ECLI:NL:RBROT:2026:10330

ECLI:NL:RBROT:2026:10330

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer ROT 26/5494
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Omgevingswet. Verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoekers tegen de last onder dwangsom die is opgelegd aan een bedrijf dat achter de woning van eisers meer dan 50m2 grond heeft afgegraven ten behoeve van het oprichten van een bedrijf en bedrijfswoning. Voor dit bouwplan is een omgevingsvergunning verleend die nog niet in werking is getreden. Verzoek is afgewezen. De last is toereikend om te voorkomen dat het bedrijf verdere omgevingsvergunningplichtige werkzaamheden uitvoert.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/5494

(gemachtigde: mr. S. Oord),

en

(gemachtigde: mr. T.J.M. Wüst).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] . uit [vestigingsplaats] (belanghebbende)

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers).

Procesverloop

1. Verzoekers hebben het college met een brief van 19 juni 2026 het college verzocht om handhaving in de vorm van het opleggen van een (preventieve) last onder dwangsom aan belanghebbende, omdat belanghebbende vóór de inwerkingtreding van de aan haar verleende omgevingsvergunning werkzaamheden verricht.

2. Met het besluit van 14 juli 2026 heeft het college het handhavingsverzoek van verzoekers afgewezen.

3. Met het besluit van 21 juli 2026 heeft het college het handhavingsverzoek van verzoekers toegewezen. Op zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat dit besluit een wijziging is van het besluit van 14 juli 2026 in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Verzoekers hebben tegen de besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. J. van der Heiden en [naam 2] , bouwinspecteur en belanghebbende, vertegenwoordigd door [naam 1] , vergezeld door [naam 3] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.

Totstandkoming van het besluit

7. Bij besluit van 30 juni 2026 heeft het college aan belanghebbende op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, aanleggen en planologisch afwijken voor het vestigen van een hoveniersbedrijf met kwekerij, bedrijfsgebouw en bedrijfswoning op het adres [straatnaam] en [straatnaam 2] in Dordrecht (het perceel). Dit perceel ligt achter de woning van verzoekers die aan de [straatnaam 3] wonen. De omgevingsvergunning is op grond van de Wabo nog niet in werking getreden.

8. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Dordrecht (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[locatie 1]” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de enkelbestemming “Recreatie -1” (artikel 11) en voor zover relevant de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” (artikel 21).

9. Verzoekers hebben het college verzocht om handhavend op te treden, onder meer omdat belanghebbende volgens hen in strijd met artikel 21.4 van de planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan werkzaamheden heeft uitgevoerd, terwijl de omgevingsvergunning nog niet in werking is getreden.

10. Na een aanvankelijke afwijzing van het handhavingsverzoek is tijdens een controle op 21 juli 2026 door een toezichthouder van het college geconstateerd dat verschillende stukken oppervlakten grond zijn afgegraven. De oppervlakte van het door belanghebbende afgegraven stuk grond voor zijn woning bedraagt 12 bij 16 meter, waarbij de afgraving op 192 m2 uitkomt. Belanghebbende heeft daarmee in strijd met artikel 21.4 en 21.4.2, aanhef onder b van de planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan meer dan 50 m2 grondwerkzaamheden uitgevoerd.

11. Naar aanleiding van deze constatering heeft het college belanghebbende met het besluit van 21 juli 2026 onder de last van een dwangsom van € 5.000,- gelast om het uitvoeren van graafwerkzaamheden, voor zover de oppervlakte groter is dan 50 m2 en dieper dan 1 meter, onmiddellijk te staken en gestaakt te houden totdat de omgevingsvergunning in werking is.

Toetsingskader

12. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Standpunt verzoekers

13. Verzoekers betogen dat de opgelegde last onder dwangsom ontoereikend is om verdere overtredingen te voorkomen en vrezen dat belanghebbende alsnog werkzaamheden gaat verrichten voorafgaand aan de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning. Daartoe voeren ze aan dat het perceelnummer in het besluit niet juist is, zodat niet duidelijk is op welke perceelnummer de last ziet. Ook is er geen controlerapport bij het besluit gevoegd, zodat het voor verzoekers niet duidelijk is wat is geconstateerd en van welke bestaande situatie wordt uitgegaan. Verder vinden ze de hoogte van de dwangsom te laag om ervoor te zorgen dat belanghebbende aan de last zal voldoen. Tot slot komen niet alle werkzaamheden die volgens verzoekers zonder omgevingsvergunning worden verricht terug in de last.

Oordeel voorzieningenrechter

14. De door verzoekers genoemde omstandigheden vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de opgelegde last onder dwangsom ontoereikend is om te voorkomen dat belanghebbende omgevingsvergunningplichtige werkzaamheden uitvoert voordat de verleende omgevingsvergunning in werking zal treden. Het college heeft op zitting erkend dat er in het dwangsombesluit een onjuist perceelnummer is opgenomen. Ook heeft het college verklaard dat het controlerapport op het moment van het nemen van het besluit van 21 juli 2026 nog niet gereed was, maar dat dit op korte termijn zal worden opgemaakt en ook naar verzoekers wordt verstuurd. Aangezien deze omissies in bezwaar nog kunnen worden hersteld, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij is van belang dat weliswaar het juiste perceelnummer ontbreekt in het dwangsombesluit, maar dat daarin wel het adres [straatnaam] te [locatie 2] is opgenomen, zodat voldoende duidelijk is op welke locatie de last betrekking heeft. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het college in redelijkheid een dwangsom van € 5.000,- ineens aan belanghebbende heeft kunnen opleggen. Van deze dwangsom gaat een voldoende prikkel uit zodat mag worden verwacht dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Belanghebbende heeft bovendien op zitting toegezegd dat zij geen werkzaamheden zal verrichten waarvoor zij een omgevingsvergunning nodig heeft voordat de omgevingsvergunning in werking is getreden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Tot slot volgt de voorzieningenrechter het college in zijn standpunt dat er geen andere omgevingsvergunningplichtige overtredingen zijn geconstateerd op grond waarvan het college handhavend had moeten optreden, noch dat een dergelijke overtreding met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden, waarvoor een preventieve last onder dwangsom zou moeten worden opgelegd.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 5:32b

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 6.1

[…].

Bestemmingsplan [locatie 1] (tijdelijk deel omgevingsplan)

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie-2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 29.1.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden

Vergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waaronder ook worden gerekend het woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, en aanleggen, vergraven of verruimen van sloten, vijvers en andere waterpartijen;

het rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

het verlagen van het waterpeil.

Uitzondering

Het verbod in lid 21.4.1 geldt niet voor:

het uitvoeren van normale onderhoudswerkzaamheden;

het uitvoeren van grondwerkzaamheden als bedoeld onder a. tot een diepte van minder dan 1 m onder het huidige maaiveld en tot een oppervlakte van 50 m2;

het vervangen van bestaande riolering en andere ondergrondse kabels en leidingen, indien de afmetingen en horizontale en verticale ligging van de leidingen niet veranderen

het verrichten van archeologisch onderzoek door een deskundige archeoloog;

het verrichten van werken en werkzaamheden waarvoor met inachtneming van het bepaalde in artikel 21.3 omgevingsvergunning is verleend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand