RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9690
[eiseres] , uit Schiedam, eiseres, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 1]
(gemachtigde: mr. D. Sarikas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, het college
(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3]).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om haar uit te schrijven uit de basisregistratie personen (brp) op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Eiseres is het niet eens met de uitschrijving. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres terecht is uitgeschreven. Wel heeft het college het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door eiseres niet te horen over een eventuele wijziging van de grondslag in bezwaar. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 25 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het college eiseres uitgeschreven uit de brp. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de uitschrijving uit de brp gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Namens het college is niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
Eiseres (geboren op [geboortedatum] 2013) stond met haar moeder [naam 1] (hierna: de moeder), haar zus en haar broer in de brp ingeschreven op het adres [adres]. Regionaal Bureau Leerrecht (Leerrecht) heeft per e-mail van 4 juli 2023 aan het college verzocht om een adresonderzoek in te stellen naar eiseres en haar zus en broer, omdat de leerplichtambtenaar twijfelt of zij wel vier maanden in Nederland zijn geweest. Per brief van 7 juli 2023, gericht aan de moeder, is het college het adresonderzoek gestart. In die brieven is verzocht om een ingevulde en ondertekende ‘verklaring woonadres’ retour te sturen met een kopie van het identiteitsbewijs.
Het college heeft de verklaring van eiseres op 11 juli 2023 per e-mail ontvangen. De moeder heeft de verklaring namens eiseres ingevuld en mede ondertekend. Op 7 augustus 2023 heeft de moeder de situatie toegelicht in een e-mail waarin zij verwijst naar telefonisch contact van eerder die dag. Het college heeft op 19 december 2023 om aanvullende stukken gevraagd waaruit blijkt dat eiseres vier maanden per jaar in Nederland is. De moeder heeft op 28 december 2023 de volgende stukken toegestuurd:
- een schermafbeelding van een ticket voor een vlucht van eiseres van Amsterdam naar Doha op 11 januari 2023;
een verklaring van de Turkish School in Doha;
een foto van vluchtgegevens van eiseres met als datum van aankomst in Amsterdam 10 juni 2023.
Het college heeft op 11 januari 2024 verzocht om alle vliegtickets van eiseres. Het was uit de toegezonden informatie niet mogelijk om uit te rekenen hoeveel dagen eiseres buiten Nederland verbleef.
Op 18 januari 2024 is het interventieteam van Toezicht en Handhaving (het interventieteam) van de gemeente Schiedam in de avond langs de woning van eiseres gereden. De woning was donker en er werd niet open gedaan. Op 19 en 20 januari 2024 is het interventieteam respectievelijk in de ochtend en de middag langs de woning gereden. Beide dagen is niemand aangetroffen. Op 24 januari 2024 is de moeder met onder andere eiseres aan de balie van het klantcontactcentrum van de gemeente Schiedam geweest voor een paspoortaanvraag. De medewerker van het klantcontactcentrum heeft deze aanvraag aangehouden. Daarbij is door de medewerker aangegeven dat de moeder en de kinderen het afgelopen jaar 3,9 maanden in Nederland aanwezig waren, in plaats van de vereiste vier maanden. In de avond van diezelfde dag is het interventieteam langs de woning gereden, omdat de moeder had gezegd dat het gezin aanwezig zou zijn. Het interventieteam heeft niemand aangetroffen en heeft informatie ingewonnen bij de buren. Een buurman verklaarde: “Buren heb ik al een tijd niet gezien en wonen wel twee mannen tussen 30-35 jaar oud". Een andere buurman verklaarde: "Ik zie de buren niet, er komen wel personen in de woning na 21:00 uur”.
Met het primaire besluit heeft het college besloten om eiseres per 7 juli 2023 uit te schrijven uit de brp op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp. 3.5. De moeder heeft op 15 februari 2024 vliegtickets van 2023 aan het college toegestuurd. 3.6. Op 6 maart 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit is het college bij de uitschrijving gebleven. Het college heeft wel besloten om eiseres per 25 januari 2024 in plaats van 7 juli 2023 uit te schrijven. Ook heeft het college de grondslag voor de uitschrijving in bezwaar gewijzigd naar artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Had het college eiseres moeten horen over de eventuele wijziging van de grondslag van het besluit?
Eiseres voert aan dat het college haar in de gelegenheid had moeten stellen zich uit te laten over de mogelijke wijziging van de grondslag van het besluit. Door dit niet te doen heeft het college in strijd gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
In de bezwaarprocedure dient een volledige heroverweging van het eerdere besluit plaats te vinden. Dit kan betekenen dat het bestuursorgaan de beslissing op bezwaar op andere argumenten ondersteunt of de motivering van het besluit aanvult dan wel wijzigt. Daarbij dient de rechtszekerheid in acht te worden genomen en moet de betrokkene in de bezwaarprocedure in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op het nadere standpunt van het bestuursorgaan, zodat hij niet op ontoelaatbare wijze wordt beperkt in zijn verweermogelijkheden.
Uit de stukken maakt de rechtbank op dat – zoals eisers aanvoert – de mogelijke wijziging van de grondslag van het besluit op de hoorzitting van 27 juni 2024 kort is genoemd, maar dat daar toen niet over is doorgesproken. Verder constateert de rechtbank dat het college in een e-mail van 12 september 2024 aan de gemachtigde van eiseres schrijft: “De bezwaarschriftencommissie heeft kenbaar gemaakt dat mogelijk de wettelijke grondslag aangepast dient te worden.” De gemachtigde van eiseres schrijft vervolgens in haar e-mail van 16 september 2024: ”U geeft verder aan dat de bezwaarschriftencommissie kenbaar heeft gemaakt dat mogelijk de wettelijke grondslag aangepast dient te worden. Kunt u nadere toelichting hierop geven?” Daarop is van de zijde van het college geen toelichting gevolgd. Het college heeft op 17 september 2024 het bestreden besluit genomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor beschreven gang van zaken onzorgvuldig. Dat de gemachtigde van eiseres zich op de hoorzitting niet negatief heeft uitgelaten over de opmerking van de bezwaarschriftencommissie dat een andere grondslag meer passend is, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres zich voldoende heeft kunnen uitlaten over een mogelijke wijziging van de grondslag. Het primaire besluit spreekt niet over artikel 2.21 van de Wet brp en het is daarom begrijpelijk dat de gemachtigde van eiseres tijdens de hoorzitting niet nader op die bepaling is ingegaan. Dit geldt temeer nu niet is gebleken dat het college tijdens de hoorzitting duidelijk heeft gemaakt dat het de grondslag van het besluit zou gaan wijzigen. Daar komt bij dat het college eiseres in reactie op haar e-mail van 16 september 2024, waarin zij expliciet vraagt om een toelichting op een mogelijke grondslagwijziging, niet de gelegenheid heeft geboden zich uit te laten over een eventuele grondslagwijziging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de mogelijke wijziging van de grondslag. Daardoor is eiseres in bezwaar geschaad in haar verweermogelijkheid en is het college onzorgvuldig geweest in zijn besluitvorming. 5.5. De vraag rijst welke gevolgen aan deze gebrekkige besluitvorming moeten worden verbonden. De rechtbank heeft eiseres op de zitting gevraagd welk nadeel zij ervan heeft ondervonden. Eiseres heeft daarop enkel concreet benoemd dat verwarring is ontstaan. De rechtbank overweegt dat eiseres zich in beroep heeft kunnen uitlaten over de nieuwe grondslag. Zij heeft de toepasselijkheid van die grondslag niet bestreden, maar erkend dat zij (net) minder dan een derde van een jaar in Nederland heeft verbleven (120 dagen in plaats van de vereiste 121,7 dagen). Zij heeft in beroep enkel aangevoerd dat de besluitvorming gebrekkig is verlopen en dat de uitschrijving onevenredige gevolgen heeft. Het is daarom aannemelijk dat eiseres niet is benadeeld door het gebrek. De rechtbank zal het gebrek dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6.
Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Eiseres heeft de norm van artikel 2.21, eerste lid, van de Wet brp onbedoeld met slechts één dag niet gehaald, terwijl de moeder altijd haar best heeft gedaan aan de regels te voldoen. Eiseres wijst op de intentie om in de toekomst terug te keren naar Nederland en voert aan dat het besluit aanzienlijke gevolgen heeft, zoals mogelijke problemen met sociale voorzieningen en administratieve rechten in Nederland. Op de zitting heeft de moeder in dit verband verklaard dat de uitschrijving gevolgen heeft gehad voor de zorgverzekering van haar kinderen in Nederland en op schulden die zij heeft. Het college had een belangenafweging moeten maken en al deze omstandigheden moeten meewegen. Het besluit is onevenredig, aldus eiseres.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp een gebonden bevoegdheid is. In de wettelijke bepaling staat dat indien een ingezetene geen aangifte van vertrek indient, het college ambtshalve zorgdraagt voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Dit is dwingend geformuleerd en het staat het college dus niet vrij om bij de toepassing van deze bepaling een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb te maken. Het ongeschreven evenredigheidsbeginsel kan echter wel een rol spelen. Een wet in formele zin kan buiten toepassing worden gelaten indien bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet of niet ten volle zijn verdisconteerd, de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht (zoals het ongeschreven evenredigheidsbeginsel), dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent voor deze zaak dat het college bij de vraag of is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp geen belangenafweging hoeft te maken, maar uiteindelijk ‘onder de streep’ nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van deze bepaling tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. Het voorgaande geldt ook bij de toetsing door de bestuursrechter van het in beroep bestreden besluit.
Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het doel van de Wet brp is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. De brp heeft een belangrijke functie binnen ons rechtssysteem. De gegevens in de brp ‘spoelen door’ naar de vele afnemers van de brp. Wijzigingen in de gegevens kunnen gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor eerder gesloten overeenkomsten, aanspraken op uitkeringen, de registratie van justitiële gegevens, het Nederlanderschap of de verblijfsstatus. Gezien het belang van een juiste brp, gelden er strakke spelregels. De wetgever is zich van bedoelde gevolgen van een wijziging in de brp bewust geweest. Hoewel dergelijke gevolgen voor burgers ingrijpend kunnen zijn, is de Afdeling van oordeel dat deze gevolgen in de regel niet als onvoorzien of bijzonder kunnen worden aangemerkt omdat deze rechtstreeks uit het systeem van de brp volgen en het ondenkbaar is dat de wetgever zulke gevolgen niet heeft voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat de (strikte) toepassing van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp in deze zaak er niet toe leidt dat het bestreden besluit in strijd is met het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. De al in bezwaar in het kader van de evenredigheid van de uitschrijving door eiseres genoemde intentie circa 4 maanden per jaar in Nederland te verblijven en in de toekomst terug te keren naar Nederland, heeft het college niet ten onrechte niet als bijzondere omstandigheid gezien. De intentie van een betrokkene is voor de brp niet relevant, het gaat om de feitelijke verblijfplaats. Gezien de functie van de brp is bovendien een strikte toepassing van de wet van belang en de omstandigheid dat sprake is van een geringe afwijking van de norm kan dus niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die kan leiden tot de conclusie dat het besluit onevenredig is. Ditzelfde geldt voor het door de moeder ter zitting genoemde gevolg dat haar kinderen de woning door het besluit als ‘vervloekte woning’ zien en dat zij daar niet meer naartoe willen. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van de kinderen en het verdriet hierover van de moeder, maar dit is geen bijzondere omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat de toepassing van de wettelijke bepaling achterwege blijft. Het staat eiseres vrij om een aanvraag te doen voor herinschrijving wanneer zij wel aan de wettelijke vereisten voldoet. De gestelde – overigens niet met stukken onderbouwde – financiële gevolgen (zoals met betrekking tot de zorgverzekering) zijn door de wetgever voorzien. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat financiële gevolgen van de uitschrijving van de moeder zelf in deze procedure niet relevant zijn. De moeder is geen partij in deze zaak, maar treedt slechts op als wettelijk vertegenwoordiger van eiseres en daarmee enkel ten behoeve van de belangen van eiseres. Wat eiseres heeft aangevoerd in het kader van het evenredigheidsbeginsel, kan – ook in onderlinge samenhang bezien – niet tot de conclusie leiden dat het besluit onevenwichtig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige 7. Gelet op de wijziging van de grondslag van de uitschrijving in bezwaar gaat de rechtbank niet in op wat eiseres in beroep heeft opgemerkt in het kader van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet brp. Die grondslag is immers niet langer van toepassing.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres terecht is uitgeschreven uit de brp. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat de besluitvorming in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is geweest. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,00). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.21
1. Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.
2. Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
3. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.
4. De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.
5. Indien de ingezetene in de aangifte van vertrek meldt te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan hem kosteloos een verhuisbericht, volgens een door Onze Minister vast te stellen model.
Artikel 2.22
1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
2. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.