[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een brief van het CBR. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekers rijbewijs is met een beslissing op bezwaar van 11 december 2025 ongeldig verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG). Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op het verzoek om een voorlopige voorziening is uitspraak gedaan op 29 januari 2026.
3. Het CBR heeft bij schrijven van 28 april 2026 medegedeeld dat verzoekers rijbewijs ongeldig blijft, omdat verzoeker de factuur voor uitvoeringskosten van een cursus niet heeft betaald. Verzoekers dossier wordt afgesloten. Indien verzoeker zijn rijbewijs weer terug wil, dient hij zich binnen drie jaar na het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs zich opnieuw in te schrijven voor een cursus. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Nog voordat de voorzieningenrechter op dit verzoek heeft beslist, heeft het CBR op 25 juni 2026 een besluit op het bezwaar van verzoeker genomen. De voorzieningenrechter heeft verzoeker daarom op 2 juli 2026 gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen, zodat het al ingestelde verzoek om voorlopige voorziening zich richt tegen het besluit op bezwaar.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tegen het besluit van 25 juni 2026 (nog) geen beroep heeft ingesteld, terwijl de beroepstermijn inmiddels is verstreken. Daarmee is niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren en daarmee niet inhoudelijk beoordeelt.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: