RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12163309 CV EXPL 26-8365
datum uitspraak: 31 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonplus’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 maart 2026, met bijlagen;
de aktes van Woonplus van 27 maart 2026 en 1 april 2026 met vermindering van eis;
het antwoord;
de repliek;
de dupliek, met bijlagen.
2. De beoordeling
Kern van de zaak
[gedaagde] huurt vanaf 22 oktober 2020 een woning van Woonplus aan het adres [adres] in Schiedam. De huur is nu € 731,21 per maand. Woonplus stelt dat sprake is van een huurachterstand. Woonplus vordert dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt, met rente en proceskosten. Woonplus vordert niet langer de incassokosten. [gedaagde] is het niet met de vordering eens. [gedaagde] moet van de kantonrechter de huurachterstand en de proceskosten betalen, maar niet de rente. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 676,20 betalen
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 676,20 aan Woonplus te betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat dit de omvang van de huurachterstand is tot en met mei 2026. Woonplus heeft bij repliek een specificatie overgelegd ter onderbouwing van de hoogte van de huurachterstand. Daaruit blijkt dat Woonplus de betalingen die [gedaagde] in maart en mei 2026 heeft gedaan in mindering heeft gebracht op de vordering en dat de huurachterstand tot en met mei 2026 € 676,20 bedraagt. [gedaagde] heeft de huurachterstand niet betwist. Daarom gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de specificatie van Woonplus. Misschien heeft [gedaagde] inmiddels (na het laatste schriftelijke stuk) meer betalingen gedaan om de achterstand in te lopen. Als dat zo is, dan komen die uiteraard in mindering op de achterstand.
[gedaagde] heeft aan Woonplus een voorstel voor een betalingsregeling gedaan. Woonplus is niet verplicht [gedaagde] toe te staan de huurachterstand in termijnen aan haar terug te betalen. Bovendien heeft Woonplus bij repliek toegelicht dat een regeling voorafgaand aan de procedure wettelijk niet mogelijk was, omdat het besteedbare inkomen van [gedaagde] vanwege beslagen van drie deurwaarders in dat geval onder de beslagvrije voet zou komen. [gedaagde] heeft dat onvoldoende betwist. De kantonrechter kan ook geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis, omdat Woonplus daarvoor toestemming moet geven. [gedaagde] kan wel contact opnemen met de gemachtigde van Woonplus om te vragen of Woonplus alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
De kantonrechter wijst de rente af. In de algemene huurvoorwaarden van Woonplus staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling.
In artikel 13 lid 3 van de algemene huurvoorwaarden is het volgende boetebeding opgenomen:
“Artikel 13
3. Indien huurder enige bepaling uit deze Algemene Voorwaarden overtreedt kan huurder verplicht worden tot het betalen van een onmiddellijk opeisbare boete van € 50,- (niveau 2003, geïndexeerd volgens de CBS consumentenprijsindex, alle Huishoudens, 2000 = 100) per kalenderdag ten behoeve van verhuurder, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze Algemene Voorwaarden te handelen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding.”
De kantonrechter oordeelt dat deze bepaling oneerlijk is, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de afgesproken prijs. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Woonplus wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk. Daarom kan Woonplus geen beroep doen op deze bepaling en kan zij ook geen aanspraak maken op de rente uit de wet.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
Woonplus heeft [gedaagde] terecht gedagvaard, omdat op de dag van de dagvaarding sprake was van een huurachterstand. Rond de eerste rolzitting heeft [gedaagde] wel betalingen verricht, maar de huurachterstand was toen nog niet volledig betaald. Woonplus hoefde de dagvaarding daarom niet in te trekken en heeft ook voldoende naar voren gebracht wat haar belang bij een vonnis is. De proceskosten komen dan ook voor rekening van [gedaagde], omdat hij aanleiding heeft gegeven tot deze procedure en voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonplus moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 397,- aan griffierecht, € 360,- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten × € 144,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.018,52. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonplus te betalen € 676,20;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 1.018,52;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
26975