RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] , uit [plaats] ,
de korpschef van politie, eenheid Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5615
[verzoeker 2] , uit [plaats] ,
hierna samen te noemen: verzoeker
(gemachtigde: mr. V.D.E.M. Amesz),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. De korpschef heeft de aan verzoeker verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op grond van de Wet particuliere beveiligers en recherchebureaus (Wpbr) ingetrokken. Verzoeker wordt ervan verdacht onder invloed van alcohol en drugs te hebben gereden. Daarom wordt niet meer voldaan aan de vereisten die voor de toestemming nodig zijn. In de beslissing op bezwaar is de korpschef bij dit besluit gebleven. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op zijn beroep (ROT 26/940).
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 20 april 2023 heeft de korpschef verzoeker toestemming verleend voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op grond van de Wpbr.
3. Met het besluit van 16 september 2025 heeft de korpschef de toestemming van verzoeker ingetrokken. Met een tweede besluit van dezelfde datum is de eenmanszaak van verzoeker hiervan op de hoogte gesteld. Op 22 oktober 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Op 4 december 2025 is verzoeker over zijn bezwaren gehoord.
Met het bestreden besluit van 18 december 2025 heeft de korpschef het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 28 januari 2026 beroep (ROT 26/940) ingesteld. Op 3 juli 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (dit verzoek).
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef, vergezeld door [naam] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker is op 1 februari 2025 als bestuurder van een personenauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval en toen onderworpen aan een controle door de politie. Tegen verzoeker is proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) (rijden onder invloed). In het proces-verbaal staat dat een ademtest op straat een alcoholindicatie ‘A’ aangaf. Op het politiebureau is een speekseltest afgenomen die een indicatie voor opiaten/heroïne/morfine en cocaïne/crack aangaf. Verzoeker is hierop aangehouden. Een forensisch arts heeft bloed bij verzoeker afgenomen. Uit de laboratoriumuitslagen van het Maasstad Ziekenhuis van 20 februari 2025 blijkt dat in het bloed van verzoeker 71 microgram cocaïne per liter bloed en 0,51 milligram ethanol per milliliter bloed is aangetroffen.
Omdat deze gehaltes hoger zijn dan bij gecombineerd gebruik van alcohol en drugs wettelijk is toegestaan heeft de korpschef verzoeker op 11 maart 2025 in kennis gesteld van het voornemen om de toestemming op grond van de Wpbr in te trekken. Verzoeker heeft tegen het voornemen een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft de korpschef de primaire besluiten genomen waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt.
Waar gaat deze zaak om?
5. In het bestreden besluit heeft de korpschef de beslissing gehandhaafd om de toestemming op grond van de Wpbr in te trekken. De korpschef stelt hiertoe dat op particuliere beveiligers een zware verantwoordelijkheid rust en daarom aan de betrouwbaarheid van beveiligers zwaardere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere branches. Het rijden onder invloed wordt gezien als een ernstige aantasting van de rechtsorde. Het feit dat in het bloed van verzoeker hoeveelheden alcohol en drugs zijn aangetroffen boven de grenswaarde, maakt dat tegen verzoeker (nog steeds) serieuze verdenkingen bestaan en dat er aanleiding is om te twijfelen aan zijn betrouwbaarheid als beveiliger.
6. Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen en wil met zijn verzoek bereiken dat hem (tijdelijk) weer toestemming wordt verleend voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, dus als verzoeker de uitspraak op het beroep niet kan afwachten.
De toestemming is op 16 september 2025 ingetrokken. Dit betekent dat verzoeker zijn werkzaamheden als beveiliger al bijna een jaar lang niet meer heeft kunnen uitoefenen en ook geen inkomsten uit die werkzaamheden meer heeft gehad. Het betreft een eenmanszaak. De continuïteit van de onderneming is in het geding. Daarbij kan de voorzieningenrechter zich voorstellen dat het voor verzoeker, gezien zijn leeftijd, lastig kan zijn om op korte termijn een andere baan te vinden. Verder heeft verzoeker op de zitting verklaard dat hij op dit moment van zijn spaargeld leeft en dat het inkomen van zijn vriendin niet toereikend is voor twee personen om van te leven. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak nog wel aan.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af?
8. Op deze zaak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, gelet op de bewoordingen ervan, geen imperatief karakter. De korpschef is daarom niet verplicht om, als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie in te trekken. Bij deze beoordeling bestaat dus ruimte voor een belangenafweging.
10. Verder is vaste rechtspraak dat het besluit om de toestemming in te trekken een belastend besluit is. Het intrekken van de verleende toestemming is een bestuursrechtelijke maatregel die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Van belang is dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. De Afdeling acht intrekking van de verleende toestemming op zichzelf geen onredelijk middel om het bovenstaande doel te bereiken, maar de maatregel moet wel zijn afgestemd op het individuele geval. De korpschef dient te motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de maatregel staat de vraag centraal of de maatregel noodzakelijk is om het doel te bereiken. Als het antwoord op die vraag is dat het gewenste doel van een betrouwbare veiligheidszorg ook kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel dan intrekking van de toestemming, dan is intrekking niet noodzakelijk.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de intrekking van de toestemming in het geval van verzoeker een passende en noodzakelijke maatregel is. Tegen verzoeker is proces-verbaal opgemaakt wegens vermoedelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de WVW (rijden onder invloed). Er is sprake van overschrijding van de maximaal toegestane waarden, rekening houdend met ‘gecombineerd gebruik’ van alcohol en drugs. Volgens de Beleidsregels wordt een betrokkene hiermee in beginsel onbetrouwbaar geacht en is sprake van een serieuze verdenking.
Mocht de korpschef stellen dat verzoeker als bestuurder met de auto heeft gereden?
12. Verzoeker voert aan dat hij niet als bestuurder met de Mazda (de auto) heeft gereden. De voorzieningenrechter kan verzoeker in deze stelling niet volgen. Verzoeker heeft verklaard dat hij naast zijn auto stond toen de politie arriveerde. Ook heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij (met de auto) op weg was naar zijn werk. Hiermee heeft verzoeker zelf bevestigd dat hij met de auto heeft gereden. Daarbij is gesteld noch gebleken dat er ten tijde van het voorval iemand anders bij verzoeker in de auto zat.
13. De toedracht van het ongeval en de schuldvraag acht de voorzieningenrechter voor de beoordeling van deze bestuursrechtelijke procedure verder niet relevant. Dit geldt ook voor het feit dat de verzekeraar heeft besloten de schade aan verzoeker uit te keren, zonder dat dit consequenties heeft voor de bonus-maluskorting en de schadevrije jaren. Een verzekeraar maakt daarin immers een eigen afweging.
Mocht de korpschef stellen dat verzoeker onder invloed heeft gereden?
14. Verzoeker voert aan dat hij niet onder invloed van alcohol of drugs heeft gereden. Volgens verzoeker kan daarom geen sprake zijn van een overtreding. Ook hierin kan de voorzieningenrechter verzoeker niet volgen. Het bloedonderzoek heeft immers uitgewezen dat het bloed dat op 2 februari 2025 (om 01:26 uur) bij verzoeker is afgenomen 71 microgram cocaïne per liter bloed en 0,51 milligram ethanol per milliliter bloed bevatte.
15. Verzoeker heeft de betrouwbaarheid van de uitslagen van het bloedonderzoek betwist. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de datum op de etiketjes op de buisjes (1 februari 2025) niet overeenkomt met de datum (2 februari 2025) waarop bij hem bloed is afgenomen. Het kan daarom niet zijn eigen bloed zijn geweest. Verder was het bloed volgens verzoeker besmet met cocaïneresten, doordat een politiemedewerker een zakje met cocaïne had vastgepakt zonder handschoenen en vervolgens het bloedmonster heeft aangeraakt. Verzoeker voelt zich hierin gesterkt door de uitslag van het bloedonderzoek dat hij door zijn eigen huisarts heeft laten verrichten. Volgens de uitslag van dat onderzoek zijn geen (sporen van) alcohol en/of drugs in zijn bloed aangetroffen.
16. De voorzieningenrechter kan verzoeker ook hierin niet volgen. Uit de stukken blijkt dat bij verzoeker na zijn aanhouding bloed is afgenomen door een forensisch arts en niet door de politie. Dat een politiemedewerker rechtstreeks met het bloed van verzoeker in aanraking is gekomen acht de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk. Wat betreft de datum op de etiketten volgt de voorzieningenrechter de gemachtigde van de korpschef in de stelling dat hier sprake moet zijn geweest van een kennelijke verschrijving (typefout). Daarbij komt het tijdstip op de etiketten (01:26 uur) wel overeen met het tijdstip van de bloedafname bij verzoeker. Verder kan aan het bloedonderzoek door de huisarts niet de waarde worden gehecht die verzoeker eraan gehecht wil zien omdat voor dat onderzoek, zoals verzoeker op de zitting heeft erkend, geen gebruik is gemaakt van de bloedmonsters die door de forensisch arts zijn afgenomen.
17. Omdat op basis van het bloedonderzoek al vaststaat dat verzoeker onder invloed heeft gereden is voor deze zaak niet echt meer van belang of hij op straat wel of niet heeft moeten ‘blazen’. Overigens is het de standaardprocedure bij een aanrijding dat de politie van de betrokken bestuurder(s) een blaastest afneemt. Bovendien mag de korpschef in beginsel uitgaan van het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal waarin staat dat verzoeker (een “A”) heeft geblazen. Dat er geen camerabeelden zijn van de blaastest betekent niet dat deze niet heeft plaatsgevonden. De enkele betwisting door verzoeker is niet voldoende.
18. Ook de stelling van verzoeker dat het speekselmonster dat de politie bij hem heeft afgenomen besmet zou zijn geweest met cocaïne kan hem, wat daar overigens ook van zij, niet baten. Uit het bloedonderzoek is immers gebleken dat sprake was van te hoge waarden. De voorzieningenrechter gaat dan ook voorbij aan wat verzoeker in dit verband (verder nog) heeft aangevoerd.
19. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de korpschef het rijden onder invloed heeft mogen aanmerken als een ernstige aantasting van de rechtsorde en daartoe heeft mogen stellen dat de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker niet boven elke twijfel zijn verheven. Uit de beslissing op bezwaar en op de zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat de korpschef het gedrag van verzoeker bij zijn aanhouding in de belangenafweging heeft meegewogen. De positieve verklaringen van (oud-)collega’s die verzoeker bij zijn verzoek heeft overgelegd maken dit oordeel niet anders.
20. Uit de stukken blijkt dat verzoeker meerdere aangifteprocedures en een artikel 12 Sv-procedure is gestart tegen verschillende politiemedewerkers, waarbij hij hen onder meer beschuldigt van valsheid in geschrifte. Deze procedures zijn voor de beoordeling van de onderhavige bestuursrechtelijke kwestie niet relevant. De voorzieningenrechter gaat hieraan dan ook voorbij. Met de uitslag van het bloedonderzoek staat immers al vast dat verzoeker onder invloed heeft gereden.
Conclusie
21. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat dat de intrekking van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, gelet op de aard van het delict en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, daaronder begrepen het gedrag van verzoeker bij zijn aanhouding, nog steeds passend, noodzakelijk en evenredig is. De korpschef heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat op dit moment nog te weinig tijd is verstreken om verzoeker weer toestemming te verlenen.
Verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4 van de Awb)
22. Voor zover verzoeker twijfelt aan de objectiviteit en onpartijdigheid van de beslismedewerker in bezwaar en de procesvertegenwoordiger(s) op de zitting, geldt dat hij dit in de beroepsprocedure nader aan de orde kan stellen.
Conclusie en gevolgen
23. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de intrekking van de toestemming gehandhaafd blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wbpr)
Artikel 7
(…)
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.
(…)
4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Bpbr)
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
(…)
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
(…)
Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
(…)
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
Artikel 2
Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4-butaandiol.
Artikel 3
Indien een van de in artikel 2 aangewezen stoffen is gebruikt en gemeten in combinatie met een of meer andere van deze stoffen, alcohol of met een andere stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is de grenswaarde voor iedere in het eerste lid genoemde stof en alcohol in geval van:
(…)
c. cocaïne, heroïne en morfine: 10 microgram cocaïne of morfine per liter bloed;
(…)
e. alcohol: 0,2 milligram ethanol per milliliter bloed of 88 microgram ethanol per liter uitgeademde lucht.