RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11693695 CV EXPL 25-11184
datum uitspraak: 14 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
zetelend in [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.E.J.Y. van Agt.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 28 april 2026, met bijlagen;
de mail van [eiser] van 19 mei 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de mail van [gedaagde] van 7 juli 2025;
een aanvullende bijlage van [eiser] ;
de mail van [gedaagde] van 8 juni 2026, met bijlagen.
Op 19 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en de gemachtigde van [gedaagde] besproken.
2. De beoordeling
De feiten
[eiser] heeft in 2024 gesolliciteerd op een vacature voor de functie van coördinerend specialistisch adviseur bij [gedaagde] . Deze sollicitatie is positief verlopen, waarna op 30 december 2024 een arbeidsvoorwaardengesprek heeft plaatsgevonden. Dit gesprek is op diezelfde dag bevestigd in een zogenaamde ‘offer letter’. Daarin staat onder meer: “Datum indiensttreding: 1 april 2025
Dienstverband voor: Bepaalde tijd, voorafgaand aan onbepaalde tijd
Einddatum dienstverband bepaalde tijd: 31 maart 2026”.
Op 18 februari 2025 is aan [eiser] een concept arbeidsovereenkomst gestuurd waarin staat:
“1.1 De werknemer treedt met ingang van 1 april 2025 in dienst van de werkgever in de functie van Adviseur bedrijfsvoering. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd voor de duur van periode 1 jaar en eindigt van rechtswege op 31 maart 2026.
De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd om uw geschiktheid te
beoordelen.”
Volgens [eiser] was hiermee niet voldaan aan het aanbod, zoals bevestigd in de ‘offer letter’, omdat niet uitdrukkelijk was opgenomen dat de overeenkomst na afloop van de bepaalde tijd zou worden omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Partijen hebben hierover contact gehad. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde] bij mails van 31 maart 2025 en 3 april 2025 aan [eiser] een nieuw concept heeft gestuurd, waarin artikel 1.2 als volgt was aangepast: “De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd om uw geschiktheid te beoordelen. Bij voldoende functioneren wordt de arbeidsovereenkomst omgezet naar onbepaalde tijd.”
[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst niet getekend. Wel is namens hem [gedaagde] eind maart 2025 aansprakelijk gesteld vanwege onrechtmatig handelen met een sommatie tot betaling van een schadevergoeding van meer dan € 100.000,-. Op 1 april 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld: “De gebeurtenissen rondom mijn formele indiensttreding, waaronder het niet-naleven van gemaakte afspraken vanuit [gedaagde] , hebben geleid tot zodanige mentale en fysieke belasting dat ik mij op dit moment niet in staat acht om werkzaamheden te verrichten.”
Op 3 april 2025 heeft [gedaagde] onder andere het volgende gemaild aan [eiser] :
“Zoals reeds telefonisch met u besproken op 1 april 2025 is er van de zijde van [gedaagde] nog steeds de wens en de intentie om u een arbeidsovereenkomst aan te bieden en om de werkzaamheden te laten aanvangen. Daartoe is op 1 april 2025 nogmaals de aangepaste arbeidsovereenkomst per gewone post aan u toegezonden, met het verzoek deze getekend retour te zenden. Als het goed is dan heeft u deze inmiddels ontvangen. Zoals ook telefonisch aangegeven, wordt het betreurd dat in de arbeidsovereenkomst een tweetal foutieve vermeldingen zijn opgenomen. Dit had niet moeten gebeuren, maar dit is inmiddels hersteld.”
[gedaagde] heeft in een brief aan [eiser] van 23 april 2025 de arbeidsovereenkomst beëindigd: “Op 1 april 2025 bent u formeel in dienst getreden bij [gedaagde] als coördinerend specialistisch adviseur Aangiftebehandeling, locatie [locatie] . Sinds die datum heeft u zich echter niet op de werkvloer gemeld en bent u onbereikbaar gebleven voor uw leidinggevende en collega’s. Daarnaast heeft u expliciet belemmerd dat wij via uw gemachtigde contact met u onderhouden en via haar een volstrekt ongefundeerde schadeclaim van een ton bij ons neergelegd. Hierdoor is er vanaf aanvang sprake van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie, die verdere samenwerking onmogelijk maakt.
Op grond hiervan hebben wij besloten uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, met inachtneming van de proeftijd, zoals bedoeld in artikel 7:676 van het Burgerlijk Wetboek. Uw arbeidsovereenkomst eindigt dan ook op 24 april 2025.”
De vordering
[eiser] vordert in deze procedure een bedrag van € 24.999,- aan schadevergoeding. Dit is een deel van de schade die hij zegt te hebben geleden en waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Volgens hem is [gedaagde] onder andere tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen door na te laten een overeengekomen voorwaarde op te nemen in de arbeidsovereenkomst. Verder is volgens [eiser] sprake van onrechtmatig handelen omdat [gedaagde] zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van een samenhangend patroon van juridische onzorgvuldigheid, gedragsmatige nalatigheid en ethische schending en deze gedragingen strijdig zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook beroept hij zich op strijd met goed werkgeverschap en de algemene beginselen van goed bestuur. [gedaagde] is het niet eens met de vordering en heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Aansprakelijkheid
Voor een vergoeding van geleden schade is een vereiste dat een ander daarvoor aansprakelijk is. De rechtsgronden die [eiser] aanvoert voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] en die ook kunnen leiden tot vaststelling daarvan zijn wanprestatie (artikel 6:74 BW) en onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Geoordeeld wordt dat geen van beide gronden of enige andere grond slaagt, zodat de vordering tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wanprestatie
Niet valt in te zien dat en waarom [gedaagde] aansprakelijk zou zijn vanwege wanprestatie. Als [eiser] goed wordt begrepen, bestaat de tekortkoming eruit dat in artikel 1.2 van de concept arbeidsovereenkomst van 18 februari 2025 (zie onder 2.2) niet is opgenomen dat wat in de ‘offer letter’ van 30 december 2024 aan hem is bevestigd, namelijk een ‘Dienstverband voor: Bepaalde tijd, voorafgaand aan onbepaalde tijd.’ Nog daargelaten dat [gedaagde] heeft toegelicht dat met de formulering van het (vervolg van het) dienstverband in het concept van 18 februari 2025 niets meer of minder is bedoeld dan met dat wat daarover in de ‘offer letter’ staat, is niet in geschil dat artikel 1.2 overeenkomstig de wens van [eiser] is aangepast in het concept van 31 maart 2025 (zie onder 2.3). Het kan zijn dat hierover discussie is geweest, dat er (daardoor) enige tijd overheen is gegaan, dat [eiser] dat als vervelend heeft kunnen ervaren en dat achteraf ook volgens [gedaagde] , zoals volgt uit de mail van 3 april 2025 (zie onder 2.5.), de gang van zaken wordt betreurd. Maar meer dan die constatering levert het ook niet op. Van enige tekortkoming die op grond van artikel 6:74 BW leidt tot aansprakelijkheid voor geleden schade is alleen al daarom geen sprake.
Onrechtmatige daad
Het beroep op artikel 6:162 BW wordt ook verworpen. De wijze van handelen van [gedaagde] , zoals hiervoor besproken, kwalificeert namelijk niet als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook hier geldt dat de gang van zaken wat ongelukkig is geweest, maar dat [eiser] heeft gekregen wat hij van [gedaagde] verlangde. Enige onrechtmatigheid in de zin van genoemde bepaling levert de hele gang van zaken niet op.
Overige rechtsgronden
Andere rechtsgronden die [eiser] heeft aangevoerd, kunnen hem evenmin baten, omdat deze geen zelfstandige grondslag bieden voor de gestelde aansprakelijkheid.
Arbeidsovereenkomst
Subsidiair vordert [eiser] vast te stellen dat “tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, dan wel dat [gedaagde] onrechtmatig en verwijtbaar heeft gehandeld.” En verder “Eiser het recht toe te kennen om het resterend schadebedrag in een bodemprocedure bij de civiele kamer van de rechtbank in te dienen.” Bij deze laatste vordering heeft hij geen belang, omdat hij dat recht al heeft. Het is aan hem of hij zo’n procedure wel of niet wil starten. Het andere deel van de vordering lijkt in tweeën uit een te vallen, omdat de samenhang tussen het een en het ander zonder toelichting, die ontbreekt, onduidelijk is. Voor zover het gaat om het handelen van [gedaagde] wordt dat gelet op wat hiervoor is geoordeeld, afgewezen. Dan blijft over de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
[gedaagde] heeft betoogd dat dit niet het geval is. Daarin wordt zij niet gevolgd. Uit de ‘offer letter’ en de correspondentie daarna blijkt namelijk voldoende dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de essentiële onderdelen van de arbeidsovereenkomst. Schriftelijke vastlegging daarvan is geen constitutief vereiste. Wel staat vast dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst per 24 april 2025 heeft beëindigd, tegen betaling van het salaris tot die datum. Als [eiser] het niet eens was met deze beëindiging, had het op zijn weg gelegen daartegen op te komen met de rechtsmiddelen die het arbeidsrecht biedt, binnen de daarvoor geldende termijnen. Niet gesteld of gebleken is dat dat is gebeurd, zodat is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst op 24 april 2025 is geëindigd. In die zin zal dit deel van de vordering worden toegewezen. Dit betekent dat niet meer wordt toegekomen aan bespreking van de meer subsidiaire vordering van [eiser] .
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat vordert en [eiser] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
stelt vast dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen die heeft geduurd van 1 april 2025 tot 24 april 2025;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.298,-;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
783