RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het dagelijks bestuur van GR Sociaal, het dagelijks bestuur
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5756
en
(gemachtigde: mr. T. Franssen).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft het dagelijks bestuur bepaald dat verzoekers recht op bijstand per 1 juni 2026 wordt ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het dagelijks bestuur heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het dagelijks bestuur.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
3. Verzoeker ontving een uitkering op grond van de Participatiewet. Vanwege een melding van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft het dagelijks bestuur een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd naar het recht op uitkering, waaruit naar voren is gekomen dat verzoeker op geld waardeerbare werkzaamheden (heeft) verricht. Dit heeft aanleiding gegeven onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van verzoeker. Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding daarvan bepaald dat verzoeker de medewerkings- en inlichtingenplicht heeft geschonden. Vanwege het ontbreken van gegevens, informatie over en de omvang van verzoekers werkzaamheden kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het besluit tot opschorting van zijn bijstandsuitkering wordt geschorst zodat hij weer over zijn bijstandsuitkering kan beschikken tot de beslissing op het bezwaar.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Niet in geschil is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage bij deze uitspraak.
5. Naar aanleiding van een melding van de IND van 7 januari 2025 is het dagelijks bestuur een rechtmatigheidsonderzoek gestart en is informatie opgevraagd bij verzoeker. Verzoeker stelt zich (onder andere) op het standpunt dat het dagelijks bestuur onrechtmatig informatie heeft gekregen van de IND.
6. De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of het dagelijks bestuur
de bijstandsuitkering van verzoeker mocht opschorten omdat hij niet heeft meegewerkt aan het rechtmatigheidsonderzoek naar zijn bijstandsuitkering. Daarbij ziet de voorzieningenrechter, gelet op wat verzoeker stelt, zich voor de vraag gesteld of het dagelijks bestuur op basis van de informatie van de IND een onderzoek mocht starten naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van verzoeker.
7. De IND heeft in een e-mailbericht van 7 januari 2025 bij het dagelijks bestuur gemeld nader onderzoek te doen naar mogelijke migratiecriminaliteit en dat in dit onderzoek mogelijk ook uitkeringsfraude speelt. De toezichthouder van het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van dit bericht telefonisch contact gehad met de IND. In dit telefoongesprek is de vraag van de IND of verzoeker een bijstandsuitkering ontving, door de toezichthouder bevestigd. Op 2 april 2025 heeft de IND na afronding van het eigen onderzoek naar migratiecriminaliteit informatie, waaronder verschillende bankafschriften van vreemdelingen. naar de toezichthouder gezonden. Volgens deze informatie verricht verzoeker vanaf 2019 werkzaamheden als juridisch adviseur in een groot aantal dossiers met betrekking tot diverse procedures bij de IND en hebben verschillende personen in dat kader geld naar hem overgemaakt naar een op zijn naam staande Belgische bankrekening. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur op grond van haar eigen bevoegdheden nader onderzoek verricht, waarbij onder andere bij de IND nadere informatie is gevorderd op grond van artikel 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. Het dagelijks bestuur heeft de bijstandsuitkering van verzoeker twee keer eerder opgeschort of ingetrokken omdat verzoeker in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek dat is gevolgd op de melding van de IND van 7 januari 2025 niet de gevraagde informatie heeft aangeleverd. Hangende het bezwaar tegen deze besluiten heeft verzoeker tweemaal eerder een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Beide verzoeken zijn toegewezen. Bij uitspraak van 7 november 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat vooralsnog niet worden vastgesteld dat de IND de op eigen initiatief gedeelde informatie binnen de wettelijke kaders met het dagelijks bestuur heeft gedeeld. Een belangenafweging heeft vervolgens geleid tot het treffen van een voorlopige voorziening. In de uitspraak van 9 april 2026 heeft de voorzieningenrechter beoordeeld of de door het dagelijks bestuur aangedragen grondslag van 107, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een voldoende grondslag biedt voor de informatie-uitwisseling tussen de IND en het dagelijks bestuur. De voorzieningenrechter heeft twijfels of deze bepaling een voldoende grondslag biedt, omdat de persoonsgegevens in bezit van de IND worden verkregen voor de doeleinden genoemd in artikel 107, tweede lid, van de Vw 2000. Het beschikbaar stellen van informatie over verzoeker aan het dagelijks bestuur moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval worden aangemerkt als een verdere verwerking voor een ander doel dan waarvoor de gegevens oorspronkelijk door de IND zijn verkregen. Ook in deze uitspraak leidt een belangenafweging tot het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het dagelijks bestuur heeft beide besluiten vervolgens ingetrokken.
9. Het dagelijks bestuur heeft in de onderhavige procedure het standpunt ingenomen dat de informatie van de IND, welke onderdeel is van de vreemdelingenadministratie als bedoeld in artikel 107 van de Vw 2000, mag worden uitgewisseld omdat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) daarvoor een grondslag biedt. Het dagelijks bestuur verwijst hierbij naar de artikelen 64, eerste lid, onder a en d van de Wet SUWI en artikel 5.21a, onder a, van de Regeling SUWI.
10. De voorzieningenrechter overweegt dat de IND de informatie over verzoeker aan het dagelijks bestuur heeft verstrekt ter uitvoering van een onderzoek naar verzoekers recht op bijstand. Uit artikel 64 van de Wet SUWI (en de Regeling SUWI) blijkt dat gegevensverwerking als doel heeft voorkomen en bestrijden van onrechtmatig gebruik van (onder meer) bijstandsuitkeringen. Met toepassing van dit artikel werken bestuursorganen onderling samen en kunnen zij onderling gegevens uitwisselen. Verzoekers standpunt, dat alleen het dagelijks bestuur aan de IND (en niet andersom) gegevens mag uitwisselen over derden, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.
De voorzieningenrechter heeft echter wel twijfels over of het dagelijks bestuur deze grondslag in dit geval mag gebruiken. De tekst van artikel 64 van de Wet SUWI veronderstelt namelijk dat er structureel een samenwerkingsverband dient te zijn tussen (een aantal van) de daarin genoemde bestuursorganen. In de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat gedacht moet worden aan structurele samenwerkingsverbanden, waarbij de kern is dat de activiteiten waarop wordt samengewerkt nalevingstoezicht en opsporing van strafbare feiten zijn, alsmede het voorkomen van nadeel ten aanzien van bestuursorganen, die uitkeringen en voorzieningen verstrekken of in geval er nadeel ontstaat bij het heffen van premies en bijdragen. De samenwerking kan blijken uit een convenant, zoals bij de interventieteams. In de Memorie van Toelichting bij artikel 64 van de Wet SUWI is het volgende opgenomen: “In het tweede lid van artikel 64 is bepaald dat in een samenwerkingsverband gegevens worden verwerkt die ten behoeve van het in het eerste lid genoemde doel noodzakelijk zijn voor dat samenwerkingsverband. Dit houdt in dat alvorens tot daadwerkelijke samenwerking en gegevens verstrekking wordt overgegaan door de genoemde bestuursorganen en personen, bedoeld in het eerste lid, afzonderlijk, aan de hand van de eisen van de Wbp, wordt getoetst of er een noodzaak voor gegevens verstrekking is. Indien na toetsing is gebleken dat er een noodzaak is dan besluiten de bestuursorganen en personen vervolgens tot eventuele deelname aan het samenwerkingsverband. In het samenwerkingsverband zijn de samenwerkende bestuursorganen en personen gezamenlijk verantwoordelijke in de zin van de Wbp”. Vooralsnog kan uit het dossier niet worden vastgesteld of sprake is van een dergelijk samenwerkingsverband tussen het dagelijks bestuur en de IND, of dat het dagelijks bestuur en de IND in lijn met andere wet- en regelgeving gegevens kunnen uitwisselen.
11. Gelet op de twijfel die (nog altijd) bestaat over de grondslag voor de gegevensuitwisseling, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een belangenafweging tussen enerzijds het belang van verzoeker bij voortzetting van zijn bijstandsuitkering (een vangnetvoorziening) en het algemene belang van het dagelijks bestuur bij de (controle op de) naleving van de Participatiewet. Hoewel het belang van integraal overheidsoptreden ten aanzien van de voorkoming en bestrijding van onrechtmatig gebruik van overheidsgelden en overheidsvoorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid en inkomensafhankelijke regelingen groot is, en voor de gegevensuitwisseling in dit kader mogelijk een grondslag kunnen worden gevonden in de Algemene Verordening Gegevensbescherming of in een ander wettelijk voorschrift, kan in het kader van deze procedure nog niet worden vastgesteld of de door de IND verstrekte informatie binnen de wettelijke kaders met het dagelijks bestuur is gedeeld. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verzoeker in dit geval groter is en zal daarom een voorlopige voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Concreet voor verzoeker betekent dit dat zijn bijstandsuitkering voorlopig weer doorloopt.
13. Toewijzing van het verzoek brengt met zich mee dat het dagelijks bestuur het griffierecht aan verzoeker dient te vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 22 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: relevante wet- en regelgeving
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)
Artikel 64. Gegevensverstrekking ten behoeve van samenwerkingsverband
1. Ten behoeve van een integraal overheidsoptreden ten aanzien van de voorkoming en bestrijding van onrechtmatig gebruik van overheidsgelden en overheidsvoorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid en de inkomensafhankelijke regelingen, de voorkoming en bestrijding van belasting- en premiefraude en het niet naleven van de arbeidswetten, wordt samengewerkt door:
a. de colleges van burgemeester en wethouders, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, in verband met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 62;
b. de personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift zijn belast met het houden van toezicht op de naleving dan wel de uitvoering van andere regelgeving op het terrein van Onze Minister;
c. de Belastingdienst;
d. andere bestuursorganen en personen voor zover zij zijn belast met een publiekrechtelijke taak en daartoe bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën zijn aangewezen.
2. In een samenwerkingsverband van twee of meer van de bestuursorganen en personen, bedoeld in het eerste lid, worden gegevens verwerkt, die ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk zijn voor dat samenwerkingsverband. Bij de gegevensverwerking in het samenwerkingsverband zijn de samenwerkende bestuursorganen en personen gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken als bedoeld in artikel 26 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
3. Ingeval twee of meer van de in het eerste lid genoemde bestuursorganen en personen besluiten tot deelname aan een samenwerkingsverband zijn deze bestuursorganen en personen verplicht de noodzakelijke gegevens, bedoeld in het tweede lid, te verstrekken aan de in het samenwerkingsverband deelnemende bestuursorganen en personen.
4. In afwijking van het derde lid worden de noodzakelijke gegevens, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister verstrekt indien een verzoek als bedoeld in artikel 65, eerste lid, is gedaan.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het samenwerkingsverband, bedoeld in het tweede lid.
Regeling SUWI
Artikel 5.21a. Aanwijzing personen en bestuursorganen samenwerkingsverband
Als personen en bestuursorganen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet SUWI worden aangewezen:
a. de Minister van Justitie en Veiligheid, voor zover het betreft de uitvoering van taken door de Immigratie- en Naturalisatiedienst;
b. het bestuur van een openbaar lichaam, waaraan bij gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering is overgedragen van de taken die bij of krachtens de in artikel 62, eerste lid, van de Wet SUWI genoemde wetten aan de colleges van burgemeester en wethouders zijn opgedragen.