RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6286
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
(gemachtigde: [naam]).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft het college verzoeksters aanvraag voor maatschappelijke opvang afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
4. Verzoekster is met haar minderjarige dochter in 2024 vanuit Suriname naar Nederland gekomen en verbleef bij familie. In november 2025 is haar minderjarige zoon naar Nederland gekomen. Ze woont bij een nicht in huis en daar gaat het niet goed. Zij moet daar weg. Op 14 en 15 juli 2026 heeft verzoekster zich gemeld bij Centraal Onthaal voor maatschappelijke opvang. Met het bestreden besluit heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft bepaald dat verzoekster in staat wordt geacht om zich op eigen kracht, met de gebruikelijke voorzieningen of met mantelzorg en hulp van haar sociale netwerk, te handhaven in de samenleving. Verzoekster wordt volgens het college daarom zelfredzaam geacht, dat wil zeggen in staat om in het onderdak van haarzelf en haar kinderen te voorzien. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij direct toegang krijgt tot de maatschappelijke opvang.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op diens bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. Verzoekster heeft toegelicht dat zij met haar twee minderjarige kinderen tijdelijk in een kamer verblijft op het adres [straatnaam] in [locatie] . Zij kan daar verblijven totdat deze procedure is afgerond. Daarna staat zij met haar kinderen op straat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van een spoedeisend belang.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Zelfredzaamheid
7. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang op grond van de Wmo als hij of zij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam.
8. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
9. Uit het formulier ‘Toelichting Onderzoek en Besluit op Maatschappelijke Opvang’ blijkt dat het college onderzoek heeft verricht naar de situatie van verzoekster. Verzoekster is geboren en opgegroeid in Suriname. Zij heeft hier zelfstandig gewoond en gewerkt als verpleegkundige. In maart 2024 is zij met haar minderjarige dochter naar Nederland gekomen. Bij aankomst verbleef zij bij haar tante en enige tijd bij haar oom. De afgelopen maanden verbleef zij bij haar nicht. Verzoekster werkte ook in Nederland als verpleegkundige. Sinds twee maanden zit zij in de Ziektewet. Verzoekster heeft schulden bij de Belastingdienst waarvoor zij zelf contact heeft opgenomen voor een betalingsregeling. Vanuit Welzijn Capelle wordt verzoekster ondersteund bij het verkrijgen van overzicht in haar financiën en het aflossen van schulden. Verzoekster heeft aangegeven dat het huisvestingsprobleem voor veel spanningen heeft gezorgd. De afgelopen twee maanden ervaart zij stressklachten, slaapt slecht, piekert veel en heeft regelmatig hoofdpijn. Zij heeft niet eerder zulke klachten gehad.
10. Gezien het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag en problemen van verzoekster en op juiste gronden geconcludeerd dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en dat geen sprake is van een situatie waarin verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar minderjarige kinderen te voorzien. Uit het dossier komt naar voren dat verzoekster een opleiding heeft gevolgd en zowel in Suriname als in Nederland als verpleegkundige heeft gewerkt. Ook volgt uit het dossier dat zij de juiste instanties zelf weet te benaderen. Hoewel verzoekster op dit moment met een burn-out is uitgevallen van haar werk en een Ziektewetuitkering ontvangt, zijn er geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de klachten het dagelijks functioneren zodanig beperken dat zij verminderd zelfredzaam is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor verzoekster moeilijk is en dat zij daardoor veel stress ervaart, maar dit betekent niet er aanleiding is om te twijfelen aan haar zelfredzaamheid zoals dat begrip onder de Wmo wordt ingevuld. De door verzoekster ingediende stukken, zoals afspraakbevestigingen bij de praktijkondersteuner en verslagen van de bedrijfsarts doen daar niet aan af. Ten aanzien van de nader ingediende stukken van de bedrijfsarts van 22 juli 2026 en 7 augustus 2026 overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoekster niet zelfredzaam is. Weliswaar komt in de stukken naar voren dat verzoekster is uitgevallen van haar werk en er beperkingen zijn ten aanzien van onder meer persoonlijk en sociaal functioneren, deze nemen echter niet weg dat, zoals hierboven overwogen, verzoekster zelfredzaam is en er geen andere hulpvraag is dan toegang tot huisvesting/opvang.
Belangen van het kind
11. Verzoekster betoogt verder dat het college ten onrechte, want in strijd met de artikelen 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft nagelaten de belangen, veiligheid en ontwikkelingsbehoeften van haar minderjarige kinderen kenbaar mee te wegen.
12. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
13. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat in een geval als hier aan de orde, waarin het gaat om een huisvestingsprobleem, weigering tot de opvang geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Slechts in bijzondere omstandigheden kan een verplichting om onderdak te verschaffen aan bijzonder kwetsbare personen voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Hiervan is in dit geval niet gebleken.
14. Bij de intake op 14 juli 2026 was ook een zogenoemde Loketspecialist Jeugd aanwezig. Deze heeft verzoekster bevraagd over haar opvoedvaardigheden, de eventuele betrokkenheid van de andere ouder en/of hulpverlening bij haar kinderen, de gezondheid, ontwikkeling, dagbesteding en veiligheid van de kinderen, en de voorziening in de basisbehoeftes van haar zoon. De Loketspecialist heeft geconcludeerd dat beide kinderen zich adequaat te lijken te ontwikkelen. Deze bevindingen van de Loketspecialist Jeugd heeft het college betrokken bij de besluitvorming, zoals blijkt uit het formulier ‘Toelichting Onderzoek en Besluit op Maatschappelijke Opvang’. Verzoekster heeft deze bevindingen niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het college heeft nagelaten de belangen, veiligheid en ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige kinderen van verzoekster kenbaar en toetsbaar in kaart te brengen en dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de afwijzing van verzoeksters aanvraag vooralsnog in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: