RECHTBANK ROTTERDAM
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6371 (verzoek) en ROT 26/6223 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. N. Roos),
en
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
1. Het college heeft de bijstandsaanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser volgens het college een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote. In het besluit op bezwaar heeft het college dat besluit gehandhaafd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 december 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 januari 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (ROT 26/6223) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/6371).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Eiser heeft van 13 augustus 2025 tot 8 december 2025 in detentie verbleven. Na zijn invrijheidstelling heeft eiser op 10 december 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij de aanvraag heeft hij opgegeven alleenstaand (gescheiden) te zijn en sinds 8 december 2025 ingeschreven te staan op het adres [adres] (de woning). Als hoofdbewoner (en hoofdhuurder) staat op dit adres ingeschreven: [ex-partner] . Zij is de ex-partner van eiser, met wie hij tot in 1995 gehuwd is geweest. Binnen dit huwelijk zijn twee, inmiddels meerderjarige, kinderen geboren. Behalve eiser en zijn ex-partner staan geen andere personen (meer) ingeschreven op dit adres.
Waar gaat deze zaak om?
4. Het college heeft de bijstandsaanvraag afgewezen omdat volgens het college sprake is van een gezamenlijke huishouding op basis van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. In het bestreden besluit is het college bij dit standpunt gebleven. Wel heeft het college de grondslag gewijzigd. In het primaire besluit is het college uitgegaan van de situatie dat eiser en zijn ex-partner in de twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag gehuwd zijn geweest. Deze grondslag is onjuist gebleken, omdat de echtscheiding al ruim 30 jaar geleden is. Binnen het huwelijk van eiser en zijn ex-partner zijn echter wel twee kinderen geboren. Volgens het college is daarom nog steeds sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Dat de kinderen inmiddels volwassen zijn en niet langer bij hun ouders wonen doet hieraan volgens het college niet af. Het college ziet geen aanleiding om het onweerlegbaar rechtsvermoeden met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) te passeren en de bijstand afwijkend af te stemmen.
5. Eiser betwist niet (langer) dat in zijn situatie sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Hij vindt echter dat het college de bijstand in afwijking van het onweerlegbaar rechtsvermoeden had moeten afstemmen op zijn individuele omstandigheden, mogelijkheden en middelen (het individualiseringsbeginsel). Eiser beschikte al voor zijn detentie niet meer over een eigen woning. Eiser staat ingeschreven als woningzoekende maar het is lastig om in (de regio) Rotterdam aan een woning te komen. Zijn kinderen hebben voor hem geregeld dat hij tijdelijk bij zijn ex-partner in huis kan wonen. Eiser en zijn ex-partner zijn echter al lang geleden gescheiden en hebben langere tijd geen contact gehad. Het is absoluut niet hun bedoeling om een gezamenlijke huishouding te (blijven) voeren. Zij bewonen ieder een afzonderlijk verdieping van de woning en proberen hun levens zoveel mogelijk gescheiden te houden. Eiser wil geen beroep doen op het inkomen van zijn ex-vrouw, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarvoor is die uitkering ook niet toereikend.
Waarom verklaart de voorzieningenrechter het beroep ongegrond?
6. De te beoordelen periode in deze zaak loopt van 10 december 2025 (datum aanvraag) tot en met 19 januari 2026 (datum primair besluit).
7. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. In zo’n geval is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Eiser heeft op de zitting verklaard het onweerlegbaar rechtsvermoeden, en het bestreden besluit in zoverre, niet (langer) te betwisten. Daarmee is komen vast te staan dat eiser geen zelfstandig subject van bijstand is en daarom geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
Individualiseringsbeginsel
8. Eiser beroept zich op het individualiseringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 18, eerste lid, van de Pw. Op grond van deze bepaling stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
9. De beroepsgrond dat het college de bijstand van eiser had moeten afstemmen slaagt niet. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3436. De CRvB oordeelde in deze uitspraak dat artikel 18, eerste lid, van de Pw in dit geval niet de mogelijkheid biedt om de bijstand af te stemmen, omdat eiser geen recht op bijstand heeft. Voor afstemming op grond van artikel 18 van de Pw is pas ruimte als er recht op bijstand bestaat. Vast staat dat eiser ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw als gehuwde moet worden aangemerkt en daarom geen zelfstandig subject van bijstand is.
10. De uitspraken van de CRvB waar eiser op de zitting naar heeft verwezen, waaronder de uitspraak van 29 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165, geven de voorzieningenrechter geen aanleiding om anders te oordelen. Het college heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden (zie hiervoor bij 5.) geen aanleiding hoeven zien om de bijstand afwijkend vast te stellen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanig zeer bijzondere omstandigheden dat het afwijkend vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand gelet op alle omstandigheden noodzakelijk was. Daarbij is nog van belang dat de aard van de relatie, de subjectieve beleving ervan en het motief op grond waarvan eiser en zijn ex-partner verblijf in dezelfde woning hebben, voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing dienen te blijven.
Evenredigheid
11. Eiser beroept zich op het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 van de Awb) en stelt dat de afwijzing disproportioneel is gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk de tijdelijke noodopvang na detentie, zijn medische problematiek en het ontbreken van alternatieve huisvesting.
12. De toepassing van de gehuwdennorm vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin (artikel 21 en artikel 3, vierde lid, van de Pw). Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan dan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit wordt de ‘contra legem’-toepassing van die rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht genoemd.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn, dat aangenomen moet worden dat deze niet al (ten volle) in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep (ROT 26/6223) ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (ROT 26/6371) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.