RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaken met zaak- en rolnummers C/10/707017 / HA ZA 25-827 en C/10/709256 /HA ZA 25-954 van
[eiseres] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. G.M.S. Heutinck-Gomes,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M. Bulk.
In de zaak met zaak- en rolnummer C/10/709256 / HA ZA 25-954 is [eiseres] tevens verweerster in reconventie en [gedaagde] eiser in reconventie.
1. De zaken in het kort
[eiseres] vordert terugbetaling van verschillende leningen die zij stelt te hebben verstrekt aan [gedaagde] in het kader van de aankoop van onroerend goed in Frankrijk. De rechtbank laat [gedaagde] toe tot het leveren van bewijs van de stelling dat hij aflossingen heeft gedaan op een van die leningen. De rechtbank wijst daarom een tussenvonnis en geen eindvonnis.
Ook vordert [eiseres] op grond van de ‘overeenkomst stille maatschap’ die partijen hebben gesloten in het kader van de uitoefening van het eigendom en het beheer en de renovatie van het onroerend goed een bedrag van € 290.855,18 van [gedaagde]. De rechtbank acht voorshands bewezen dat de administratie waarop [eiseres] haar vordering baseert juist en volledig is – en daarmee dat zij aanspraak kan maken op betaling van het gevorderde bedrag door [gedaagde] – en laat [gedaagde] toe tot tegenbewijs daarvan. Ook daarom wijst de rechtbank een tussenvonnis en geen eindvonnis.
[gedaagde] vordert in voorwaardelijke reconventie betaling door [eiseres] van zijn inbreng in de stille maatschap op grond van de overeenkomst stille maatschap. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat partijen dit niet zijn overeengekomen. De rechtbank zal deze vordering in het eindvonnis afwijzen.
2. De procedures
Het verloop van de procedure in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/707017 /
HA ZA 25-827 blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 augustus 2025, met producties 1 tot en met 14;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;
- de brieven van 25 november 2025 van de rechtbank, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van 4 maart 2026 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging producties van [eiseres], met producties 15 tot en met 28;
- de akte vermeerdering van eis;
- de brief van 24 maart 2026 van [gedaagde] met het verzoek de producties 15 tot met 28 buiten beschouwing te laten;
- de e-mail van 24 maart 2026 van de rechtbank met betrekking tot het verzoek van [gedaagde];
- de e-mail van 25 maart 2026 van [gedaagde] met betrekking tot zijn verzoek;
- de brief van 25 maart 2026 van [eiseres] met betrekking tot het verzoek van [gedaagde];
- de e-mail van 25 maart 2026 van de rechtbank, waarin het verzoek van [gedaagde] wordt afgewezen;
- de mondelinge behandeling op 3 april 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
Het verloop van de procedure in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/709256 /
HA ZA 25-954 blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 32;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de brieven van 24 december 2025 van de rechtbank, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties genummerd 1 tot en met 9;
- de e-mail van 4 maart 2026 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte aanvullende producties van [gedaagde], met producties 11 tot en met 17;
- de akte overlegging producties van [eiseres], met producties 10.1 en 33 tot en met 54;
- de aanvullende producties 55 en 56 van [eiseres];
- de akte vermeerdering van eis van [eiseres];
- de brief van 24 maart 2026 van [gedaagde] met het verzoek de producties 33 tot met 56 buiten beschouwing te laten;
- de e-mail van 24 maart 2026 van de rechtbank met betrekking tot het verzoek van [gedaagde];
- de e-mail van 25 maart 2026 van [gedaagde] met betrekking tot zijn verzoek;
- de brief van 25 maart 2026 van [eiseres] met betrekking tot het verzoek van [gedaagde];
- de e-mail van 25 maart 2026 van de rechtbank, waarin het verzoek van [gedaagde] wordt afgewezen;
- de mondelinge behandeling op 3 april 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
Na de mondelinge behandeling is in beide zaken vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde] heeft een makelaarskantoor. [eiseres] heeft in het verleden via het makelaarskantoor van [gedaagde] woningen gehuurd, gekocht en verkocht.
Partijen hebben in 2014 onroerend goed gekocht, waarbij [gedaagde] het pand heeft gezocht en [eiseres] de benodigde financiële middelen ter beschikking heeft gesteld. Partijen hebben dat pand verkocht en de winst 50/50 verdeeld.
In september 2021 hebben [eiseres] en [gedaagde] een onroerende zaak in Grâces, Frankrijk (hierna: het chateau) gekocht. Zij zijn ieder voor de helft eigenaar. De intentie van partijen was het chateau te renoveren en vervolgens te verkopen of verhuren via Airbnb.
De vraagprijs van het chateau bedroeg € 172.800,00 k.k. Partijen hebben het gekocht voor € 70.000,00.
Bij e-mail van 31 augustus 2021 heeft [eiseres] aan [gedaagde] bericht:
“My accountant asked me to already put down some of our basic agreements regarding the purchase of the chateau in writing.
Therefore I herewith like to state that:
-The chateau will be owned by us together (50/50) and I'll pay the purchase price of the chateau. You'll owe me 50% of the purchase price and this loan will be laid down in a loan agreement on arm's length.
-We will also split the costs (50/50) of the renovation of the chateau. This will also be laid down in an agreement on arm's length.
Could you please send me a confirmation by replying to this email? You'll receive the aforementioned agreements after we receive the transfer date of the chateau.”
[gedaagde] heeft daarop dezelfde dag per e-mail als volgt gereageerd:
“This is in line with what we have agreed.”
In een Q&A memo van 8 maart 2021, dat is opgesteld door de adviseurs van [eiseres] naar aanleiding van een bespreking tussen [gedaagde], [eiseres] en haar adviseurs, staat onder meer:
“[eiseres] and [gedaagde] will each own 50% of property as private individuals, not as a business. [eiseres] will finance the project. [gedaagde] will owe 50% of the purchase price to [eiseres] and pay this in due course.”
In februari 2022 besluiten [eiseres] en [gedaagde] het huisje naast het chateau, gelegen op hetzelfde perceel (hierna: de cottage), ook te kopen.
Bij e-mail van 25 februari 2022 heeft [eiseres] een e-mail van haar adviseur met een concept leningsovereenkomst en een concept overeenkomst stille maatschap aan [gedaagde] gezonden. In deze e-mail van de adviseur van [eiseres] (aan [eiseres]) staat onder meer:
“Just to recap: The chateau is owned by both [gedaagde] and you (50/50), but you’ve paid the full purchase price of the chateau. [gedaagde] therefore owes you 50% of the purchase price and the loan conditions are laid down in the attached draft loan agreement.”
Bij e-mail van 28 februari 2022 heeft [gedaagde] aan [eiseres] bericht:
“Yes, all looks fine.
Could we perhaps add 2 thing?
1) that I can pay back more when possible.
2) shall we mention the butlerhouse in this agreement and elevate the loan with € 17.500?”
Op 1 mei 2022 hebben [eiseres] als schuldeiser en [gedaagde] als schuldenaar een overeenkomst van geldlening gesloten ten behoeve van de aankoopsom van het chateau. In de considerans van die overeenkomst staat:
“- dat partijen met elkaar een maatschap zijn aangaan teneinde voor gezamenlijke rekening het eigendom en het beheer en de verbouwing/renovatie van het onroerend goed (een chateau) in Frankrijk, gelegen te (…) (hierna te noemen: het onroerend goed) uit te oefenen;
- dat het voornoemde onroerend goed op 24 september 2021 aan partijen in eigendom is geleverd en dat de koopsom van het onroerend goed en de kosten van de notaris en de makelaar zijn voldaan door schuldeiser, terwijl partijen het onroerend gezamenlijk in eigendom zullen verkrijgen;
- dat partijen op basis van het voornoemde een mondelinge overeenkomst van geldlening met elkaar zijn aangegaan met betrekking tot de koopsom van het onroerend goed en de kosten van de notaris en de makelaar en zij deze overeenkomst hierbij achteraf schriftelijk wensen vast te leggen”
In de overeenkomst van geldlening staat:
“Artikel 1. Hoofdsom
1. Schuldeiser heeft aan schuldenaar ter leen een bedrag groot € 41.697,00 (…) verstrekt, welk bedrag (hierna te noemen: ‘de hoofdsom’) schuldenaar heeft aanvaard.
2. Schuldenaar heeft verklaard de hoofdsom te hebben ontvangen en is dit bedrag verschuldigd aan schuldeiser.
Artikel 2. Rente en aflossing
1. Schuldenaar is over de hoofdsom of het eventuele restant daarvan een rente verschuldigd van 1% per jaar.
2. Terugbetaling van de hoofdsom, alsmede de voldoening van de rente als voornoemd, zal met ingang van 1 oktober 2022 in 60 maanden (oftewel 5 jaren) geschieden door middel van 60 annuïteiten groot € 712,75 (…). De annuïteit vervalt op 1 oktober 2022, en zo verder. Het annuïteitenplan is als bijlage aan deze overeenkomst gehecht.
(…)
Artikel 4. Opeisbaarheid
1. De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente, zal terstond opeisbaar zijn:
(…)
e. bij overtreding door schuldenaar van enige bepaling van deze overeenkomst, dan wel indien schuldeiser goede gronden heeft te vrezen dat schuldenaar in de nakoming van zijn verplichtingen uit deze akte van geldlening zal tekortschieten of dat schuldeiser in haar verhaalsmogelijkheden zal worden benadeeld;(…)
Artikel 9. Bewijs
Een door schuldeiser getekend uittreksel uit haar administratie strekt tot volledig bewijs van haar vordering op schuldenaar, behoudens tegenbewijs. Schuldenaar kan zijn in deze akte bedongen verplichtingen nimmer opschorten, ook niet door betwisting van het verschuldigde.
Artikel 10. Wijzigingen
Deze overeenkomst kan slechts worden gewijzigd, nadat alle bij deze overeenkomst betrokken partijen zich ten gunste van zodanige wijzigingen hebben uitgesproken. De wijziging wordt schriftelijk vastgelegd.
(…)
Artikel 14. Kosten
1. Alle kosten waartoe deze lening aanleiding geeft, of in de toekomst geven zal, daaronder die welke schuldeiser nodig acht tot behoud en ter uitoefening van haar rechten, komen ten laste van schuldenaar.”
Op 1 mei 2022 hebben partijen een overeenkomst getiteld “overeenkomst Stille Maatschap” ondertekend, met ingangsdatum 24 september 2021.
In de overeenkomst stille maatschap is in artikel 2 opgenomen:
“De maatschap heeft ten doel: De uitoefening van het eigendom en het beheer en de verbouwing/renovatie van het onroerend goed te (…) [het chateau; toevoeging rechtbank], voorts het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings in verband kan staan, alles in de meest ruime zin genomen.”
In artikel 4 van de overeenkomst stille maatschap staat:
“1. leder der partijen brengt in de maatschap in zijn kennis, arbeid en vlijt.
2. In onderling overleg kan ieder van de maten meer gelden en/of goederen inbrengen. Ieder der maten wordt voor zijn inbreng in geld of goederen gecrediteerd op zijn kapitaalrekening ten belope van het ingebrachte bedrag of de waarde van de betreffende goederen.
3. De maatschap houdt voor ieder der maten een rekening in haar boeken aan onder de naam 'kapitaalrekening'. Op de kapitaalrekeningen wordt het saldo van de waarde van ieders inbreng, te vermeerderen met in enig jaar behaalde winsten en te verminderen met in enig jaar geleden verliezen en privéonttrekkingen, opgenomen.(…)”
Op grond van artikel 9 lid 2 van de overeenkomst stille maatschap, voor zover hier van belang, moeten bij het eindigen van de maatschap de boeken van de maatschap worden gesloten en moeten daarna een balans en een winst- en verliesrekening worden opgemaakt.
In artikel 13 lid 1 van de overeenkomst stille maatschap staat dat wanneer de maatschap eindigt door opzegging, de maatschap zal worden geliquideerd door partijen samen.
In september 2022 hebben partijen de cottage gekocht. Ook hiervan zijn zij beiden voor de helft eigenaar.
Eind 2022 is [gedaagde] naar Frankrijk verhuisd. Hij verbleef daar in een deel van het chateau.
Aan het chateau en de cottage zijn renovatie- en verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd.
Op 5 november 2024 heeft [gedaagde] aan [eiseres] het volgende Whatsapp bericht gezonden:
“I would like to run this idea by you:
I can step out of this project.
The main reasons for that are:
We potentially risk that my future money won’t be enough to finish the project and we will all be stuck, now that you and [naam 1] [de echtgenoot van [eiseres]; opmerking rechtbank] can’t or don’t want to invest anymore in this project.
When this is your house, you won’t risk anything with the new build not to go well, permit wise, contruction wise, time wise and/or money wise.
I am getting very uncomfortable in the situation and I can imagine that goes for all of us.
You will have a profitable, nice and large house.
If you are not okay with it, that’s also okay with me, we then have to see how quickly we can finish it with my future money.”
Op diezelfde dag heeft [eiseres] daar als volgt op gereageerd:
“As you and I have discussed over the past 2-3 weeks, I feel it’s best to sell the project and recoup what we have put in and anything extra would be a bonus.
[naam 1] and I have already committed to the land in Graces and the mortgage is being worked on.
The Chateau project was never intended to be our permanent home. At the outset, we had discussed plans to renovate and flip it and later we discussed running it as an Airbnb or for events. The latter is not feasible, so it’s best to go back to the original plan.
As you and I discussed recently, it is best to create blank canvas that can be customized by any type of a buyer. As you said, we could get a really good estate agent from Paris. Even without that, the finished project will generate enough interest from investors.
[naam 1] and I have already put in a lot of funds into the project that are now stuck for a long time.
In my opinion, the best way forward for us all is the plan you have been mentioning for the past 18 months – about bringing in 150-200K from the sale of half your company. Since you have a ready buyer, you mentioned this could be worked out early in the new year.
(…)”
Bij brief van 1 februari 2025 heeft [eiseres] aan [gedaagde] medegedeeld dat zij niet verder wil met het project in Frankrijk.
Op 12 maart 2025 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een e-mail gezonden waarbij zij de overeenkomst van geldlening heeft opgezegd. Ook heeft zij daarin vermeld:
“Graag verneem ik uiterlijk binnen 10 dagen na vandaag of jij bereid bent mee te werken aan het vorengaande. Bovendien verneem ik binnen die termijn van jou op welke wijze jij voornemens bent de schuld aan mij te voldoen en welk bedrag je op korte termijn in een keer kunt voldoen. Tot slot ontvang ik binnen deze termijn jouw de bevestiging dat je voldoet aan mijn verzoek om je elders in te schrijven.”
4. Het geschil
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/707017 / HA ZA 25-827
[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt:
1. tot betaling van € 41.679,00 [bedoeld zal zijn € 41.697,00; opmerking rechtbank], te vermeerderen met de overeengekomen rente van € 1.068,00 en de samengestelde wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van in totaal € 2.154,81, althans vanaf de dag van dagvaarding;
2. tot terugbetaling van de geleende bedragen van € 3.500,00, € 19.422,34 en € 151,25, te vermeerderen met de wettelijke samengestelde rente vanaf de dag van opeisbaarheid;
3. tot betaling van € 17.503,95, het totaalbedrag van de kosten die [eiseres] heeft gemaakt ter inning van het geleende bedrag uit de overeenkomsten van geldlening conform artikel 14 van de overeenkomst van geldlening van 1 mei 2022;
4. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, dit laatste ook als haar vorderingen worden toegewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/709256 / HA ZA 25-954
in conventie
[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de overeenkomst stille maatschap per 12 maart 2025 is beëindigd, althans deze overeenkomst ontbindt per een door de rechtbank te bepalen datum;
2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 290.855,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2025;
3. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, waarbij [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat een proceskostenveroordeling van twee maal het liquidatietarief gerechtvaardigd is. [gedaagde] meent dat [eiseres] ook in de proceskosten moet worden veroordeeld als haar vorderingen (deels) worden toegewezen.
in reconventie
Als de vorderingen van [eiseres] in conventie (gedeeltelijk) worden toegewezen, vordert [gedaagde] dat de rechtbank [eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling van € 279.750,66, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het geval de rechtbank de vordering (gedeeltelijk) toewijst, verzoekt [eiseres] de rechtbank de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [gedaagde] zekerheid stelt tot een door de rechtbank te bepalen bedrag.
5. De beoordeling
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/707017 / HA ZA 25-827
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [gedaagde] in Frankrijk woont. Gelet hierop moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
Omdat (a) sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Vo), b) [eiseres] haar vorderingen heeft ingesteld na 10 januari 2015 – zoals vereist in artikel 66 Brussel I bis-Vo – en (c) [gedaagde] woonplaats heeft in een lidstaat in de zin van Brussel I bis-Vo (zie artikel 5 lid 1 Brussel I bis-Vo) op het moment van het aanhangig maken van de onderhavige procedure – het voor de beoordeling van de bevoegdheid relevante moment – dient de internationale bevoegdheid van deze rechtbank te volgen uit de bevoegdheidsregels van Brussel I bis-Vo.
Op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo kan ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
Aan de vorderingen zijn verbintenissen uit overeenkomst ten grondslag gelegd, namelijk verbintenissen tot (terug)betaling door [gedaagde] aan [eiseres]. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo moet worden vastgesteld in welke plaats de verbintenissen tot (terug)betaling moeten worden uitgevoerd. Voor het antwoord op die vraag is van belang welk recht op de overeenkomst van toepassing is.
Het toepasselijke recht moet worden vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken(Rome I-Vo). Op grond van artikel 3 Rome I-Vo komt de rechtbank uit op de toepasselijkheid van Nederlands recht, omdat [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat partijen in artikel 15 sub 1 van de overeenkomst van geldlening hebben vastgelegd dat Nederlands recht exclusief van toepassing is.
Dan is het vervolgens de vraag wat de plaats is waar de verbintenissen die aan de eis ten grondslag liggen, moeten worden uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat partijen daarover afspraken hebben gemaakt. Dit betekent dat de plaats van uitvoering van deze verbintenissen op grond van het daarop toepasselijke Nederlandse recht moet worden bepaald. Uit artikel 6:116 lid 1 BW volgt als hoofdregel dat een verbintenis tot betaling van een geldschuld moet worden voldaan aan de woonplaats/vestigingsplaats van de schuldeiser. Er is niet gesteld of gebleken dat in dit geval een uitzondering op deze hoofdregel geldt. De betaling moet dus worden gedaan in Rotterdam, omdat dit de woonplaats van [eiseres] is. De conclusie is dat deze rechtbank zowel internationaal als relatief bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] op [gedaagde] kennis te nemen.
De vordering tot betaling van € 41.697,00 (vordering 1)
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] zijn verplichting tot terugbetaling van het bedrag van € 41.697,00 uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van 1 mei 2022 niet is nagekomen.
[gedaagde] betwist niet dat [eiseres] aan hem € 41.697,00 heeft geleend voor de koop van het chateau, zoals vermeld in de overeenkomst van geldlening. Hij betwist ook niet dat hij dit bedrag moet terugbetalen. Wel betwist hij in verzuim te zijn met betrekking tot de aflossing van de lening. Partijen hebben volgens hem namelijk in aanvulling op de schriftelijke overeenkomst van geldlening de mondelinge afspraak gemaakt dat [gedaagde], gelet op zijn financiële situatie, zou proberen maandelijks € 500,00 of zoveel meer als mogelijk is af te lossen.
Ter zitting heeft de rechtbank [eiseres] gevraagd te reageren op de stelling van [gedaagde] dat er mondelinge afspraken zijn gemaakt over de aflossing. [eiseres] heeft daarop geantwoord: “Ik heb gezegd: Oké, je mag betalen wanneer je kan en daarna bleef hij zeggen ik kan niet betalen en dat was ook de reden dat hij naar Frankrijk wilde verhuizen.” De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat partijen mondeling, in afwijking van de schriftelijke overeenkomst van geldlening, hebben afgesproken dat [gedaagde] mocht betalen aan [eiseres] op het moment dat dat voor hem financieel haalbaar was en dat er dus geen concreet tijdstip voor terugbetaling (meer) gold. Dat de mondelinge afspraak zag op terugbetalingen van(af) € 500,00, heeft [eiseres] niet erkend en is ook overigens niet komen vast te staan.
Artikel 7:129f BW bepaalt dat indien is overeengekomen dat een lener de geleende geldsom terug zal betalen wanneer hij daartoe in staat zal zijn, de rechter, naar gelang van de omstandigheden, het tijdstip van opeisbaarheid nader zal kunnen bepalen. De rechtbank ziet de e-mail van 12 maart 2025 van [eiseres] als een mededeling tot opeising en beschouwt de in die brief genoemde termijn van 10 dagen als een redelijke termijn, waarbinnen [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld tot nakoming van de terugbetalingsverplichting of op zijn minst tot het doen van een voor [eiseres] acceptabel tegenvoorstel in dat kader. Dat [gedaagde] binnen tien dagen heeft gereageerd op de e-mail van 12 maart 2025 en naar voren heeft gebracht dat hij een andere visie op de gang van zaken heeft dan [eiseres], kan hem in het licht van artikel 4 lid 1, aanhef en onder e, en artikel 9, tweede volzin, van de overeenkomst van geldlening niet baten, Dit betekent dat [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank vanaf 23 maart 2025 in verzuim verkeert.
Het beroep van [gedaagde] op de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW slaagt niet. Als de klachtplicht al aan de orde zou zijn, geldt het volgende. De afspraak dat [gedaagde] mocht afbetalen op het moment dat dat voor hem financieel haalbaar was, is een afspraak waarbij op een voor hem gunstige manier is afgeweken van wat in de overeenkomst van geldlening staat. [eiseres] is op 12 maart 2025 alsnog gaan sommeren, omdat zij niet langer wilde afwachten wanneer [gedaagde] meende in staat te zijn tot aflossing van de geldlening. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] met deze sommatie te laat heeft geprotesteerd tegen de feitelijke gang van zaken, omdat [eiseres] de feitelijke uitvoering van de overeenkomst van geldlening jarenlang zonder enig bezwaar heeft geaccepteerd, komt erop neer dat [gedaagde] het standpunt inneemt dat de coulance van [eiseres] zo lang heeft geduurd dat hij er niet langer toe verplicht kan worden het geleende bedrag en de rente daarover terug te betalen. Dat is niet wat partijen schriftelijk of mondeling zijn overeengekomen, niet in overeenstemming met artikel 7:129f BW en zou overigens ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
[gedaagde] moet het bedrag van € 41.697,00 dan ook terugbetalen, tenzij hij kan aantonen dat hij al bedragen aan [eiseres] heeft betaald die strekken tot aflossing van dit bedrag, zoals hij heeft gesteld. [gedaagde] doet een beroep op bevrijdende betaling, waarbij de stelplicht en bewijslast op hem rust.
Volgens [gedaagde] heeft hij de hele lening afgelost. Telkens als hij een aflossing deed op de geldlening, bracht hij [eiseres] hiervan op de hoogte en bevestigde [eiseres] vervolgens dat zij de betalingen zou verwerken in de administratie, aldus [gedaagde]. Ook werden volgens [gedaagde] betalingen die hij aan derden deed ten behoeve van de stille maatschap door [eiseres] aangemerkt als aflossingen en werden deze bedragen door [eiseres] in mindering gebracht op het bedrag dat [gedaagde] aan [eiseres] moest terugbetalen. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] toegelicht dat dit moet worden gezien als een beroep op verrekening, omdat [gedaagde] niet hoefde bij te dragen aan de kosten van de stille maatschap.
[eiseres] heeft betwist dat de bedragen die [gedaagde] heeft voldaan betrekking hebben op de overeenkomst van geldlening. Ook heeft zij betwist dat betalingen uit hoofde van de overeenkomst stille maatschap, zoals de betalingen van zijn deel van de renovatiekosten, in mindering strekken op de lening.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op verrekening niet kan slagen, omdat [gedaagde], zoals hierna in zaak 25-954 wordt geoordeeld, geen tegenvordering op [eiseres] heeft uit hoofde van de overeenkomst stille maatschap. Ook heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de betalingen die [gedaagde] heeft verricht in het kader van de renovatie kwalificeerden als aflossing op de geldlening.
Nu [gedaagde] stelt dat hij aflossingen heeft gedaan op de geldlening en hij [eiseres] telkens wanneer hij een aflossing deed, hiervan op de hoogte bracht en [eiseres] dit gemotiveerd betwist, ligt het op de weg van [gedaagde] deze stelling te bewijzen, zoals vermeld in 5.12. De rechtbank stelt [gedaagde] in de gelegenheid zijn stelling dat hij aflossingen heeft gedaan op de geldlening (en welke) en dat hij [eiseres] telkens wanneer hij een aflossing deed, hiervan op de hoogte bracht, te bewijzen. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol, zoals in de beslissing is vermeld.
Als [gedaagde] slaagt in dit bewijs wordt de vordering afgewezen. Indien sprake blijkt te zijn van een niet volledig afgeloste lening, wordt hij veroordeeld tot betaling van het restant, te vermeerderen met de in het eindvonnis vast te stellen rente, waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met gedane aflossingen.
Als [gedaagde] niet slaagt in dit bewijs, wordt hij veroordeeld tot betaling van € 41.697,00, te vermeerderen met de in het eindvonnis vast te stellen rente.
De vordering tot betaling van in totaal € 23.073,59 (vordering 2)
[eiseres] legt aan deze vordering de volgende stellingen ten grondslag.
Zij heeft, naast het bedrag genoemd in de overeenkomst van geldlening, nog drie leningen verschaft aan [gedaagde], namelijk € 19.422,34, € 3.500,00 en € 151,25. Volgens [eiseres] heeft zij deze bedragen aan [gedaagde] geleend voor de koop van de cottage, de notariskosten van het chateau en de notariskosten van de cottage. Op 19 maart 2021 heeft [eiseres] € 7.000,00 betaald aan notarissen en op 8 augustus 2021 € 302,50. Daarmee voldeed zij zowel haar eigen aandeel in de kosten als dat van [gedaagde]. Op 22 september 2022 heeft [eiseres] € 19.422,34 overgeboekt naar de bankrekening van [gedaagde]. Op dezelfde dag heeft zij haar aandeel in de koopsom van de cottage van € 19.422,34 betaald via de notaris.
Omdat partijen over deze overeenkomsten van geldlening geen afspraken hebben gemaakt, is de hoofdsom daarvan vanaf het moment van de verstrekking van de leningen opeisbaar, aldus nog steeds het betoog van [eiseres].
[gedaagde] betwist dat [eiseres] hem, naast de schriftelijk vastgelegde geldlening, aanvullende geldleningen heeft verstrekt. Deze bedragen zullen volgens hem – als deze al juist zouden zijn – enkel als inbreng in de maatschap kunnen worden gekwalificeerd en dienen in de vereffening van de maatschap te worden meegenomen.
Deze vordering is toewijsbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
[gedaagde] betwist niet gemotiveerd dat [eiseres] een bedrag van € 7.000,00 en € 302,50 aan notarissen heeft betaald in verband met de aanschaf van het chateau en de cottage. Ook betwist hij niet dat [eiseres] hem een bedrag van € 19.422,34 heeft betaald voor de aanschaf van de cottage. Vaststaat dus dat deze bedragen zijn betaald in het kader van de aankopen, zoals gesteld door [eiseres].
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het bedrag van € 19.422,34 is verstrekt als lening. Ter zitting heeft [gedaagde] gezegd: “Ik betwist niet dat de lening er is, ik moet hem ook terugbetalen, maar alleen wanneer ik dat kan [dit ziet op het bedrag van € 41.697,00 uit de overeenkomst van geldlening; opmerking rechtbank]. Het verzoek het huisje ook bij de lening op te nemen, geeft aan dat dit ook onder dezelfde afspraak valt.” [gedaagde] doelt hiermee op zijn in 3.10 weergegeven e-mail aan [eiseres], waarin – zo begrijpt de rechtbank – met “het huisje” en “the butlerhouse” wordt gedoeld op de cottage. Hieruit blijkt dat volgens [gedaagde] het bedrag van € 19.422,34 (de helft van het aankoopbedrag van de cottage) moet worden terugbetaald en dat daarvoor volgens [gedaagde] dezelfde aflossingsafspraak geldt als ten aanzien van het bedrag van € 41.697,00.
De rechtbank volgt [gedaagde] wel waar hij aanvoert dat de door [eiseres] gevorderde rente over het bedrag van € 19.422,34 niet toewijsbaar is vanaf het moment dat dit bedrag door [eiseres] aan [gedaagde] is betaald. Aangezien [gedaagde] heeft aangevoerd dat de in 5.9 weergegeven mondelinge terugbetalingsafspraak ook geldt voor de cottage en [eiseres] dat vervolgens niet heeft betwist, geldt ook ten aanzien van dit bedrag dat [gedaagde] vanaf 23 maart 2025 in verzuim verkeert.
De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat partijen zijn overeengekomen dat de helft van de door [eiseres] betaalde notariskosten met betrekking tot het chateau en de cottage als leningen aan [gedaagde] zijn verstrekt. Die kosten zijn echter onlosmakelijk verbonden met het onroerend goed, zodat partijen naar het oordeel van de rechtbank van elkaar mochten verwachten dat ook deze kosten door ieder voor de helft zouden worden gedragen. [eiseres] heeft in dat kader dus wel een vordering op [gedaagde]. Deze vordering zal moeten worden betrokken bij de eindafrekening van de maatschap.
Ten aanzien van alle vorderingen in deze zaak
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/709256 / HA ZA 25-954
in conventie en in reconventie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Ook in deze zaak moet de rechtbank, gelet op het internationale karakter van de zaak, ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
Omdat (a) sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Brussel I bis-Vo, (b) [eiseres] haar vorderingen heeft ingesteld na 10 januari 2015 – zoals vereist in artikel 66 Brussel I bis-Vo – en (c) [gedaagde] woonplaats heeft in een lidstaat in de zin van Brussel I bis-Vo (zie artikel 5 lid 1 Brussel I bis-Vo) op het moment van aanhangig maken van de onderhavige procedure – het voor de beoordeling van de bevoegdheid relevante moment – dient de internationale bevoegdheid van deze rechtbank te volgen uit de bevoegdheidsregels van Brussel I bis-Vo.
Op grond van artikel 25 Brussel I bis-Vo kunnen partijen in een forumkeuzebeding een rechter aanwijzen die (in beginsel) bij uitsluiting bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat deze rechtbank bevoegd is op grond van artikel 16 van de overeenkomst stille maatschap. De rechtbank oordeelt dat zij op grond van het forumkeuzebeding internationaal bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank volgt in conventie (in ieder geval) uit artikel 109 Rv en in reconventie uit artikel 97 Rv. Hierbij verdient opmerking dat de eigendom van het chateau en de cottage niet in de maatschap is ingebracht (zie in dit verband ook 5.36), zodat het geschil geen betrekking heeft op de eigendom van onroerend goed dat zich in Frankrijk bevindt.
Het toepasselijke recht moet worden vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken (Rome I-Vo). Op grond van artikel 3 Rome I-Vo komt de rechtbank uit op de toepasselijkheid van Nederlands recht, omdat [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat partijen in artikel 16 van de overeenkomst stille maatschap hebben vastgelegd dat Nederlands recht exclusief van toepassing is.
in conventie
De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst stille maatschap is geëindigd per 12 maart 2025 in het eindvonnis toewijzen, omdat partijen ter zitting hebben verklaard dat zij het eens zijn over de beëindiging van de maatschap per 12 maart 2025.
[eiseres] vordert betaling van een bedrag van in totaal € 290.855,18. Deze vordering bestaat uit de volgende onderdelen en is gegrond op de afwikkeling van de maatschap zoals bedoeld in artikel 13 van de overeenkomst stille maatschap (1 tot en met 4) en op tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst stille maatschap of onrechtmatige daad (5 tot en met 11):
1. afwikkeling kapitaalrekening;
2. € 4.753,47: kosten ter uitvoering van de overeenkomst stille maatschap (juridisch en accounting);
3. € 3.635,01: kosten ter uitvoering van de overeenkomst stille maatschap (verzekering);
4. € 5.456,96: nutsvoorzieningen;
5. € 86.655,01: onrechtmatige privéopnames/lening;
6. € 86.764,64: schade als gevolg van gebrekkig werk onder leiding van [gedaagde];
7. € 25.000,00: schade als gevolg van verspilling van materialen en gereedschap;
8. € 28.348,97: kosten [eiseres] voor noodzakelijk tijdelijk verblijf in Frankrijk;
9. € 1.628,40: schade als gevolg van door [gedaagde] veroorzaakte brandgevaarlijke situatie;
10. € 671,28: kosten opmaken proces-verbaal van constatering;
11. € 1.080,72: vertaalkosten van proces-verbaal van constatering.
Afwikkeling maatschap (1 tot en met 4)
Nu de maatschap per 12 maart 2025 is beëindigd, moet er tussen partijen worden afgerekend. Volgens [eiseres] moet dit gebeuren op basis van artikel 13 van de overeenkomst stille maatschap. Volgens [gedaagde] moet eerst de liquidatie van de maatschap door partijen gezamenlijk conform artikel 13 plaatsvinden voordat partijen recht hebben op een uitkering. Volgens hem moeten eerst de onroerende zaken zijn getaxeerd en verkocht, de balans en winst & verlies rekening zijn opgemaakt en goedgekeurd conform artikel 9 van de overeenkomst stille maatschap en de kapitaalrekening aan de hand van de inbreng van iedere partij zijn bijgewerkt.
[eiseres] heeft ter zitting gesteld dat er tussen partijen niets te liquideren of te vereffenen valt, omdat geen sprake is van een afgescheiden maatschapsvermogen. Er is volgens haar alleen een afspraak over samenwerking die interne werking heeft tussen de maten. Volgens [eiseres] valt er slechts wat te verrekenen omdat zij beduidend meer heeft bijgedragen aan de renovatie en verbouwingen dan [gedaagde]. Er is ook geen sprake van winsten of verliezen in de stille maatschap, hoewel die tekst wel in de schriftelijke overeenkomst is blijven staan.
De rechtbank oordeelt als volgt. Ook al zou [eiseres] formeel een punt hebben, dan nog hebben partijen met elkaar afgesproken wat in de overeenkomst stille maatschap staat. Ook al zou het zo zijn dat meerdere bepalingen uit de overeenkomst stille maatschap niet goed passen bij deze rechtsfiguur, dan betekent dit nog niet dat deze bepalingen tussen partijen niet gelden of buiten beschouwing gelaten moeten worden, zoals [eiseres] ter zitting voor het eerst heeft betoogd. Wel is het zo, zoals [eiseres] heeft aangevoerd, dat de eigendom van de onroerende zaken niet is ingebracht in de maatschap. In tegenstelling tot wat [gedaagde] heeft aangevoerd, hoeven de onroerende zaken dus niet getaxeerd en verkocht te worden voordat partijen kunnen overgaan tot afwikkeling van de overeenkomst stille maatschap. Deze afwikkeling komt erop neer dat er een verdeling moet plaatsvinden op basis van de kapitaalrekening (zie ook artikel 9 lid 2 van de overeenkomst stille maatschap).
De bedragen die [eiseres] in dit kader vordert, bestaan uit de helft van de bedragen die zij naar eigen zeggen heeft gestort en/of overgemaakt ten behoeve van de renovatie van het project minus het volgens haar door [gedaagde] betaalde bedrag van in totaal € 34.017,85. Zij onderbouwt haar vorderingen met de financiële cijfers van de stille maatschap over de periode van 18 maart 2021 tot en met 31 mei 2025 die door het accountantskantoor Stolp en Kab zijn opgemaakt aan de hand van bankafschriften, facturen en overige informatie van [eiseres]. [eiseres] stelt dat zij haar administratie in verband met de verbouwing/renovatie volledig heeft laten controleren door de accountant die ook betrokken is geweest toen partijen de samenwerkingsafspraken hebben gemaakt. In de tussentijd is [gedaagde] volgens haar regelmatig op de hoogte gebracht van de betreffende administratie en heeft hij daar afschriften van ontvangen, wat ook blijkt uit de door [eiseres] overgelegde e-mail van 29 april 2023 (productie 36). Uit die e-mail blijkt dat [gedaagde] de administratie over het jaar 2022 heeft ontvangen voor het chateau, waaruit alle stortingen en afschrijvingen blijken.
[gedaagde] heeft aanvankelijk aangevoerd dat partijen nooit hebben afgesproken dat hij financieel zou bijdragen aan het project, dat hij in plaats daarvan arbeid zou inbrengen en dat partijen hebben afgesproken dat hij enkel in het kader van de aflossing van de geldlening verplicht was betalingen te verrichten. Ter zitting heeft hij echter verklaard: “Belangrijk is dat ik niet bestrijd dat ik de verbouwingskosten moet betalen, maar alleen zeg dat ik het niet direct hoef te betalen”. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen het er (inmiddels) over eens zijn dat ieder van hen de renovatiekosten voor de helft moet dragen. Dit volgt in beginsel ook uit artikel 3:172 BW, waarop [eiseres] in punt 32 van haar conclusie van antwoord in reconventie impliciet een beroep heeft gedaan. De conclusie is dat, gelet op het einde van de maatschap en de afwikkeling die als gevolg daarvan moet plaatsvinden, [eiseres] een opeisbare vordering heeft op [gedaagde] van de helft van de kosten die zij heeft voldaan min de helft van de door [gedaagde] ingebrachte bedragen.
Voor zover partijen artikel 9 van de overeenkomst stille maatschap – dat onder meer gaat over de gang van zaken na afloop van een boekjaar – niet of niet volledig hebben nageleefd, zoals [gedaagde] stelt, neemt dat niet weg dat er gelet op het einde van de maatschap tussen partijen afgerekend zal moeten worden. De administratie van de maatschap is zoals afgesproken door [eiseres] gevoerd en vormt daarom in beginsel de basis voor deze afrekening. [gedaagde] betwist de juistheid en compleetheid van de door [eiseres] gevoerde administratie en daarmee ook het bestaan en de omvang van de vordering die [eiseres] baseert op deze administratie. Bedragen zouden dubbel zijn geteld en/of onjuist zijn, zodat de cijfermatige onderbouwing van de vordering van [eiseres] reeds hierom ondeugdelijk zou zijn. Ook heeft [gedaagde] niet alleen veelvuldig via WhatsApp bonnen en facturen met [eiseres] gedeeld, maar ook heeft zij op verschillende momenten enveloppen met bonnen van [gedaagde] gekregen die zij vervolgens zou verwerken in de administratie, wat zij volgens [gedaagde] echter niet heeft gedaan.
Tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] de administratie van de samenwerking zou voeren. Dit heeft geresulteerd in een jaarlijks bijgewerkte kapitaalrekening. [eiseres] kan in beginsel niet meer doen dan zij heeft gedaan om haar vordering te onderbouwen. Dat de door haar gevoerde administratie juist en volledig is, heeft [gedaagde] met zijn opmerkingen vooralsnog onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om voorshands bewezen te achten dat de administratie van [eiseres] en daarmee de hoogte van haar vordering klopt. [gedaagde] mag tegenbewijs leveren. Dit betekent dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het voorshands geleverd geachte bewijs te ontzenuwen, bijvoorbeeld door concreet en met stukken of andere gegevens onderbouwd aan te voeren wat er volgens hem niet klopt in de administratie van [eiseres] en wat er ontbreekt, bijvoorbeeld welke door [gedaagde] aan [eiseres] verstrekte bonnen ten onrechte niet in de administratie van [eiseres] zijn verwerkt en waartoe dit cijfermatig zou moeten leiden.
De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol, zoals in de beslissing is vermeld.
Onrechtmatige privéopnames/lening (5)
[eiseres] stelt ten aanzien van deze vordering het volgende. Uit de door de accountant gecontroleerde administratie volgt dat [eiseres] betalingen van in totaal € 86.655,01 ten behoeve van het project aan [gedaagde] op diens verzoek deels op zijn privé- en (eigen) zakelijke rekening heeft voldaan. De door [eiseres] overgemaakte bedragen zouden deels door [gedaagde] zijn voorgeschoten om bijvoorbeeld derden te betalen voor de verbouwing/renovatie. [gedaagde] heeft aanzienlijke bedragen die door [eiseres] zijn voldaan ten behoeve van de samenwerking tot op heden niet verantwoord, hoewel die bedragen door [gedaagde] wel zijn opgenomen/uitgegeven. Deze opnames/uitgaven dienen daarom beschouwd te worden als privéopnames door [gedaagde] die aan andere zaken zijn besteed dan waarvoor zij door [eiseres] zijn betaald. Omdat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat het voornoemde bedrag voor de renovatie is aangewend, wordt het voornoemde bedrag door [eiseres] als een lening beschouwd.
Het bedrag van € 86.655,01 is volgens [eiseres] inclusief de voorgeschoten kosten voor de verhuizing van [gedaagde] naar Frankrijk (€ 3.500,00) en het voor [gedaagde] leefbaar maken van het chateau (€ 6.479,56). Ten aanzien hiervan heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] van meet af aan op de hoogte was van de slechte financiële situatie van [gedaagde] en dat het van meet af aan de afspraak is geweest dat hij geen, althans beperkte financiële middelen in de maatschap zou inbrengen. Hij zou enkel arbeid inbrengen. Zoals hiervoor onder 5.38 is geoordeeld, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen de renovatiekosten ieder voor de helft moeten dragen en dat [eiseres], als gevolg van de afwikkeling van de maatschap, een vordering heeft op [gedaagde] voor de helft van de in dat kader door haar uitgegeven bedragen. Het voor [gedaagde] leefbaar maken van het chateau valt daar naar het oordeel van de rechtbank ook onder. De door [eiseres] betaalde verhuiskosten van [gedaagde] zijn ten behoeve van [gedaagde] in privé gemaakt. Niet is gebleken dat de stille maatschap gebaat was bij het maken van deze kosten. Deze kosten moeten daarom volledig door [gedaagde] worden gedragen. Het voorgaande zal moeten worden betrokken bij de eindafrekening van de maatschap.
Ten aanzien van de overige bedragen voert [gedaagde] aan dat uit niets blijkt dat deze daadwerkelijk door [eiseres] aan hem zijn overgemaakt, dat afspraken zijn gemaakt over de besteding van deze bedragen en betwist [gedaagde] dat hij gelden in strijd met deze afspraken heeft besteed. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van privéuitgaven, maar uitsluitend van uitgaven in het kader van het project. Bovendien heeft [eiseres] niet onderbouwd gesteld dat sprake is van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW.
Ten aanzien van de overige bedragen van volgens [eiseres] in totaal € 76.675,45 (€ 86.655,01 min € 3.500,00 min € 6.479,56) staat vast dat [eiseres] deze bedragen aan [gedaagde] heeft betaald, in elk geval tot een bedrag van € 76.194,49 (zie ook de weergave van de berekening van [gedaagde] in 5.72). [eiseres] heeft aan de hand van haar administratie gesteld dat [gedaagde] niet heeft verantwoord waaraan hij deze bedragen heeft besteed. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voorshands vaststaat dat [gedaagde] dit bedrag niet voor de renovatie heeft aangewend. Nu [gedaagde] heeft betwist dat sprake is van privéuitgaven en hij heeft aangevoerd dat de gedane uitgaven volledig in het kader van het project waren, wordt hij toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van [eiseres] dat [gedaagde] dit bedrag niet heeft aangewend voor de renovatie.
Als [gedaagde] slaagt in dit tegenbewijs, staat vast dat dit bedrag moet worden beschouwd als renovatiekosten, waar partijen ieder voor de helft aan moeten bijdragen (zie 5.38).
Als [gedaagde] niet slaagt in dit tegenbewijs, of hierin slechts ten aanzien van een gedeelte van het bedrag slaagt, staat vast dat [gedaagde] (een gedeelte van) het bedrag op onrechtmatige wijze heeft besteed en op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is tegenover [eiseres] voor de schade die zij hierdoor heeft geleden, bestaande uit het bedrag dat hij op onrechtmatige wijze heeft besteed.
Schade (6 tot en met 11)
[eiseres] stelt dat [gedaagde] schade heeft veroorzaakt als gevolg van tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst stille maatschap, dan wel als gevolg van onrechtmatige daad.
Haar vordering van € 86.764,64 (hiervoor onder 5.33 sub 6) als gevolg van gebrekkig werk onder leiding van [gedaagde], onderbouwt [eiseres] als volgt. Al het aftimmerwerk, zoals de recent geplaatste keuken, het sanitair op de begane grond, de deuren, plinten en vloerafwerkingen moeten worden verwijderd. De enige onderdelen die nog te redden zijn, zijn de keuken en het sanitair. Alle wand- en plafondafwerkingen moeten worden verwijderd, omdat deze niet geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Fermacell platen zijn toegepast op plafonds en wanden, terwijl hier Placo had moeten worden gebruikt. De plafonds zijn afgewerkt met Fermacell platen die op een metalen frame zijn gemonteerd, zonder geïsoleerde spouw. Dit werk moet ook op de tweede verdieping worden gedaan. [eiseres] heeft ter onderbouwing van de schade een verklaring van aannemer [naam 2] (hierna: [naam 2]) en een door hem opgestelde offerte overgelegd en later een aangepaste versie daarvan. Ook heeft [eiseres] nog verschillende verklaringen overgelegd van anderen waaruit zou blijken dat geen aannemer, loodgieter of elektricien nog met [gedaagde] te maken wilde hebben, dat hij offertes aanvroeg en steeds de (bouw)plannen wijzigde, wat tot vertraging van het project zou hebben geleid.
Aan haar vordering van € 25.000,00 (hiervoor onder 5.33 sub 7) legt [eiseres] het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft materialen die voor de renovatie waren bedoeld verspild/doen verspillen. De maatschap en dus [eiseres] is hierdoor benadeeld. [eiseres] heeft ter onderbouwing hiervan een verklaring van [naam 2] en een door hem opgestelde offerte overgelegd, waarin hij schat dat voor een bedrag van € 25.000,00 aan materialen en gereedschap is verspild door [gedaagde].
Deze vorderingen worden afgewezen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd waarom een schadepost van € 86.764,64 aan de orde zou zijn en waarom die schade aan [gedaagde] moet worden toegerekend. Het rapport dat [eiseres] heeft overgelegd bij dagvaarding laat iets zien over de staat van het chateau, maar zegt niets over verwijtbaar handelen van [gedaagde]. In de bij conclusie van antwoord in reconventie overgelegde productie 2 gaat het over de kosten voor het verkoopklaar maken van het chateau, maar dit bedrag kan niet worden gelijk gesteld aan eventuele schade die [gedaagde] zou hebben veroorzaakt. Bovendien heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de door [naam 2] berekende kosten niet hadden hoeven te worden gemaakt als geen sprake was van de gestelde wanprestatie of onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Kortom, [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd en dat [eiseres] daardoor voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.
Ook de vordering van € 25.000,00 heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat het bedrag van € 25.000,00 een schatting is en dat het bedrag op geen enkele wijze is onderbouwd. De verklaring maakt ook niet duidelijk om welke materialen het precies zou gaan. In haar processtukken heeft [eiseres] zelf ook niet duidelijk uitgelegd om welke materialen en gereedschappen het haar te doen is.
Gelet op het oordeel onder 5.51 en 5.52 zijn ook de vorderingen zoals weergegeven onder 5.33 als schadepost 10 en 11 niet toewijsbaar.
Ten aanzien van de gevorderde kosten van € 28.348,97 die [eiseres] zou hebben moeten maken voor haar tijdelijke verblijf in Frankrijk stelt zij het volgende. In juni 2024 heeft zij, vanwege de wanprestatie en afwezigheid van [gedaagde], moeten besluiten om in augustus 2024 naar Frankrijk te reizen en daar gedurende een periode dagelijks te verblijven in een poging haar investering te redden. [eiseres] verbleef eerst in een Airbnb in de nabijheid van het chateau. Omdat zij geen woning dichtbij het chateau kon huren, heeft zij besloten om te verblijven in de cottage. [eiseres] heeft geld in de cottage moeten steken om die voorlopig bewoonbaar te maken. Het werk is gedaan door gecertificeerde aannemers.
De rechtbank wijst ook deze vordering af. [gedaagde] betwist niet dat [eiseres] in augustus 2024 naar Frankrijk is verhuisd, maar voert aan dat dat vanaf de start van het project de bedoeling is geweest en dat die verhuizing ruim vóór juni 2024 al was gepland. [gedaagde] heeft ter motivering hiervan Whatsapp berichten overgelegd tussen hem en [eiseres] over de periode maart 2021 en augustus 2024. De door haar gevorderde kosten had zij dus ook gemaakt als zij niet – volgens [gedaagde] ten onrechte – meende dat haar investeringen gevaar liepen, aldus [gedaagde]. [eiseres] heeft hiertegen niets aangevoerd, waardoor zij haar vordering, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], onvoldoende nader heeft onderbouwd. Deze vordering zal in het eindvonnis dan ook worden afgewezen.
Ten aanzien van schadepost 9, zoals hiervoor onder 5.33 is vermeld, stelt [eiseres] het volgende. [eiseres] heeft deze kosten moeten maken als gevolg van de (brand)gevaarlijke situatie die [gedaagde] in het leven heeft geroepen. [eiseres] heeft een deskundige moeten inschakelen om de gevaarlijke situatie te beoordelen en ongedaan te maken met alle extra kosten van dien.
Deze vordering wordt toegewezen, omdat [gedaagde] niet gemotiveerd heeft betwist dat hij door de door hem aangebrachte elektra een brandgevaarlijke situatie heeft laten ontstaan, die moest worden hersteld, zoals vermeld in het rapport van de elektricien die [eiseres] heeft ingeschakeld (door [eiseres] overgelegd als productie 11 en 11.1).
Omdat [gedaagde] op twee punten wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, ziet de rechtbank aanleiding om de beslissing op de vorderingen van [eiseres] – ook haar vorderingen waarop het eventuele tegenbewijs niet ziet – aan te houden tot het eindvonnis.
in (voorwaardelijke) reconventie
[gedaagde] stelt ten aanzien van zijn reconventionele vordering het volgende. Als de rechtbank voor recht verklaart dat de stille maatschap is geëindigd en de vorderingen van [eiseres] met betrekking tot haar inbreng worden toegewezen, vordert [gedaagde] van [eiseres] ook vergoeding van zijn inbreng in de maatschap, te weten:
1) de door hem bedongen aankoopkorting van € 102.800,00;
2) de door hem verrichte arbeid, begroot op € 155.260,00;
3) de door [gedaagde] aan [eiseres] voorgeschoten kosten ten behoeve van de stille maatschap, € 20.066,00;
4) overige door [gedaagde] gemaakte kosten van in totaal € 1.624,66.
De rechtbank bespreekt de door [gedaagde] gestelde inbreng hierna per post.
Bedongen aankoopkorting
[gedaagde] stelt dat hij bij de koop van het chateau een aankoopkorting heeft bedongen van € 102.800,00. Dit heeft volgens hem geleid tot lagere aanschafkosten van het chateau en een vermogensvoordeel dat doorwerkt in het vermogen van de maatschap.
De rechtbank wijst deze vordering af. Nog daargelaten dat de eigendom van het chateau niet is ingebracht in de maatschap, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat de koopsom waarvoor partijen het chateau hebben gekocht niet de marktwaarde was. [gedaagde] gaat uit van de premisse dat het chateau veel meer waard was dan wat partijen ervoor hebben betaald, maar hij heeft zijn stelling op dit punt niet onderbouwd. De enkele stelling dat het chateau is aangekocht voor € 217,00 per m² en de cottage voor € 546,00 per m², terwijl deze zich op hetzelfde perceel bevinden, is hiervoor onvoldoende, omdat de prijs per vierkante meter in de regel lager is als het object groter is en het chateau is aanzienlijk groter dan de cottage. Daar komt nog bij dat de renovatiekosten van het chateau niet vergelijkbaar zijn met de renovatiekosten van de cottage en die kosten werken door in de koopprijs. Overigens heeft [gedaagde] op geen enkel moment voorafgaand aan deze procedure tegen [eiseres] gezegd dat hij € 102.800,00 heeft ingebracht in de vorm van het bedingen van wat hij noemt een aankoopkorting, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als hij van mening was dat dit als onderdeel van zijn inbreng in de maatschap moet worden gezien.
Door [gedaagde] verrichte arbeid
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat, als het vermogen van de stille maatschap reeds gereed is voor verdeling, zijn aanzienlijke inbreng bij die verdeling betrokken dient te worden, waaronder zijn arbeid. Hij verwijst hierbij naar artikel 4 lid 1 en 2 van de overeenkomst stille maatschap, waarin is opgenomen wat de inbreng van partijen is, waaronder arbeid, kennis en vlijt, en naar lid 3 van dat artikel, waarin staat dat op de kapitaalrekening het saldo van de waarde van ieders inbreng wordt opgenomen. Hij legt aan deze vordering verder de volgende stellingen ten grondslag.
Vanaf november 2020 heeft [gedaagde] zich naar eigen zeggen nagenoeg fulltime beziggehouden met dit project. Dat begon met het zoeken van onroerend goed, bezichtigingen, berekeningen maken en onderhandelen over de verkoopprijs. Toen uiteindelijk het chateau is aangeschaft, heeft [gedaagde] zich beziggehouden met (het begeleiden van) de verbouwing. In de periode van november 2020 tot en met augustus 2024 heeft [gedaagde] afgerond 554,5 dagen aan het project gewerkt, waarbij hij vaak meer dan acht uren, zoals op een gebruikelijke werkdag, aan het project werkte. Uitgaande van 554,5 dagen maal acht uur, heeft [gedaagde] ongeveer 4.436 uren aan het project besteed. Een gemiddelde aannemer vraagt per uur ongeveer € 50,00 tot € 80,00. [gedaagde] meent dat in zijn geval een uurtarief van € 35,00 passend is. Concreet betekent dit dat de inbreng van [gedaagde] in de stille maatschap als het gaat om de door hem verrichte arbeid begroot moet worden op € 155.260,00.
Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [gedaagde] een overzicht overgelegd met daarin vermeld de werkzaamheden die hij zou hebben verricht en de tijd die hij daaraan zou hebben besteed. Ook heeft hij Whatsapp berichten overgelegd waaruit zou blijken dat hij veel werkzaamheden heeft verricht.
Deze vordering wordt afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is het met [eiseres] eens dat in de overeenkomst stille maatschap niet staat dat arbeid voor vergoeding in aanmerking komt. In lid 2 van artikel 4 van de overeenkomst staat enkel dat partijen in onderling overleg ieder meer gelden en/of goederen mogen inbrengen en daarvoor gecrediteerd worden. Daar staat tegenover dat een vergoeding voor het inbrengen van arbeid, zoals [gedaagde] terecht aanvoert, ook niet is uitgesloten in de overeenkomst en dat lid 3 zo zou kunnen worden uitgelegd dat met ‘ieders inbreng’ ook arbeid wordt bedoeld. Kortom, de tekst van de overeenkomst biedt op dit punt niet direct uitsluitsel.
Voor de uitleg van de overeenkomst stille maatschap is de tekst van deze overeenkomst van belang, maar beslissend is de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor de aan de overeenkomst te geven uitleg kunnen ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang zijn, omdat daaruit kan blijken hoe partijen de overeenkomst hebben begrepen en toegepast.
De manier waarop partijen zich hebben gedragen na het sluiten van de overeenkomst, wijst erop dat zij ervan uitgingen dat de arbeid niet zou worden gecrediteerd. [eiseres] heeft op geen enkel moment gesteld dat de arbeid die zij voor de maatschap verrichtte, vergoed zou moeten worden. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] nooit eerder een urenstaat heeft overgelegd. Dit heeft hij pas in deze procedure, bij de conclusie van eis in reconventie. [gedaagde] heeft daarvoor als verklaring gegeven dat hij ervan uitging dat hij dat kon doen op het moment dat partijen zouden gaan afrekenen. Als [gedaagde] het belangrijk had gevonden dat zijn arbeid zou worden meegenomen in de kapitaalrekening, had het voor de hand gelegen dat hij, gelet op artikel 4 lid 3 van de overeenkomst stille maatschap, waar hij een beroep op doet, veel eerder en gedetailleerder zijn verrichte arbeid had onderbouwd en aan [eiseres] kenbaar had gemaakt en had aangedrongen op het opnemen daarvan in de kapitaalrekening, bijvoorbeeld jaarlijks. Het was redelijkerwijs voorzienbaar dat, als [gedaagde] jaren later uit het niets met een forse claim in verband met ingebrachte arbeid op de proppen zou komen, het lastig zou zijn om die claim naar behoren te onderbouwen en dat het risico op een meningsverschil daarover aanzienlijk zou zijn.
De conclusie is dat partijen er niet van uit zijn gegaan dat hun arbeid voor creditering in aanmerking zou komen. In theorie is denkbaar dat, indien de ene partij heel veel arbeid verricht en de andere heel weinig of helemaal geen, een billijkheidscorrectie wordt toegepast, maar de rechtbank ziet daarvoor in deze zaak onvoldoende aanleiding. Niet onaannemelijk is dat [eiseres] ook veel arbeid heeft verricht in het kader van het project, met name van administratieve aard, en dat [gedaagde] daarvan op de hoogte was. Gesteld noch gebleken is dat partijen ooit met elkaar hebben besproken hoe hun beider arbeid gewaardeerd zou moeten worden, wat nogal voor de hand had gelegen als zij meenden of een van hen meende dat deze arbeid op enig moment op geld gewaardeerd zou moeten gaan worden.
[gedaagde] heeft dus geen recht op een vergoeding voor ingebrachte arbeid.
Door [gedaagde] aan [eiseres] voorgeschoten kosten ten behoeve van de stille maatschap
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van deze vordering een overzicht overgelegd (productie 9) waaruit volgens hem volgt dat hij in totaal € 137.957,49 heeft betaald aan voorgeschoten kosten en aflossingen op de overeenkomst van geldlening, dat [eiseres] een bedrag van € 76.194,49 heeft terugbetaald en dat [gedaagde] de lening van € 41.697,00 heeft terugbetaald. Volgens [gedaagde] resteert er daarom een vordering van hem op [eiseres] van € 20.066,00 (€ 137.957,49 min € 76.194,49 min € 41.697,00).
De beslissing op deze vordering is mede afhankelijk van de uitkomsten van de nadere bewijslevering, zodat de rechtbank deze vordering in dit vonnis nog niet zal beoordelen.
Overige door [gedaagde] gemaakte kosten
[gedaagde] stelt dat hij ook de volgende kosten heeft moeten maken:
1. aanschafkosten van een accu van € 549,99 en twee generatoren van € 380,74 en € 398,99, omdat [eiseres] de elektriciteitsvoorziening heeft gewijzigd en daarna slechts een beperkte stroomcapaciteit beschikbaar was;
2. kosten voor nieuwe bedrading van € 183,95, omdat [eiseres] een groot deel van de bedrading door de elektricien in afwezigheid van [gedaagde] geeft laten wegknippen;
3. kosten voor een nieuwe deurbelcamera van € 119,99, omdat [eiseres] de oude heeft verwijderd.
[eiseres] voert aan dat deze kosten niet zijn gemaakt ter uitoefening van het doel van de maatschap. Verder voert zij het volgende aan. [gedaagde] heeft een gevaarlijke situatie gecreëerd in het chateau door elektra aan te leggen zonder daarvoor opgeleid te zijn of enige ervaring te hebben. [eiseres] heeft een deskundige moeten inschakelen om het elektriciteitssysteem te beoordelen en de gevaarlijke situatie ongedaan te maken, door onder meer het wegknippen van bedrading. [eiseres] gaf de deskundige elektricien ook de opdracht om een veilig systeem aan te leggen in het chateau. In dit verband heeft de elektricien contact opgenomen met [gedaagde]. [gedaagde] heeft geweigerd om mee te werken aan het aanleggen van een veilig systeem. De camera waarvan [gedaagde] betaling eist, is aangekocht door [eiseres]. Als [gedaagde] een camera wenst voor privégebruik dan moet hij daarvoor zelf de kosten dragen. [gedaagde] betwist dat de camera door [eiseres] is gekocht en dat deze voor privégebruik is.
De rechtbank wijst deze vorderingen af en oordeelt daartoe als volgt.
De accu, generatoren en bedrading waren uitsluitend bedoeld voor het verblijf van [gedaagde] en niet om na de verbouwing duurzaam te blijven functioneren. Deze voorwerpen vertegenwoordigden dus geen waarde voor de maatschap, zodat [eiseres] niet gehouden is om bij te dragen in de kosten daarvan. Dat [gedaagde] een brandgevaarlijke situatie heeft gecreëerd die moest worden hersteld, heeft hij niet gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft in dit opzicht niet onrechtmatig gehandeld.
Omdat [gedaagde] een vergoeding verlangt voor het weghalen van de deurbelcamera, was het gezien de betwisting van [eiseres] aan hem om te onderbouwen dat hij deze heeft gekocht. Dat heeft hij niet gedaan. Nu niet is komen vast te staan dat de camera eigendom is van [gedaagde], heeft [eiseres] niet onrechtmatig gehandeld door deze te verwijderen.
in beide zaken
Er bestaat discussie over de vraag of [eiseres] de volledige administratie aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. [gedaagde] betwist dat in de gedingstukken, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft hij opgemerkt: “Het kan zo zijn dat dit de volledige administratie is, maar die klopt niet”. Als [gedaagde] meent dat hij niet over alle relevante stukken uit de administratie van [eiseres] beschikt, ligt het op zijn weg om dat kenbaar te maken en wordt [eiseres] verzocht de administratie in kopie in het geding te brengen. Als deze situatie aan de orde is, kan [gedaagde] vragen om verlenging van de in de beslissing gestelde termijnen.
Het is voorzienbaar dat de discussie van partijen over de afwikkeling van de maatschap nog geruime tijd kan duren, met alle kosten en negatieve energie van dien. Het staan partijen vrij om naar aanleiding van dit tussenvonnis alsnog met elkaar te overleggen over een minnelijke regeling. Als zij daarvoor meer tijd nodig hebben, kunnen zij de rechtbank vragen de hieronder bepaalde termijnen te verlengen.
6. De beslissing
De rechtbank
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/707017 / HA ZA 25-827
laat [gedaagde] toe te bewijzen dat hij aflossingen heeft gedaan op de geldlening (en welke) en dat hij [eiseres] telkens wanneer hij een aflossing deed, hiervan op de hoogte bracht, zoals bedoeld in 5.16,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 19 augustus 2026 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [gedaagde] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken over wil leggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij deze getuigen en de verhinderdata van de getuigen, partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2026 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. B. van Velzen, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak met zaak- en rolnummer C/10/709256 / HA ZA 25-954
in conventie
laat [gedaagde] toe tot het tegenbewijs, zoals bedoeld in 5.40 en 5.45,
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 19 augustus 2026 voor het uitlaten door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [gedaagde] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken over wil leggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij deze getuigen en de verhinderdata van d getuigen, partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2026 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. B. van Velzen, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. van Westen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
3242/3194