ECLI:NL:RBROT:2026:10314

ECLI:NL:RBROT:2026:10314

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer C/10/723021 / KG ZA 26-717
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Verdelingszaak en geldvordering. Gedeeltelijke toewijzing. De man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. De geldvordering wordt grotendeels afgewezen. Het spoedeisend belang bij de gelvordering is niet evident. Bovendien staan de hoogte en verschuldigdheid van de geldvordering niet vast. Dat vergt nader onderzoek en dat leent zich niet voor een kort geding. Slechts één deel van de geldvordering (woonlasten vanaf 1 augustus 2026) wordt toegewezen. Gedaagde heeft in zijn conclusie van antwoord en ter zitting onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig meegedeeld deze kosten vanaf die datum voor zijn rekening te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/723021 / KG ZA 26-717

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats 1],

eisende partij,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2],

gedaagde partij,

advocaat: mr. C.S. Winter.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Partijen hadden van februari 1995 tot augustus 2025 een relatie. [eiseres] heeft de gezamenlijke woning in februari 2026 verlaten. [gedaagde] woont sindsdien met de twee meerderjarige kinderen van partijen in de woning. [eiseres] vordert dat [gedaagde] meewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde en vordert daarnaast betaling van geldbedragen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot medewerking toe en wijst de vordering(en) over het betalen van geld grotendeels af.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 8;- de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 en 2;- de mondelinge behandeling op 30 juli 2026;- de spreekaantekeningen van mr. E.J. Eijsberg.

3. Enkele relevante feiten

Partijen hebben op 16 februari 2026 VBW Makelaars & Taxateurs opdracht gegeven om de woning te verkopen. De vraagprijs van de woning is vastgesteld op € 535.000,00.

Op 15 juni 2026 heeft een belangstellende een bod gedaan van € 520.000,00, dat door partijen is afgewezen.

Een dag later, op 16 juni 2026, heeft dezelfde gegadigde de vraagprijs geboden.

Een dag daarna, op 17 juni 2026, heeft [gedaagde] aan de makelaar laten weten niet akkoord te gaan met het bod, omdat hij met de kinderen in de woning wil blijven wonen.

Op 9 juli 2026 heeft [gedaagde] een financieringsverklaring en -opzet ontvangen van een hypotheekadviseur.

4. Het geschil

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] veroordeelt om na betekening van het vonnis onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering (ten overstaan van de door de makelaar aanbevolen notaris) van de woning aan de [adres] tegen een koopsom van € 535.000,00 en te bepalen dat, voor zover [gedaagde] met deze medewerking in gebreke blijft, het vonnis op de voet van artikel 3:300 BW dezelfde kracht heeft als en in de plaats komt van de voor verkoop en levering benodigde medewerking van [gedaagde] aan het ondertekenen van de koopovereenkomst en het aansluitend passeren van de akte van levering;

2. [gedaagde] veroordeelt tot het openstellen van de woning voor potentiële kopers en daarbij alles na te laten wat aan de totstandkoming van een koopovereenkomst in de weg kan staan, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

3. [gedaagde] veroordeelt om € 5.560,00 aan [eiseres] te betalen als bijdrage in de kosten van de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

4. [gedaagde] veroordeelt om € 6.900,00 aan [eiseres] te betalen als gebruiksvergoeding over de periode van februari tot en met juli 2026, te vermeerderen met € 1.150,00 per maand vanaf 1 augustus 2026 tot de dag dat de eigendom van de woning wordt overgedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

5. een voorziening treft die de voorzieningenrechter passend en geboden acht;

6. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving tot betaling, als hij hieraan niet voldoet te vermeerderen met de kosten van betekening en met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na het vonnis.

[eiseres] legt aan vordering 1 en 2 het volgende ten grondslag. De relatie tussen partijen is verbroken, waarna op initiatief van [gedaagde] opdracht aan de makelaar is gegeven om de gezamenlijke woning te verkopen aan een derde. [eiseres] is met die verkoopopdracht akkoord gegaan en zij vordert dat [gedaagde] meewerkt aan de verkoop van de woning. Op 16 juni 2026 is een bod gedaan op de woning gelijk aan de vraagprijs. Daarvoor is slechts één ander, lager bod gedaan, door dezelfde gegadigde. Een dag na ontvangst van het bod gelijk aan de vraagprijs heeft [gedaagde] de makelaar laten weten niet akkoord te gaan met het bod. Als reden daarvoor gaf [gedaagde] dat er geen vervangende woonruimte voor hem en de meerderjarige kinderen zou zijn en dat hij het aandeel van [eiseres] in de woning wil overnemen. Volgens [eiseres] kan [gedaagde] de woning financieel gezien onmogelijk overnemen en zal die dus verkocht moeten worden. Vordering 2 is mede ingesteld omdat het niet zeker is dat de belangstellende de woning nog steeds wil kopen.Aan vordering 3 legt [eiseres] het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft over de periode van februari tot en met juli 2026 de volledige woonlasten betaald (zoals hypotheeklasten, premies van aan de woning verbonden verzekeringen, het voorschot voor water, de contributie van Vereniging Eigen Huis), terwijl [gedaagde] de helft daarvan moet betalen.

De grondslag van vordering 4 – vergoeding van het woongenot – ligt besloten in artikel 10 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst. Kort samengevat staat daarin dat de partij die in de woning blijft wonen gedurende zes maanden een redelijke vergoeding dient te betalen aan de partij die niet meer in de woning verblijft.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres]. [gedaagde] heeft [eiseres] nog voor ontvangst van het tweede bod laten weten de woning zelf over te willen nemen. [gedaagde] heeft een financieringsverklaring van zijn hypotheekadviseur van 9 juli 2026 aan [eiseres] verstrekt, waarin is vermeld dat [gedaagde] naar alle waarschijnlijkheid financiering voor de overname van de woning kan verkrijgen. Volgens [gedaagde] is het onredelijk van [eiseres] om door te willen gaan met de verkoop aan een derde en hem niet eerst een beperkte termijn van bijvoorbeeld vier maanden te gunnen om de financiering voor een overname definitief rond te krijgen. [gedaagde] betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

5. De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiseres] bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.

Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op haar plaats. Bij deze beoordeling speelt met name een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij de verkoop van de woning aan een derde

[eiseres] heeft gesteld en onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij spoedige verkoop van de woning, omdat zij de financiële middelen nodig heeft om een nieuw onderdak voor zichzelf te kunnen realiseren. Nu verblijft zij op tijdelijke basis bij haar moeder of haar zus.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] ondanks het hiertegen gevoerde verweer van [gedaagde] een spoedeisend belang heeft bij de verkoop van de woning aan een derde. Anders dan [gedaagde] aanvoert, is de woonsituatie van [eiseres] (verblijven bij moeder en zus) niet duurzaam.

[gedaagde] moet meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde

De voorzieningenrechter wijst vordering 1 en 2 toe. Hoewel [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord en nogmaals ter zitting heeft gesteld het aandeel van [eiseres] in de woning over te willen en waarschijnlijk ook te kunnen nemen, heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat die overnamemogelijkheid reëel is. Weliswaar heeft [gedaagde] een financieringsverklaring van 9 juli 2026 overgelegd van Guus Hypotheken, maar die financieringsverklaring is onvoldoende concreet. Daarin wordt gezegd “dat ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk is op basis van een woningwaarde van € 535.000,-. Dit is op basis van de bij ons bekende loongegevens en huidige waarde onderpand.” Dat [gedaagde] daadwerkelijk de overname kan financieren, blijkt niet onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig uit die financieringsverklaring. De financieringsopzet laat niet zien op welke informatie zij is gebaseerd. [eiseres] heeft, zo stelt zij, gedurende het huwelijk steeds de financiële kar getrokken en ziet niet hoe [gedaagde] financieel in staat kan zijn om haar aandeel over te nemen. Zo wijst zij er onweersproken op dat [gedaagde] op dit moment ziek is en een uitkering ontvangt. [gedaagde] heeft dat niet weersproken en hij heeft ook niet verder onderbouwd dat hij de woning (desondanks) kan overnemen. Ook heeft [gedaagde] niet afdoende verklaard waarom hij (1) pas in juli 2026 zijn financieringsmogelijkheden verder is gaan onderzoeken, terwijl hij naar eigen zeggen in februari 2026 al heeft laten weten de woning over te willen nemen, en waarom hij (2) in dat kader nadien geen verdere acties heeft ondernomen. [gedaagde] vraagt een termijn van vier weken om alsnog een financiering te kunnen realiseren. Die periode is al ruimschoots verstreken sinds een belangstellende in februari 2026 de vraagprijs heeft geboden. Onder deze omstandigheden weegt het belang van [eiseres] dat er binnenkort een einde komt aan de huidige situatie zwaarder dan het belang van [gedaagde] dat de huidige situatie nog langer voortduurt, terwijl hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij [eiseres] kan uitkopen.

Partijen zijn in hun schriftelijke stuk en ter zitting niet uit eigen beweging ingegaan op de positie van hun meerderjarige kinderen. Desgevraagd hebben partijen laten weten dat beide kinderen het liefste in de woning zouden blijven wonen. Dat is begrijpelijk, maar omdat de kinderen meerderjarig zijn en de relatie tussen partijen inmiddels een jaar voorbij is, zijn hun belangen niet doorslaggevend. Ook volgens partijen niet, want zij waren het er een half jaar geleden nog over eens dat de woning verkocht zou worden.

Tijdens de mondelinge behandeling was onduidelijk of het bod van 16 februari 2026 nog staat. Partijen hebben geen bericht gehad dat de bieder de woning niet meer wil kopen, maar het bod is niet aanvaard en het is goed mogelijk dat de belangstellende inmiddels een andere woning heeft gevonden. Onder deze omstandigheden heeft [eiseres] voldoende belang bij toewijzing van haar eerste vordering, ook als het bod niet langer actueel is, want in dat geval zou iemand anders de vraagprijs kunnen bieden. Bij vordering 2 heeft [eiseres] eveneens voldoende belang, namelijk als de eerdere bieder inmiddels is afgehaakt of alsnog afhaakt. Deze vorderingen worden daarom toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom wordt gemaximeerd.

De geldvorderingen worden grotendeels afgewezen

Over het spoedeisend belang bij de geldvordering oordeelt de voorzieningenrechter anders. Het spoedeisend belang is niet evident. [eiseres] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft omdat zij de woonlasten noodgedwongen voldoet uit haar spaargelden. Zij vertrouwt namelijk niet dat [gedaagde] de woonlasten tijdig zal betalen en wil een BKR-registratie voorkomen.

Daartegen heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] bij haar vertrek uit de woning € 13.000,00 heeft meegenomen aan contante spaargelden van partijen. [gedaagde] stelt dat [eiseres] de woonlasten in ieder geval mede uit dit bedrag heeft kunnen voldoen. Dat verdraagt zich volgens [gedaagde] niet met de stelling van [eiseres] dat sprake is van een zodanig urgente financiële situatie dat een onmiddellijke voorziening in kort geding nodig is. Bovendien zal [gedaagde] vanaf 1 augustus 2026 alle woonlasten voor zijn rekening nemen, zodat ook in zoverre geen sprake is van een spoedeisend belang.

Of [eiseres] gezamenlijk geld heeft meegenomen, wat zij betwist, vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent. Ook de verschuldigdheid en de hoogte van de door [eiseres] gevorderde gebruiksvergoeding zijn op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht niet eenvoudig vast te stellen. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat in financieel opzicht sprake is van een zodanig spoedeisende situatie dat een voorlopige voorziening passend en geboden is. Dat [gedaagde] de woonlasten vanaf 1 augustus 2026 wil voldoen, is niet wat [eiseres] in vordering 3 of 4 eist. De conclusie is daarom dat deze vorderingen worden afgewezen.

[gedaagde] moet de woonlasten vanaf 1 augustus 2026 voldoen

[gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord en ter zitting ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk meegedeeld dat hij vanaf 1 augustus 2026 alle woonlasten voor zijn rekening zal nemen. [eiseres] is het daarmee eens. Tijdens een schorsing van de zitting hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de vraag hoe dit feitelijk moet worden gerealiseerd. Gezien het ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke karakter van deze toezegging van [gedaagde] en nu dit in de gegeven omstandigheden ook een logische toezegging is, wijst de voorzieningenrechter vordering 5 in zoverre toe dat [gedaagde] alle woonlasten vanaf 1 augustus 2026 voor zijn rekening neemt. Om de huidige betalingen ongestoord doorgang te laten vinden, ligt het in de rede dat de huidige betaalwijze niet verandert en dat [eiseres] haar betalingen in verband met de woonlasten factureert aan [gedaagde], met een betalingstermijn van veertien dagen. Als [gedaagde] niet tijdig betaalt, is hij daarna de wettelijke rente over de openstaande bedragen aan [eiseres] verschuldigd.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

Het uitgangspunt in zaken tussen voormalige partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Partijen hebben afgesproken de woning te verkopen, maar vervolgens weigert [gedaagde] deze afspraak na te komen en frustreert hij de verkoop, ook nadat iemand de vraagprijs heeft geboden. Daardoor zag [eiseres] zich begrijpelijkerwijs genoodzaakt dit kort geding te starten, waardoor zij onnodig op kosten is gejaagd.

Omdat [eiseres] procedeert op basis van een toevoeging op grond van de Wet op de Rechtsbijstand is er geen wettelijke grondslag voor een veroordeling wat betreft de dagvaardingskosten, zodat de proceskostenveroordeling alleen ziet op het griffierecht, het salaris van de advocaat van [eiseres] en de nakosten.

De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht € 93,00

- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)

- nakosten € 189,00 (plus verhoging, zie de beslissing)

Totaal € 1.042,00

Uitvoerbaarheid bij voorraad

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat past ook bij het karakter van de gevraagde voorzieningen.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering (ten overstaan van de door de makelaar aanbevolen notaris) van de woning aan de [adres] tegen een koopsom van € 535.000,00;

bepaalt dat, als [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 6.1, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor verkoop en levering benodigde medewerking van [gedaagde] aan het ondertekenen van de koopovereenkomst en het aansluitend passeren van de akte van levering;

veroordeelt [gedaagde] tot het openstellen van de woning voor potentiële kopers en alles na te laten wat aan de totstandkoming van een koopovereenkomst in de weg kan staan, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere keer dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling, op de in 5.8 beschreven wijze, van de woonlasten vanaf 1 augustus 2026 tot de datum waarop de woning aan een derde is geleverd;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.042,00 aan [eiseres], te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de (na)kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat deze kosten volledig zijn betaald;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.

4041/3194

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand