van een dergelijke verzekering enerzijds wel in, maar twijfelde hij daarover anderzijds toch ook, omdat hij volgens eigen zeggen geen kinderen of partner had. [naam 1] vond het volgens de verklaring van [naam 2] gedoe en zonde van de premie. [naam 1] vond het vooral belangrijk dat de lijfrenteverzekering hem een zo hoog mogelijke uitkering zou geven. Niettemin heeft [naam 2] toen wel een offerte aangevraagd voor een ORV. Daarbij speelden commerciële overwegingen ook een rol, aldus de schriftelijke verklaring van [naam 2].
Vast staat dat de aanvraag voor de ORV is ingediend. De voor het afsluiten van de ORV benodigde (ingevulde) gezondheidsverklaring is evenwel niet ingediend door [naam 1]. Niet in geschil is dat Fidus [naam 1] meerdere keren heeft gevraagd de gezondheidsverklaring in te vullen en in te leveren. Ook nadat [naam 1] zelf om een nieuwe link voor het invullen van de gezondheidsverklaring had gevraagd, heeft [naam 1] de gezondheidsverklaring niet verstuurd naar de verzekeraar. Aan [naam 1] is op enig moment het bericht gestuurd dat de verzekeringsaanvraag was “afgelegd”. [naam 1] heeft daarop geen contact opgenomen met [naam 2], hetgeen voor de hand had gelegen als het nog steeds zijn bedoeling was een ORV af te sluiten.
Uit dit alles volgt naar het oordeel van de rechtbank overtuigend dat [naam 1] er zelf voor koos niet de stappen te zetten die nodig waren voor het afsluiten van de ORV. [eiseres] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [naam 1] haar in 2023 had verteld dat hij bezig was met een verzekering voor haar. Maar dat verandert de conclusie niet. Niet in geschil is dat [naam 1] daar toen inderdaad mee bezig was. Niet gebleken is evenwel dat [naam 1] daadwerkelijk blijvend de intentie en wil had om de ORV af te sluiten en vooral is niet gebleken noch aannemelijk geworden dat [naam 1] tegenover Fidus (de belangen van) [eiseres] heeft genoemd. [eiseres] zei op zitting zeker te weten dat [naam 1] de dingen beter had geregeld als hij had geweten dat hij nog maar kort te leven had. Dit acht de rechtbank zeer plausibel. Het betekent alleen niet dat Fidus iets te verwijten valt. Het onderschrijft slechts dat de dood van [naam 1] zeer onverwacht was en niemand zijn overlijden, ook [naam 1] zelf niet, zag aankomen. Tegen de achtergrond van al het voorgaande, met inbegrip van de stap-voor-stap-opbouw van het vormgeven van de relatie tussen [eiseres] en [naam 1] zoals dat door [eiseres] is toegelicht ter zitting, valt niet in te zien dat Fidus in dit geval haar gedrag mede door de belangen van [eiseres] had kunnen en moeten laten bepalen of dat Fidus anderszins iets te verwijten valt jegens [eiseres] als voor Fidus onbekende derde.
Nu van verwijtbaar handelen van Fidus jegens [eiseres] niet gebleken is, ontbreekt voor de vorderingen van [eiseres] een deugdelijke rechtsgrond. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Fidus worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.820,00
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.1861/638