RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723343 / KG ZA 26-748
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. P. van Baaren,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 23 juli 2026 met bijlagen 1 tot en met 4;
de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026.
2. De beoordeling
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde]. [gedaagde] is namelijk niet verschenen in deze procedure, terwijl bij zijn oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels in acht zijn genomen.
Het spoedeisend belang van [eiser] bij haar vorderingen volgt uit haar stellingen in de dagvaarding en wat ter zitting is besproken.
De vordering van [eiser] komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter vaststelt dat [eiser] het alleenrecht heeft de woning aan de [adres] te bewonen zolang zij geen andere woning heeft gevonden, in ieder geval voor een termijn van twee jaar. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter declaratoir geformuleerd en niet onverkort voor toewijzing in kort geding vatbaar. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat deze strekt tot een (tijdelijk) verbod voor [gedaagde] om de woning te betreden zolang [eiser] daar woont. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat zij de vordering in die zin bedoelt. Die bedoeling ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo voor de hand dat ook [gedaagde] dit redelijkerwijs moet hebben begrepen. De vordering is zo begrepen wel toewijsbaar in kort geding.
De gevorderde termijn die neerkomt op minstens twee jaar is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter te lang. De voorzieningenrechter wijst de vordering – zoals hiervoor omschreven – toe voor de duur van maximaal zes maanden. Dit vonnis wordt in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het uitgangspunt in zaken tussen voormalige echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te betreden zolang [eiser] daar nog woont gedurende maximaal zes maanden na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
4041/1980