RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6294
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Het CBR heeft verzoekster een Educatieve Maatregel Drugs en verkeer (EMD-maatregel) opgelegd. Omdat verzoekster de opleggingskosten niet heeft betaald heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster ongeldig verklaard. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
1. Met het besluit van 14 mei 2026 heeft het CBR verzoekster een EMD-maatregel opgelegd, omdat zij weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 21 juli 2026 heeft de hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden.
2. Met het (bestreden) besluit van 27 juli 2026 heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster met ingang van 3 augustus 2026 ongeldig verklaard, omdat verzoekster de opleggingskosten voor de EMD-cursus niet heeft betaald. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 29 juli 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Met het (bestreden) besluit van 7 augustus 2026 heeft het CBR het bezwaar tegen de EMD-maatregel ongegrond verklaard. Op dezelfde datum heeft verzoekster tegen dit besluit beroep ingesteld (ROT 26/6548). Daarbij heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek van 29 juli 2026 tevens aan te merken als een verzoek hangende het beroep van 7 augustus 2026.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek zowel betrekking heeft op het (in bezwaar gehandhaafde) besluit waarbij verzoekster een EMD-maatregel is opgelegd, als op het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Wat is er gebeurd?
5. Verzoekster is op 5 mei 2026, rond 22.45 uur, als bestuurder van een personenauto op de A16 door de politie staande gehouden vanwege een snelheidsovertreding. Zij reed met een gecorrigeerde snelheid van 116 km/uur waar 70 km/uur is toegestaan. Ter plaatse was sprake van wegwerkzaamheden. Ook voerde zij mistverlichting terwijl sprake was van droge en heldere weersomstandigheden. Na haar staandehouding is verzoekster door de politie gevorderd mee te werken aan een ademtest, een speekseltest en een psycho-motorische test (PMT). Dit heeft zij geweigerd.
Daarbij heeft de politie bij verzoekster de volgende kenmerken waargenomen:
Waterige/wazige ogen;
Vergrootte pupillen;
Trillen en onrustig gedrag/bewegingsdrang;
Woordenvloed (veel praten);
Agressief gedrag, snel geïrriteerd zijn.
Hierdoor ontstond bij de politie het vermoeden dat verzoekster onder invloed was van drugs en/of een andere drogerende stof. Verzoekster is aangehouden en overgebracht naar een politiebureau, waar haar door een hulpofficier is bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. Ook hieraan heeft zij geen medewerking verleend.
Vervolgens heeft de politie mededeling gedaan aan het CBR van het vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of lichamelijke en/of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.
Waar gaat deze zaak om?
6. Het CBR heeft naar aanleiding van de mededeling van de politie besloten dat verzoekster een EMD-cursus moet volgen. Omdat verzoekster de opleggingskosten voor de EMD-cursus niet heeft betaald, heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster ongeldig verklaard. Verzoekster is het met deze besluiten niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat de verplichting tot het volgen van een EMD-cursus en (met name) de ongeldigverklaring van haar rijbewijs worden opgeschort tot op haar bezwaar tegen de ongeldigverklaring is beslist, dan wel tot uitspraak is gedaan op haar beroep tegen de EMD-maatregel.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, dus als verzoekster de beslissing op bezwaar of de uitspraak in beroep niet kan afwachten. De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang in deze zaak niet wordt betwist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen.
Mocht het CBR verzoekster een EMD-maatregel opleggen?
8. Het CBR heeft besloten dat verzoekster een EMD-cursus moet volgen, omdat zij heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. In de beslissing op bezwaar is het CBR bij dit besluit gebleven.
9. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat ten aanzien van verzoekster proces-verbaal is opgemaakt, omdat zij op 5 mei 2026 heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Verzoekster was verplicht om hieraan mee te werken. Daarbij zijn in het proces-verbaal aanvullende gegevens opgenomen over het gedrag en het rijgedrag van verzoekster en over uiterlijke kenmerken en andere omstandigheden die de politie tot het vermoeden hebben geleid dat verzoekster heeft gereden onder invloed van drogerende stoffen. Artikel 17 van de Regeling verplicht het CBR in dat geval om verzoekster een EMD-maatregel op te leggen.
11. Verzoekster betwist dat zij heeft geweigerd mee te werken aan een blaastest, speekseltest en PMT. Zij voelde zich naar eigen zeggen overrompeld door de situatie en wilde weten wat haar rechten waren, daarom heeft zij zo gehandeld.
12. De voorzieningenrechter kan verzoekster in deze verklaring niet volgen. Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit is slechts anders als verzoekster met objectieve stukken het tegendeel kan bewijzen, of op zijn minst aannemelijk kan maken. Dit heeft verzoekster niet gedaan. Uit de processen-verbaal blijkt zonder twijfel dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan de verschillende testen en ook uitdrukkelijk heeft verklaard niet van plan te zijn om mee te werken. Vervolgens heeft zij ook (op het politiebureau) geweigerd haar medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. In wat verzoekster hiertegen naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen reden voor twijfel aan de juistheid van de informatie in de processen-verbaal.
13. Artikel 17 van de Regeling is een gebonden bepaling. Het niet meewerken aan een bloedonderzoek betekent dat het CBR verplicht is verzoekster een EMD-maatregel op te leggen. Verder volgt uit artikel 132 van de WVW dat verzoekster verplicht is haar medewerking aan de opgelegde maatregel te verlenen (in dit geval: de EMD-cursus te volgen). Onder deze verplichting valt ook het betalen van de opleggingskosten.
Mocht het CBR het rijbewijs van verzoekster ongeldig verklaren?
14. Het CBR heeft het rijbewijs van verzoekster met ingang van 3 augustus 2026 ongeldig verklaard omdat verzoekster de opleggingskosten voor de EMD-cursus niet heeft betaald. Verzoekster diende deze kosten uiterlijk 18 juni 2026 te hebben voldaan. Met de brief van 20 mei 2026 heeft het CBR verzoekster uitstel van betaling verleend tot uiterlijk 16 juli 2026. Op 2 juli 2026 heeft het CBR verzoekster een betalingsherinnering gestuurd en haar nogmaals verzocht de opleggingskosten uiterlijk 16 juli 2026 te betalen. Daarbij is verzoekster erop gewezen dan het niet betalen van deze kosten ertoe kan leiden dat haar rijbewijs ongeldig wordt verklaard. Op de hoorzitting van 21 juli 2026 is verzoekster nogmaals gewezen op de betalingsverplichting en op de consequenties indien zij niet betaalt.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de opleggingskosten op de dag van de zitting nog niet waren betaald. Verzoekster heeft verklaard dat zij deze kosten wel wil, maar niet kan betalen omdat dat zij hoge schulden heeft en onvoldoende geld heeft om deze kosten te voldoen.
16. Degene aan wie een educatieve maatregel is opgelegd is verplicht daaraan mee te werken. Indien aan de vereiste medewerking niet wordt voldaan moet het CBR het rijbewijs ongeldig verklaren. Met het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt ook bedoeld: het niet voldoen van de (opleggings)kosten binnen de gestelde termijn. Deze bepalingen zijn dwingendrechtelijk van aard. Dat wil zeggen dat het CBR het rijbewijs ongeldig moet verklaren als de opleggingskosten niet (tijdig), of niet op de voorgeschreven wijze, zijn betaald. Hiervan kan niet worden afgeweken.
17. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster door de ongeldigverklaring van haar rijbewijs hard wordt geraakt. Het CBR is echter tot het opleggen van de EMD-maatregel gekomen door het vermoeden dat verzoekster vanwege haar (rij)gedrag niet langer geschikt is om deel te nemen aan het verkeer, gelet op het gevaar voor andere weggebruikers. Het is dan in het belang van de verkeersveiligheid dat verzoekster zo spoedig mogelijk deelneemt aan een EMD-cursus om zich bewust te worden van haar (rij)gedrag en te zorgen voor een gedragswijziging. Het kan niet zo zijn dat de cursus tot in het oneindige wordt uitgesteld, alleen omdat verzoekster de kosten van de cursus niet kan betalen. Dat strookt niet met het doel van de cursus.
Evenredigheid
18. Verzoekster stelt dat zij door de ongeldigverklaring van het rijbewijs onevenredig wordt benadeeld. Zij heeft het rijbewijs nodig voor haar werk als zzp’er in de thuiszorg. Zij heeft veel opdrachten buiten de regio [plaats 2] , ook op plekken die niet of moeilijk bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. Daarbij werkt zij vaak in de avond of ’s nachts. Door de ongeldigverklaring van haar rijbewijs zit zij momenteel thuis, zonder inkomsten, terwijl sprake is van grote schulden en betalingsachterstanden. De verhuurder [woningcorporatie] heeft gedreigd met het stopzetten van de betalingsregeling, en een ontruimingsprocedure te zullen starten, als verzoekster de huur voor augustus 2026 niet betaalt.
19. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924) laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.
20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van verzoekster wijkt niet wezenlijk af van die van andere personen van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard en die een eigen bedrijf hebben. Daar komt bij dat verzoekster mogelijk weer inkomsten kan genereren als zij bijvoorbeeld bij een zorginstelling (in de buurt/regio) zou solliciteren. Dat zij in loondienst minder gaat verdienen dan als zzp’er, neemt niet weg dat de mogelijkheid van betaald werk er op dit moment wel is. Verzoekster heeft op de zitting ook verklaard dat zij een betaalde baan bij een zorginstelling aangeboden heeft gekregen. Daar komt bij dat verzoekster mogelijk weer in het bezit kan komen van een geldig rijbewijs door alsnog de opleggingskosten te betalen en (na het voldoen van de uitvoeringskosten) aan de EMD-cursus deel te nemen. Het CBR heeft zich immers bereid verklaard hier coulant mee om te gaan. Voor de uitvoeringskosten kan verzoekster een betalingsregeling treffen.
Conclusie en gevolgen
21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster haar rijbewijs vooralsnog niet terugkrijgt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: