[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [persoon A] ).
Inleiding
1. Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag van [persoon B] opnieuw bekeken. Dit is voor verzoekster gedaan vanwege de regeling voor nabestaanden van overleden aanvragers kinderopvangtoeslag. Verzoekster heeft van Dienst Toeslagen al een bedrag van € 15.764,- ontvangen. Met het besluit van 1 december 2025 heeft Dienst Toeslagen besloten dat verzoekster nog recht heeft op € 55,-. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Verzoekster is door Dienst Toeslagen uitgenodigd voor een ambtelijke hoorzitting op 1 september 2026. Verzoekster heeft aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, omdat zij gehoord wil worden door de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Zij heeft de voorzieningenrechter ook gevraagd om hierover per direct een beslissing te nemen (verzoek om een ordemaatregel).
3. De rechtbank heeft Dienst Toeslagen gevraagd om te reageren op het verzoek om een ordemaatregel en daarbij ook in te gaan op het spoedeisend belang. De rechtbank heeft geen reactie van Dienst Toeslagen ontvangen.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
6. Verzoekster wil gehoord worden door de BAC en geeft geen toestemming voor horen door een ambtelijke commissie. Als de ambtelijke hoorzitting eenmaal heeft plaatsgevonden, dan is dit gebrek volgens verzoekster niet of zeer moeilijk te herstellen. Een nieuwe behandeling betekent immers opnieuw vertraging en extra belasting voor verzoekster.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd waarom niet kan worden gewacht op de uitkomst van de bezwaarprocedure en, indien nodig, een daaropvolgende beroepsprocedure. Ambtelijk horen kan soms nodig zijn om de omvang van het geschil te bepalen, waarna alsnog een hoorzitting door de BAC kan volgen.
Als verzoekster ten onrechte niet door de BAC wordt gehoord, kan dit worden beoordeeld in een eventuele beroepsprocedure. Dit is ook in lijn met artikel 6:3 van de Awb, waaruit volgt dat beslissingen over de procedure ter voorbereiding van een besluit in beginsel pas in de procedure over de hoofdzaak door de bestuursrechter worden getoetst. In die procedure kan Dienst Toeslagen worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het gebrek alsnog wordt hersteld. Van een onomkeerbare situatie is daarom geen sprake. Voor zover verzoekster stelt dat het afwachten van de bezwaar- en eventuele beroepsprocedure leidt tot vertraging, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat een procedure tijd in beslag neemt, onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Dat geldt in beginsel immers voor iedere bezwaar- en beroepsprocedure. Verzoekster heeft niet concreet onderbouwd waarom juist in haar geval sprake is van zodanige gevolgen dat niet kan worden gewacht op de uitkomst van de reguliere rechtsgang. De voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat op dit moment niet evident is dat het besluit op bezwaar onrechtmatig zal zijn.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: