RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/722760 / JE RK 26-1335
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een tijdelijk verbod op contact
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.F. Hofman, kantoorhoudende te Rotterdam,
[vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 7 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger van de GI] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juni 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 juli 2027.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2026 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en als volgt bepaald:
Weekenden:
- [minderjarige] is eens per vier weken een weekend bij haar vader, van zaterdag 12:00 uur tot zondag 17:00 uur. Het eerste weekend dat zij vanaf heden weer bij haar vader zal zijn is het weekend van 4 en 5 juli 2026.
Schoolvakanties:
- [minderjarige] is in de voorjaarsvakantie ieder jaar de gehele week bij de moeder;
- [minderjarige] is in de meivakantie ieder jaar de eerste helft (vanaf zaterdag 12.00 uur) bij de vader en de tweede helft bij de moeder, met een wisseling op woensdag om 12.00 uur als de meivakantie een week duurt en met een wisseling op zaterdag om 12.00 uur als de meivakantie twee weken duurt;
- [minderjarige] is in de zomervakantie ieder jaar week één en twee (vanaf zaterdag 12.00 uur) bij de vader, week drie en vier bij de moeder, week vijf bij de vader en week zes bij de moeder, met een wisseling steeds op zaterdag om 12.00 uur;
- [minderjarige] is in de herfstvakantie ieder jaar de gehele week (vanaf zaterdag 12.00 uur tot zaterdag 12.00 uur) bij de vader;
- [minderjarige] is in de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader en in de oneven jaren de eerste week (vanaf zaterdag 12.00 uur) bij de vader en de tweede week bij de moeder, met als wisselmoment de zaterdag om 12.00 uur.
Feestdagen:
- [minderjarige] is in de oneven jaren tijdens Pasen bij de moeder;
- [minderjarige] is in de even jaren tijdens Pasen bij de vader, met een wisselmoment op eerste Paasdag om 12.00 uur en op tweede Paasdag om 17.00 uur;
- [minderjarige] is in de even jaren tijdens Pinksteren bij de moeder;
- [minderjarige] is in de oneven jaren tijdens Pinksteren bij de vader, met een wisselmoment op eerste Pinksterdag om 12.00 uur en op tweede Pinksterdag om 17.00 uur;
- in geval [minderjarige] tijdens een feestdag bij de moeder verblijft en dat weekend normaliter bij de vader zou zijn, vervalt het gehele weekend bij de vader zonder compensatie;
- overige feestdagen, inclusief de verjaardagen van partijen, Moederdag, Vaderdag en overige vrije dagen van school worden niet tussen de vader en de moeder verdeeld, [minderjarige] verblijft dan bij de moeder;
Halen en brengen:
- bij wisselmomenten wordt [minderjarige] door de ouder bij wie ze het laatst heeft verbleven naar de andere ouder gebracht. De brengende ouder zet [minderjarige] dus om 12.00 uur, respectievelijk 17.00 uur, bij het huis van de andere ouder af.
(Video)belcontacten:
- [minderjarige] (video)belt de ouder waar zij op dat moment niet verblijft één keer per week, de regie over de dag en het tijdstip liggen bij de jeugdbeschermer.
3. Het verzoek
De GI verzoekt om de huidige door de kinderrechter vastgelegde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat er voorlopig geen omgang is tussen de vader en het kind, waarbij aan de GI de regie wordt gegeven om de omgang (weer) ter hervatten/op te starten indien mogelijk en naar wens en behoeften van het kind op onderstaande voorwaarden.
Primair dat [minderjarige] alleen contact met haar vader heeft op haar initiatief.
Subsidiair dat:
- [minderjarige] alleen fysiek contact met haar vader heeft op haar initiatief tot het KSCD onderzoek is afgerond en de gedane adviezen zijn uitgewerkt in een plan waarna het fysieke contact weer wordt opgebouwd zoals in het hiervoor genoemde plan is opgenomen;
- [minderjarige] en haar vader via de telefoon contact kunnen hebben na een periode van 3 maanden geen contact in die zin dat vader vrijblijvend positieve en geïnteresseerde appjes mag sturen aan [minderjarige] en [minderjarige] zelf de keuze heeft om deze te beantwoorden. Wanneer zij appjes niet beantwoordt mag de vader niet meer dan 1 keer per 4 weken contact met haar zoeken.
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De GI is al voor een langere periode betrokken, maar er is weinig gebeurt. Er zijn veel verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest, waardoor er geen vertrouwensband is opgebouwd met [minderjarige] . Inmiddels is de huidige jeugdbeschermer betrokken en zijn er zorgen ontstaan over het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader kleineert en isoleert haar en [minderjarige] voelt zich machteloos in deze situatie. Dit is al langer aan de gang, maar [minderjarige] heeft hierover pas recent over verteld tegen de jeugdbeschermer. De GI heeft geprobeerd om in contact te komen met de vader, maar de vader houdt het contact met de GI af. Als de GI het wel lukt om (telefonisch) in contact te komen met de vader bedreigt hij de GI. Het is belangrijk dat [minderjarige] haar zelfvertrouwen op kan bouwen en zelf kan bepalen wanneer zij contact wil met haar vader. Daarnaast wil de GI psychomotorische therapie (hierna PMT) inzetten voor [minderjarige] .
4. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is er geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De afgelopen jaren is er weinig gebeurd. Er zijn veel verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest, maar er is weinig hulpverlening ingezet. De moeder heeft zes jaar lang aangegeven wat [minderjarige] heeft meegemaakt. [minderjarige] is gestopt met het delen van haar gevoelens, omdat er niet naar haar werd geluisterd. [minderjarige] vindt het moeilijk om haar grenzen aan te geven. De onveiligheid van [minderjarige] bij de vader is toegenomen. Het is belangrijk dat [minderjarige] voor haarzelf dient op te komen en grenzen leert stellen.
5. De beoordeling
Volgens artikel 1:265g Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van een minderjarige noodzakelijk is. Deze beslissing kan vervolgens worden gewijzigd als er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] gewijzigd. [minderjarige] heeft hierna gesprekken gevoerd met de jeugdbeschermer. [minderjarige] heeft daarin verteld over wat zij meemaakt als zij bij de vader is. [minderjarige] geeft aan dat zij wordt gekleineerd, uitgescholden en onder druk gezet door de vader. Ook moet zij taken doen die zij niet wil, zoals helpen bij op de boerderij. De vader isoleert haar, omdat zij geen contact mag hebben met haar vriendinnen in [provincie] . Verder draagt de vader zoveel haat uit naar [minderjarige] en de moeder, dat het contact tussen de vader en [minderjarige] belastend is. Het eerste contactmoment na de gewijzigde zorgregeling vond plaats van 4 juli tot 5 juli 2026. Over dit weekend heeft [minderjarige] het volgende verteld aan de jeugdbeschermer. De vader heeft haar schreeuwend ‘een stuk nageboorte’ en ‘kutkind’ genoemd. Kort erna stort de vader huilend ineen en zegt hij dat hij van haar houdt. Verder benoemt de vader dat hij haar niet naar huis zal brengen. Toen de vader [minderjarige] naar het overdrachtsmoment zou brengen is hij bewust te laat vertrokken. In de auto heeft hij tegen [minderjarige] geschreeuwd en heeft hij gedreigd haar moeder en de (vorige) kinderrechter iets aan te doen. [minderjarige] benoemt dat dit weekend erger was dan eerder. Het feit dat [minderjarige] pas na 16 juni 2026 tegen de jeugdbeschermer is gaan vertellen over de ernst van de situatie levert een wijziging van de omstandigheden op die maakt dat de kinderrechter de regeling opnieuw kan wijzigen.
De kinderrechter merkt op dat doorgaans contact tussen ouder en kind in het belang van het kind is. Dit kan anders zijn als er omstandigheden zijn die maken dat het contact voor het kind schadelijk is. De wetgever heeft die omstandigheden aangemerkt als ontzeggingsgronden (deze zijn omschreven in artikel 1:377a BW).
Volgens de GI is in het geval van [minderjarige] sprake van een ontzeggingsgrond, namelijk dat omgang tussen [minderjarige] en haar vader in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De kinderrechter sluit zich daarbij aan. Het hebben van contact met de vader is op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] , nu zij gelet op haar eigen verklaringen te maken heeft met kleinerende opmerkingen, scheldpartijen en stemmingswisselingen van de vader. [minderjarige] verklaart hier gedetailleerd over en ook de moeder en de jeugdbeschermer bevestigen het negatieve gedrag van de vader. De kinderrechter gaat daarom uit van wat [minderjarige] hierover verteld. De vader weigert verder om mee te werken aan hulpverlening voor hemzelf en het lukt de GI niet om in gesprek te komen met de vader zonder dat hij bedreigingen uit.
Omdat de ouders beide het gezag hebben, spreekt de wet niet van ontzeggen maar van een verbod tot het hebben van contact (zie art. 1:253a lid 2 onder a BW). De ontzeggingsgronden gelden ook voor ouders met gezamenlijk gezag (zie art. 1:253a BW). De kinderrechter heeft hierboven al beoordeeld dat in het geval van [minderjarige] er een ontzeggingsgrond is aan de kant van de vader. De kinderrechter verbiedt de vader daarom om contact te hebben met [minderjarige] . De komende periode is het belangrijk dat [minderjarige] tot rust komt en hulp krijgt voor de gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt, bijvoorbeeld door middel van PMT.
De vader kan volgens vaste rechtspraak na een jaar om wijziging vragen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045). Verder kan de GI opnieuw om een wijziging vragen van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op het moment dat [minderjarige] weer contact zou wensen met de vader of de GI anderszins meent dat dat in het belang van [minderjarige] is.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verbiedt de vader contact te hebben met [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.