RECHTBANK Rotterdam
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/709875 / HA ZA 25-988
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
1. [eiser 1],
te Ridderkerk,2. [eiser 2],
te Barendrecht (gemeente Albrandswaard),3. [eiser 3],
te Rotterdam,4. [eiser 4],
te [woonplaats 1],5. [eiser 5],
te [woonplaats 2],6. [eiser 6],
te [woonplaats 1],7. [eiser 7],
te [woonplaats 3],8. [eiser 8],
te [woonplaats 4],9. [eiser 9],
te [woonplaats 5],10. [eiser 10],
te [woonplaats 6],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J. Nederlof,
tegen
STICHTING NEDERLANDS BUREAU KEURINGEN BINNENVAART (NBKB),
te Barendrecht (gemeente Albrandswaard),
gedaagde partij,
hierna te noemen: het NBKB,
advocaat: mr. V. van der Kuil.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over het keuren van binnenvaartschepen. Eisers zijn inspecteurs die deze keuringen uitvoeren en expertisebureaus waar zij in dienst van zijn. Gedaagde is een organisatie die door de overheid is aangewezen om de inspecties van binnenvaartschepen uit te voeren. De inspecteurs in deze zaak zijn ingeleend door gedaagde voor het verrichten van inspecties. Gedurende enige maanden is de accreditatie van gedaagde geschorst geweest. Volgens de inspecteurs hebben zij hierdoor schade geleden en is gedaagde hiervoor aansprakelijk. De rechtbank wijst de vorderingen van de inspecteurs en de expertisebureaus af. De inspecteurs hebben namelijk geen schade geleden en gedaagde heeft niet onrechtmatig gehandeld ten opzichte van de expertisebureaus.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 31 oktober 2025, met producties 1 tot en met 33;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13;
de zittingsoproep van 16 februari 2026;
de zittingsagenda van 4 mei 2026 met een aantal vragen ten behoeve van de mondelinge behandeling;
de akte houdende overlegging producties van het NBKB, met producties 14 tot en met 19;
de akte overlegging nadere producties van [eisers], met producties 34 tot en met 44;
de mondelinge behandeling van 9 juni 2026;
de spreekaantekeningen van [eisers];
de spreekaantekeningen van het NBKB.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Eisers sub 1-3 zijn expertisebureaus die zich voornamelijk bezighouden met het keuren en controleren van binnenvaartschepen. Eisers sub 4-10 zijn inspecteurs.
De volgende inspecteurs zijn verbonden aan [eiser 1], eiser sub 1:
[eiser 4] (eiser sub 4)
[eiser 5] (eiser sub 5)
[eiser 6] (eiser sub 6).
De volgende inspecteurs zijn verbonden aan [eiser 2], eiser sub 2:
[eiser 7] (eiser sub 7)
[eiser 8] (eiser sub 8)
[eiser 9] (eiser sub 9).
De volgende inspecteur is verbonden aan eiser sub 3, [eiser 3]:
- [eiser 10] (eiser sub 10).
Het inspecteren van (professioneel gebruikte) schepen en de beoordeling of die
schepen voldoen aan de geldende regelgeving is van oudsher in Nederland een publiekrechtelijke overheidstaak. Met het verdwijnen van de scheepvaartinspectie en het overhevelen van deze en andere inspectiediensten naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn deze taken voor wat betreft de uitvoering daarvan uitbesteed aan private partijen. In de binnenvaart zijn er drie organisaties aangewezen om de inspecties en de certificering uit te voeren. Dit betreft Register Holland, Bureau Scheepvaart Certificering en het NBKB, opgericht op 27 maart 2003. (Inmiddels, na het sluiten van de samenwerkingsovereenkomsten waar deze zaak betrekking op heeft, zijn de activiteiten van het NBKB ondergebracht in een nieuw opgerichte partij: NBKB B.V. NBKB B.V. heeft de werkzaamheden van het NBKB voortgezet.) Daarnaast worden er ook certificerende werkzaamheden uitgevoerd door een aantal classificatiemaatschappijen, voor schepen die onder klasse varen.
Binnenschepen moeten periodiek gekeurd worden ten behoeve van de verlenging van hun binnenschipcertificaat.
In tegenstelling tot de andere keuringsinstanties had het NBKB geen eigen inspecteurs in dienst, maar huurde zij inspecteurs, die elders werkzaam waren, in om de keuringen te verrichten. Dat inhuren vond plaats in de vorm van een zogenoemde samenwerkingsovereenkomst. Die overeenkomsten werden periodiek gesloten. Het NBKB had met alle zeven inspecteurs in deze zaak, dus met eisers sub 4-10, zo’n individuele samenwerkingsovereenkomst gesloten.
In iedere samenwerkingovereenkomst worden (uitsluitend) het NBKB en de desbetreffende inspecteur aangeduid als “partijen”. Bovenaan de laatste pagina van iedere overeenkomst is aan de linkerkant een handtekening geplaatst door de desbetreffende inspecteur en daarnaast, aan de rechterkant, een handtekening van de directeur van het NBKB namens het NBKB. Daaronder staat het volgende:
De werkgever ondertekent, middels deze Samenwerkingsovereenkomst, akkoord te gaan met de volgende artikelen:
Artikel Omschrijving Werkgever van de Inspecteur
Kennisgeving en toestemming verlening
Beschikbaar stellen Inspecteur
Beroepsaansprakelijkheidsverzekering [naam van eiser sub 1, 2 of 3]
Geheimhouding
Onpartijdigheid en onafhankelijkheid
t.a.v. geïnspecteerde objecten, vallend
onder de scope van het NBKB
minimale beschikbaarheid [datum]
[ondertekening namens eiser 1, 2, of 3]
Voor het behoud door het NBKB van haar accreditatie als erkende keuringsinstantie vonden er periodiek controles plaats door de Raad voor Accreditatie (RvA). Dat is een instantie die door de overheid is aangewezen als de nationale accreditatie-instantie. Haar primaire taak is het accrediteren en geaccrediteerd houden van conformiteitbeoordelende organisaties, zoals het NBKB.
Op 26 oktober 2023 is de accreditatie van het NBKB door de RvA geschorst.
Bij brief van 28 november 2023 van de toenmalige advocaat van [eisers] zijn het NBKB en haar bestuurders aansprakelijk gesteld voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade wegens deze schorsing.
Iedere inspecteur heeft door middel van een brief aan het NBKB van 6 februari 2024 zijn samenwerkingsovereenkomst met het NBKB buitengerechtelijk ontbonden.
Op 14 februari 2024 is de schorsing tot een einde gekomen na de opheffing daarvan door de RvA.
Niet iedere samenwerkingsovereenkomst was op hetzelfde tijdstip in werking getreden. Eisers sub 4 en 5 hadden hun overeenkomst namelijk al ondertekend op 28 april 2023, eiser sub 6 al op 9 mei 2023, maar eisers sub 7 en 8 pas op 30 oktober 2023, eiser sub 9 pas op 31 oktober 2023 en eiser sub 10 pas op 2 november 2023. Bij aanvang van de schorsing van de accreditatie van het NBKB, op 26 oktober 2023, waren eisers sub 7-10 dus nog niet akkoord gegaan met deze – nieuwe – samenwerkingsovereenkomsten.
Na kennisneming van bovengenoemde ontbindingsbrieven heeft het NBKB alle inspecteurs benaderd met het oog op een tijdelijke verlenging van de samenwerkingsovereenkomsten om daarmee de lopende projecten/keuringen/inspecties af te maken. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat de overeenkomsten nog gedurende een periode tot en met 31 december 2024 zouden worden verlengd en dat daarna de samenwerking zou worden beëindigd, tenzij partijen de samenwerking alsnog ook na die periode zouden verlengen. Dat laatste is niet gebeurd. Deze nieuwe tijdelijke samenwerkingsovereenkomsten zijn dus alle uiterlijk per 31 december 2024 tot een einde gekomen.
4. Het geschil
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 144.360,-- aan schadevergoeding,
primair aan de inspecteurs [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6] gezamenlijk, dan wel
individueel als volgt:
[eiser 4]: € 53.413,20
[eiser 5]: € 60.631,20
[eiser 6]: € 30.315,60
en subsidiair aan [eiser 1], een en ander te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf de datum van het verzuim tot de dag van de volledige betaling;
II. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 126.413,-- aan schadevergoeding,
primair aan de inspecteurs [eiser 8], [eiser 9] en [eiser 7] gezamenlijk, dan wel individueel als volgt:
[eiser 8]: € 40.344,57
[eiser 9]: € 34.965,30
[eiser 7]: € 51.103,13
en subsidiair aan [eiser 2], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim tot de dag van de volledige betaling;
III. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 138.068,-- aan schadevergoeding,
primair aan de inspecteur [eiser 10] en subsidiair aan [eiser 3], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim tot de dag van de volledige betaling;
IV. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 23.238,05 wegens openstaande
facturen, primair aan [eiser 1] en subsidiair aan de verbonden inspecteurs
gezamenlijk, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a BW en subsidiair de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW vanaf de verschillende data van het verval van de betalingstermijn tot de dag van de volledige betaling, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten conform artikel 6:96 lid 2 sub c BW, die € 1.007,38 bedragen;
V. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 16.484,29 wegens openstaande
facturen, primair aan [eiser 2] en subsidiair aan de verbonden inspecteurs gezamenlijk, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a
BW en subsidiair de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW vanaf de verschillende data
van het verval van de betalingstermijn tot de dag van de volledige betaling, alsmede te
vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten conform artikel 6:96 lid 2 sub c BW, die € 939,84 bedragen;
VI. het NBKB veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 36.207,16 wegens openstaande
facturen, primair aan [eiser 3], en subsidiair aan de verbonden inspecteur
[eiser 10], te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente conform artikel 6:119a BW en subsidiair met de wettelijke rente conform artikel 6:119 BW vanaf de verschillende data van het verval van de betalingstermijn tot de dag van de volledige betaling, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten conform artikel 6:96 lid 2 sub c BW, die € 1.137,07 bedragen;
VII. het NBKB veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
Hieraan leggen [eisers] – samengevat – het volgende ten grondslag.
De steeds per inspecteur gesloten individuele samenwerkingsovereenkomst vormt het
uitgangspunt van hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten en
verlangen. Gelet op de aard van de overeenkomst en hetgeen partijen over en weer jegens elkaar verplicht zijn te doen (een juiste en deugdelijke uitvoering van de overeenkomst) en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten, mochten de inspecteurs van het NBKB verwachten dat zij alles zou doen wat in haar mogelijkheden ligt en lag om de benodigde accreditatie te behouden. Dat heeft het NBKB nagelaten, waardoor de accreditatie van het NBKB is geschorst. Het NBKB is dan ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de samenwerkingsovereenkomsten.
Het gevolg van de schorsing is geweest dat de inspecteurs per onmiddellijke ingang zonder werk en inkomsten kwamen te zitten in relatie tot het het NBKB.
De inspecteurs vorderen primair vergoeding van de door hen geleden schade, die gelijk is aan de inkomsten die zij hadden kunnen genereren als er geen sprake was geweest van een schorsing, en subsidiair vergoeding betreffende de periode dat de schorsing onnodig lang heeft voortgeduurd omdat het NBKB ook na de schorsing niet meteen ‘alle zeilen heeft bijgezet’ om de schorsing ongedaan te maken.
Daarnaast vorderen de expertisebureaus nakoming van betalingsverplichtingen vanwege uitgevoerde werkzaamheden.
Het NBKB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis.
Hieraan legt het NBKB – samengevat – het volgende ten grondslag.
Er is geen sprake van een tekortkoming van het NBKB onder de samenwerkingovereenkomsten. De schorsing van de accreditatie kwalificeert niet als een tekortkoming of als een onrechtmatige daad. Er was geen verplichting voor het NBKB om de inspecteurs van werk te voorzien. De inspecteurs waren niet in dienst bij het NBKB, maar bij de expertisebureaus. Ook hebben de inspecteurs geen inkomstenverlies geleden. Voor zover er al schade is geleden, is die schade bovendien veroorzaakt door de inspecteurs zélf. De facturen van [eiser 1] tot een bedrag van € 23.238,05 (petitium onder IV) en [eiser 2] tot een bedrag van € 16.484,29 (petitum onder V) heeft NBKB op 4 november 2025 voldaan. Ook het aan [eiser 3] te betalen bedrag van € 36.207,16 (petitum onder VI) moet worden afgewezen, en wel om verscheidene redenen als nader uiteengezet in de dagvaarding.
5. De beoordeling
Vorderingen I, II en III
Deze vorderingen houden het volgende in. [eisers] vorderen primair betaling aan de inspecteurs (eisers 4-10) van een vergoeding van de schade die zij geleden hebben als gevolg van de schorsing van de accreditatie van het NBKB. Die schade is volgens [eisers] gelijk aan de inkomsten die de inspecteurs hadden kunnen genereren als de accreditatie van het NBKB niet geschorst was geweest. Subsidiair vorderen [eisers] betaling van het schadebedrag aan het desbetreffende expertisebureau (eiser 1, 2 of 3).
Op de zitting is het volgende toegelicht en erkend. De inspecteurs waren in dienst bij een van de expertisebureaus. De vergoeding voor hun werkzaamheden bestond uit een salaris (in de vorm van een managementfee). Als een inspecteur zijn opdracht voor een klant had voltooid, factureerde het expertisebureau waar die inspecteur in dienst was de werkzaamheden van die inspecteur aan de klant. Die werkwijze gold ook richting het NBKB. In voorkomende gevallen factureerde het expertisebureau het NBKB voor de werkzaamheden van haar inspecteur. De rechthebbende op betaling van de betreffende factuur was het expertisebureau en niet de individuele inspecteur. Het salaris van een inspecteur was niet afhankelijk van het aantal keren dat een inspecteur inspecteerde.
Het voorgaande betekent dat de gestelde schade hooguit door de expertisebureaus zou zijn geleden, maar in ieder geval niet door de individuele inspecteurs. Daarom zal de primair gevorderde schadevergoeding aan de inspecteurs worden afgewezen.
Wat betreft de subsidiair gevorderde schadevergoeding aan de expertisebureaus oordeelt de rechtbank als volgt.
De grondslag voor eventuele aansprakelijkheid van het NBKB jegens de expertisebureaus volgt niet uit de samenwerkingsovereenkomsten. Aan die overeenkomsten waren de expertisebureaus vanwege hun mede-ondertekening namelijk slechts als partij gebonden wat betreft de artikelen 1.1, 3.1, 3.2, 3.3 en 3.10. Zie hierboven in 3.5. Nog daargelaten dat [eisers] aan (het bepaalde in) deze artikelen geen aansprakelijkheid lijken te ontlenen van het NBKB jegens de expertisebureaus die van belang is in de onderhavige zaak, regelen deze artikelen ook slechts verplichtingen, dus geen rechten, van de desbetreffende expertisebureaus jegens het NBKB. Deze artikelen regelen namelijk:
- de door het expertisebureau aan zijn inspecteur te verlenen toestemming om te werken voor het NBKB (art. 1.1),
- het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (art. 3.1),
- de door de inspecteur te betrachten geheimhouding (art. 3.2), de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de inspecteur, en
- het minimale aantal (deel)onderzoeken waarvoor het expertisebureau de inspecteur beschikbaar moet stellen aan het NBKB (art. 3.10).
Op grond van de samenwerkingsovereenkomsten bestaat er geen contractuele verplichting van het NBKB om de accreditatie te behouden. Er is daarom geen contractuele grondslag voor de door de expertisebureaus gevorderde schadevergoeding. De grondslag voor eventuele aansprakelijkheid van het NBKB jegens de expertisebureaus kan dus alleen maar een onrechtmatige daad zijn. Gelet op alle hieraan te stellen eisen is het NBKB echter ook niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk jegens de expertisebureaus. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt (r.o. 5.7-5.9).
Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet onder meer aan het relativiteitsvereiste zijn voldaan. Dit in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste houdt in dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde (in dit geval: de expertisebureaus) die heeft geleden. Daarbij komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. De accreditatie van het NBKB dient het belang van de veilige scheepvaart en niet de (financiële) belangen van de expertisebureaus waar voor het NBKB werkzame inspecteurs aan verbonden zijn. Aan het relativiteitsvereiste is daarom niet voldaan.
De handelwijze van het NBKB was ook anderszins niet onrechtmatig jegens de expertisebureaus. Het NBKB is niet degene die de accreditatie afgeeft, dat is de RvA. Op het NBKB rustte geen resultaatsverbintenis, maar hooguit een inspanningsverbintenis om zijn accreditatie te behouden. Die verbintenis gold bovendien primair tegenover de inspecteurs met wie zij een contractuele relatie had. Het NBKB diende daarbij overigens wel mede rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de expertisebureaus waaraan de inspecteurs immers waren verbonden. In rechte staat evenwel niet vast dat het NBKB bij haar inspanningen onzorgvuldig jegens de expertisebureaus heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Dit geldt zowel wat betreft de omstandigheden ten tijde van de schorsing van de accreditatie van het NBKB alsook wat betreft de omstandigheden ten tijde van opheffing van die schorsing.
In het door [eisers] als productie 9 in het geding gebrachte Eindrapport van de RvA worden zeven “afwijkingen” – ook wel aangeduid als “Non-Conformities” – genoemd die de RvA had geconstateerd bij het NBKB. Het zijn deze zeven “afwijkingen” die [eisers] aan de aansprakelijkheid van het NBKB ten grondslag leggen.
Het gaat bij deze zeven afwijkingen – samengevat en zakelijk weergegeven – om de volgende zeven tekortkomingen:
In de administratie van het NBKB is niet duidelijk vastgelegd op grond van welke kwalificatie-eisen de voor het NBKB werkzame inspecteurs worden/zijn beoordeeld.
Uit de administratie van en/of procedures bij het NBKB blijkt niet duidelijk welke eisen gesteld worden aan de jaarlijkse externe controle van uitrusting en apparatuur waarvan gebruik wordt gemaakt bij de inspecties.
Het NBKB heeft achterstanden op het gebied van de ‘monitoring’ van personeel (dat betrokken is bij keuringen die moeten leiden tot de afgifte van certificaten).
De audits bij de bureaus waar inspecteurs van worden ingeleend door het NBKB waren nog niet uitgevoerd en nog niet alle opgemaakte contracten met die bureaus waren door die bureaus ondertekend.
In het interne auditprogramma van het NBKB (uit 2023) is niet voorzien in een controle van de eisen en processen aan/van het managementsysteem.
Op zijn website is het NBKB niet duidelijk over zijn accreditatie(s).
Het NBKB heeft niet duidelijk aangetoond dat geluidsmeters waarvan gebruik wordt gemaakt gecertificeerd zijn conform de vereiste klasse.
Het gaat dus vooral om procedurele tekortkomingen. Wat deze tekortkomingen betreft, leggen [eisers] echter ten onrechte de verantwoordelijkheid volledig bij het NBKB, terwijl de inspecteurs wel degelijk een rol hadden bij het ontstaan en het oplossen van deze ‘afwijkingen’. Een duidelijk voorbeeld daarvan is het aanvankelijke nalaten door de inspecteurs om samenwerkingsovereenkomsten te ondertekenen. Maar ook de uit te voeren audits bij de expertisebureaus waren afhankelijk van de bereidwilligheid van de voor die expertisebureaus werkzame inspecteurs, terwijl, zo is gebleken, die inspecteurs op dat punt minst genomen een zeer afwachtende houding aannamen. Door het NBKB is ook gemotiveerd toegelicht dat er een bredere onvrede bij de RvA speelde die zag op de bijzondere rol van de voor het NBKB werkzame inspecteurs. Zij hadden er namelijk zélf voor gekozen om naast hun werkzaamheden voor het NBKB ook voor andere opdrachtgevers werkzaamheden te verrichten. Daarmee kwam de onafhankelijke en onpartijdige rol van de inspecteurs en in zoverre ook van het NBKB op de tocht te staan bij het verrichten van keuringen en het uitgeven van certificaten. Zie in de “Samenvatting” op pagina 1 van het Eindrapport:
”Opvallend daarbij is dat NBKB afhankelijk is van partijen buiten de eigen organisatie. Bijv. inspecteurs die ook werkzaam zijn bij expertisebureaus/verzekeraars en die niet rechtstreeks aangestuurd worden door NBKB als het gaat om de uitvoering van de inspecties en uitvoeren van monitoring. Het beoordelingsteam ziet dat de structuur en opzet van NBKB hierbij niet helpend is. Zie ook de rapportage van de technisch assessor.”
Mede tegen die achtergrond staat in rechte niet vast dat het NBKB haar bovengenoemde inspanningsverplichting heeft geschonden op een wijze die tegenover de expertisebureaus (en overigens evenmin jegens de inspecteurs) onzorgvuldig is.
Evenmin staat vast dat het NBKB tekort is geschoten in haar inspanningsverbintenissen om de schorsing van zijn accreditatie vervolgens weer opgeheven te krijgen. Dat is immers een apart verwijt dat [eisers] aan de aansprakelijkheid van het NBKB ten grondslag hebben gelegd. Als gesteld door het NBKB en niet (gemotiveerd) betwist door [eisers] is vast komen te staan dat het NBKB de inspecteurs steeds op de hoogte heeft gehouden van alle stappen die er werden gezet om de schorsing opgeheven te krijgen. Dat heeft echter niet geleid tot enige vorm van structurele en doeltreffende samenwerking op dit punt om de schorsing zo snel mogelijk ongedaan gemaakt te krijgen. Integendeel. De inspecteurs dienden in dat proces mede ook andere belangen. Zo is gebleken dat zij hebben geprobeerd een eigen keuringsinstantie, onder de naam ‘Verenigde Nederlandse Inspecteurs Binnenvaart’ (VNIB), geaccrediteerd te krijgen, (waar zij overigens niet in zijn geslaagd). In dat kader hadden de inspecteurs op 6 februari 2024, slechts enkele dagen vóór de opheffing van de schorsing van het NBKB, hun overeenkomsten met het NBKB opgezegd.
Mede tegen die achtergrond kan evenmin gezegd worden dat het NBKB tekort is geschoten in haar inspanningen om de schorsing opgeheven te krijgen, wat bovendien ook is gelukt.
Bij gebreke van andere gestelde of gebleken grondslagen is het NBKB dan ook niet aansprakelijk jegens de expertisebureaus voor de schorsing van zijn accreditatie.
Vorderingen I, II en III zullen derhalve alle volledig worden afgewezen.
Vorderingen IV en V
Vordering IV strekt tot betaling van aan het NBKB verzonden facturen van Bestevaer en vordering V ziet op facturen van [eiser 2]
Het gevorderde factuurbedrag van [eiser 1] van € 23.238,05 is inmiddels voldaan door het NBKB, zo hebben [eisers] bevestigd. Dat geldt ook voor het factuurbedrag van € 16.484,29 van [eiser 2]. Voor zover de vorderingen op betaling van deze bedragen zien, worden zij afgewezen.
Ook de gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. Er zijn tal van facturen overgelegd door [eisers] (zie producties 16, 18 en 20). Nadat zij pas op de zitting hadden erkend dat er deels al was betaald, hebben zij nagelaten te verduidelijken welke facturen te laat waren betaald. Het is niet de taak van de rechtbank om dat aan de hand van de overgelegde facturen zelf uit te zoeken. Hier komt nog bij dat bovendien onduidelijk is op welke samenwerkingsovereenkomsten deze facturen zijn gebaseerd, op (i) de oude (zie 3.11 hierboven), (ii) de tussenliggende (zie 3.11 hierboven) dan wel (iii) de nieuwe tijdelijke en inmiddels afgelopen (zie 3.12 hierboven). Voor zover de facturen zien op de ontbonden samenwerkingsovereenkomsten, kan immers geen nakoming meer worden gevorderd (zie artikel 6:271 BW). [eisers] hebben op het punt van de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten onvoldoende aan hun stelplicht voldaan.
Vordering V
Deze vordering betrof aanvankelijk zowel werkzaamheden van inspecteur [eiser 10] (eiser sub 10) als werkzaamheden van de hierna nader aangeduide inspecteur [naam], een niet in de onderhavige procedure betrokken inspecteur. Op de zitting is van de kant van [eisers] erkend dat het factuurbedrag voor de werkzaamheden van [eiser 10], € 8.627,30, al is betaald. Het nog onbetaald gebleven factuurbedrag van € 26.490,86, ziet uitsluitend op werkzaamheden van [naam].
De rechtbank wijst deze vordering af en licht dit toe. [eiser 3] vordert betaling van facturen die zien op werkzaamheden verricht door [naam] op basis van zijn samenwerkingsovereenkomst met het NBKB. De facturen waarvan betaling wordt gevorderd zien op de periode van september 2023 tot en met mei 2025. Omdat volgens [eisers] de inspecteurs hun samenwerkingsovereenkomsten in februari 2024 hebben ontbonden (zie hiervoor onder 3.9), gaat de rechtbank ervan uit dat dit ook het geval is geweest bij [naam]. Dat betekent dat een deel van de facturen waarvan thans betaling wordt gevorderd betrekking heeft op een ontbonden samenwerkingsovereenkomst. Daarvan kan, zoals hiervoor al is overwogen, geen nakoming meer gevorderd worden. Welke facturen dat betreft is echter onduidelijk. [eiser 3] heeft verder ook niet toegelicht van welke facturen in beginsel wel nakoming kan worden gevorderd. Gezien het verweer van het NBKB, had dat wél op haar weg gelegen. Deze vordering van [eiser 3] wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gesteld afgewezen. De rechtbank hoeft daarom niet in te gaan op het opschortingsverweer van het NBKB jegens [eiser 3]/[naam] in verband met de Riona-zaak (ECLI:NL:RBROT:2022:5953).
Proceskosten
Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [eisers] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van het NBKB worden tot aan deze uitspraak begroot op:
dagvaardingskosten € 148,04
griffierecht € 6.861,00
salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten in liquidatietarief VII)
nakosten € 189,00 (+ verhoging vermeld in dictum)
Totaal € 14.644,04.
Tegen de over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.
6. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisers] af;
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 14.644.04, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.901/3455