ECLI:NL:RBROT:2026:10444

ECLI:NL:RBROT:2026:10444

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-07-2026
Datum publicatie 23-08-2026
Zaaknummer C/10/709608 / FA RK 25-8448
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding, gvg, compensatie renteverschil hypotheek afwijzen, nadeel kan op dit moment niet worden vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/709608 / FA RK 25-8448 en

C/10/716368 / FA RK 26-2038 (verdeling)

Beschikking van 23 juli 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam 1] , hierna: de man,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat mr. M.M. van Wijk te Delft,

t e g e n

[naam 2] , hierna: de vrouw,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te 's-Heer Arendskerke, gemeente Goes.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man ingekomen bij rechtbank Den Haag op 5 juni 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen, gedateerd 26 augustus 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, gedateerd 16 oktober 2025;

de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 4 november 2025, ingekomen op 5 november 2025;

de akte houdende aanvulling verzoeken en producties van de vrouw, ingekomen op 22 mei 2026;

de berichten met bijlagen van de man van 24 juni 2025, 17 en 21 oktober 2025 en 22 mei 2026;

het bericht met bijlage van de vrouw van 22 mei 2026.

Buiten de toegestane termijn is overgelegd:

- het bericht met bijlagen van de man van 1 juni 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog een stuk overgelegd.

De oudste twee minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier gebruik van gemaakt en met de kinderrechter gesproken.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdag] 2013.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 te [geboorteplaats 3] .

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking van deze rechtbank van 17 februari 2026 (hersteld bij beschikking van 13 maart 2026) is tussen partijen in het kader van voorlopige voorzieningen – voor zover hier van belang – onder meer beslist dat:

- de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: de ene week verblijven de minderjarigen bij de man en de andere week bij de vrouw, met wisselmoment op zondag om 18.30 uur, onder opname van de onderlinge overeenstemming dat er op woensdagavond om 19.00 uur een (video)belmoment zal zijn tussen de minderjarigen en de ouder waar de minderjarigen dan niet verblijven;

- de man met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

- de man met ingang van de datum van die beschikking aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 16,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;

- de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 33,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarigen aan haar wordt afgewezen.

3. De beoordeling

Te laat indienen van stukken

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van het bericht van de man op 1 juni 2026 (rond 21.15 uur) met bijlagen. De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aangegeven niet in staat te zijn geweest kennis te nemen van deze stukken en heeft beslist dat deze stukken niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de verzoeken.

Scheiding

De man en de vrouw verzoeken ieder de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De verzochte echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Ingetrokken verzoeken

De rechtbank stelt vast dat er geen door partijen ondertekend ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant zijn ingediend. zijn ingediend. Partijen hebben hun verzoeken om het ouderschapsplan en convenant in de beschikking op te nemen op de mondelinge behandeling ingetrokken. De rechtbank zal deze ingetrokken verzoeken afwijzen.

Verblijfplaats / Zorgregeling

De vrouw verzoekt te bepalen dat:

- de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en bij haar staan ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP);

- de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) op maandag, dinsdag en woensdag bij de vrouw zijn, de donderdag bij de man en vrijdag, zaterdag en zondag afwisselend bij de ene en de andere ouder.

De man voert gemotiveerd verweer.

Hij verzoekt:

- te bepalen dat de kinderen in de BRP ingeschreven zullen zijn op het adres van de man.

- een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de minderjarigen gedurende de schoolweken om de week bij de ene en de andere ouder verblijven, met een wissel op zondagavond om 18.30 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen verbleven hebben hen c.q. hun spullen zal brengen naar de ouder bij wie zij in de opvolgende week verblijven;

- een regeling ter zake van verdeling van vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vast

te stellen als volgt:

a. a) Zomervakantie: in de even jaren week 1 en 2 bij de man, week 4 en 5 bij de vrouw en

in oneven jaren andersom. In week 3 en 6 geldt de reguliere week om week

regeling. Het wisselmoment zal steeds zijn zondagavond om 18.30 uur, ook voor

de aanvang van de vakantieperiodes van 2 weken;

b) Herfstvakantie en voorjaarsvakantie: de reguliere week om week regeling loopt

door, met de wissel op zondagavond om 18.30 uur, waarbij zal gelden dat als een

van de ouders enkele dagen van een vakantie waarin de kinderen volgens de

regeling bij de andere ouder zijn weg wil met de kinderen dit in overleg mogelijk is;

c) Meivakantie: reguliere week om week regeling, zodat de kinderen in de

meivakantie een week bij ieder van de ouders verblijven, met een wissel op

zondagavond om 18.30 uur (ook voor de aanvang van de vakantie). Indien een

van de ouders incidenteel deels in de zorgweek van de andere ouder op vakantie

wil met de kinderen, kan dit in onderling overleg;

d) Kerstvakantie: de reguliere week om week zorgregeling loopt door. Voor de

Kerstdagen geldt dat als deze in de zorgweek van de moeder vallen, de kinderen

op Tweede Kerstdag bij de vader zijn (zij worden op die dag tussen 9.00 en 9.30

uur gebracht bij de man en de man brengt hen de volgende dag tussen 9.00 en

uur bij de moeder) en als de Kerstdagen in de zorgweek van de man vallen,

de kinderen op Tweede Kerstdag bij de vrouw zijn (zij worden op die dag tussen

en 9.30 uur gebracht bij de vrouw en de vrouw brengt hen de volgende

dag tussen 9.00 en 9.30 uur bij de man). Voor Oud en Nieuw geldt dat als deze

dagen in de zorgweek van de vrouw vallen, de kinderen op Nieuwjaarsdag van

uur tot uiterlijk 20.00 uur bij de man zijn, en als deze dagen in de zorgweek

van de man vallen, zijn de kinderen op Nieuwjaarsdag van 11.00 uur tot uiterlijk

uur bij de vrouw. De ouder bij wie de kinderen in de betreffende zorgweek

zijn brengt naar de andere ouder en de ouder bij wie de kinderen de betreffende

feestdag doorbrengen brengt hen terug.

e) Losse feestdagen en bijzondere dagen zoals Pasen, Pinksteren, Sinterklaas

et cetera volgen de reguliere week om week regeling;

f) Studiedagen worden ingevuld door de ouder die volgens de reguliere week om

week regeling op de betreffende dag de zorg voor de kinderen heeft;

g) Zolang de kinderen nog op de basisschool zitten zullen zij op Vaderdag van

zaterdag 19.00 uur tot zondag 13.00 uur bij de man verblijven als deze dag in het

weekend van de vrouw valt en op Moederdag van zaterdag 19.00 uur tot zondag

uur bij de vrouw, als deze dag in het weekend van de man valt, waarbij

geen recht is op compensatie;

h) Verjaardagen van de kinderen: de ouder die op de betreffende dag de zorg niet

draagt heeft alle drie de kinderen op de verjaardag van een van de kinderen bij

zich van 16.00 tot 19.00 uur. Kinderfeestjes worden gezamenlijk georganiseerd en

beide ouders zijn hierbij aanwezig.

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Op grond het dit artikel kunnen ook geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.

De man wenst de huidige zorgregeling te continueren, terwijl de vrouw de zorgregeling wil wijzigen naar een regeling die volgens haar meer routine op schooldagen geeft, beter aansluit op werk en minder spanningen bij de kinderen geeft door korter verblijf per ouder en met overdracht via school.

Partijen staan nog steeds op veel punten lijnrecht tegenover elkaar. De rechtbank acht het zorgelijk dat partijen, ook nu zij al circa 1,5 jaar feitelijk uit elkaar zijn, kort voor de mondelinge behandeling nog discussie via de rechtbank hebben over de wijze waarop de minderjarigen door de kinderrechter zouden moeten worden gehoord, hetgeen heel belastend is geweest voor de kinderen. Het wantrouwen tussen partijen is ook zichtbaar in de onenigheid over de zorgregeling. Ondanks de slechte ouderrelatie ziet de rechtbank met de raad geen aanleiding om de huidige zorgregeling te wijzigen. Sinds januari 2025 zijn de minderjarigen gewend aan een regeling waarin zij wekelijks om en om bij hun vader of moeder verblijven. De overdracht op zondag bij de andere ouder loopt sinds een half jaar.

Het is van belang dat zij stabiliteit ervaren en met beide ouders evenveel tijd kunnen doorbrengen. De kinderrechter heeft vanuit de minderjarigen geen signalen ontvangen dat het in hun belang noodzakelijk is om nu een andere zorgregeling te bepalen, hoewel zij wel last hebben van de spanningen tussen hun ouders en neigen naar een gelijkwaardige regeling waarbij ze langer dan een week bij de ene ouder en langer dan een week bij de andere ouder verblijven zodat ze meer rust voelen voor ze weer moeten wisselen. Ook het voorstel van de vrouw om het overdrachtsmoment te wijzigen naar maandagochtend acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen. Een duurzame oplossing ligt in de aanpak van de communicatieproblematiek. Partijen laten hierin zien hun verantwoordelijkheid te nemen. Zij zijn recent gestart met ouderschapsbemiddeling, zodat de rechtbank er met de raad vanuit gaat dat de onderlinge verstandhouding op korte termijn zal verbeteren.

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen het verzoek van de man toewijzen, onder afwijzing van de verzoeken van de vrouw. De rechtbank zal daarbij verder bepalen dat de eerder tussen partijen afgesproken en tot nu toe uitgevoerde videobelcontacten blijven uitvoeren, aangezien de kinderen dit wensen voort te zetten.

De vrouw heeft aangegeven bij toewijzing van het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling geen bezwaar te hebben tegen de door hem verzochte regeling voor vakanties en feestdagen. De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

Nu de minderjarigen een gelijk deel van de tijd bij de man en bij de vrouw verblijven, ligt het zwaartepunt van de zorg niet slechts bij een ouder. Zodoende zal het hoofdverblijf niet aan een van partijen worden toegekend, man zal de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarigen bij beide ouders bepalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de huidige inschrijving van de minderjarigen te wijzigen. Het verzoek van de vrouw om de minderjarigen op haar adres in te mogen schrijven zal worden afgewezen. Het verzoek van de man te bepalen dat de minderjarigen op zijn adres ingeschreven zullen staan, zal worden afgewezen.

Kinderbijslag en kindgebonden budget

De man verzoekt (zoals tijdens de mondelinge behandeling aangevuld) te bepalen dat de kinderbijslag gelijkelijk over beide partijen verdeeld zal worden onder oplegging aan beide partijen van de verplichting om dit aan de SVB door te geven, alsmede te bepalen dat de vrouw de aanvrager van de kinderbijslag zal blijven, zodat zij aanspraak kan (blijven) maken op het kindgebonden budget.

De rechtbank stelt voorop dat het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget niet is gekoppeld aan het adres waarop de minderjarigen staan ingeschreven, maar aan het aantal dagen waarop de minderjarigen in het huishouden van de ouder verblijven.

Partijen zijn het eens dat de vrouw de hoofdaanvrager zal zijn van de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De rechtbank volgt de man niet in zijn verzoek dat de vrouw het bedrag van de kinderbijslag vervolgens met de man moet delen en zal het verzoek van de man om te bepalen dat de kinderbijslag gelijkelijk over partijen verdeeld zal worden, afwijzen. De rechtbank gaat er vanuit dat deze toeslagen geheel tot beschikking van de vrouw komen, waar overigens dan tegenover staat dat de vrouw de verblijf overstijgende kosten van de minderjarigen zal moeten dragen.

Onderhoudsbijdragen

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van (naar de rechtbank begrijpt) € 275,- per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 141,- per maand vast te stellen.

Daarnaast verzoekt zij (naar de rechtbank begrijpt) vastlegging van haar voorstel dat niet-gedekte medische kosten (waaronder de kosten van de orthodontist) naar rato van ieders draagkracht op dat moment zullen worden gedragen.

De man voert gemotiveerd verweer.

De man verzoekt - bij toewijzing van zijn verzoek het adres van de kinderen bij hem te bepalen, zodat de man de kinderbijslag zal ontvangen en aanspraak kan maken op kindgebonden budget - te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage zal voldoen van € 127,- per kind per maand.

De man verzoekt - uitgaande van de situatie dat de vrouw de kinderbijslag ontvangt en aanspraak kan maken op kindgebonden budget - te bepalen dat de ouders over en weer geen kinderbijdrage aan elkaar zullen voldoen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Kinderbijdrage

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

De ingangsdatum

Partijen hebben geen ingangsdatum verzocht. Omdat in de procedure voorlopige voorzieningen een voorlopige kinderbijdrage is bepaald zal de rechtbank in deze procedure de ingangsdatum vaststellen op de datum van deze beschikking.

De behoefte van de minderjarigen

De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot eind 2024 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2024.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2024 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024, waarop een jaarloon staat genoemd van € 107.493,-, op

€ 4.957,- per maand.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

De rechtbank heeft het jaarloon verminderd met het bedrag aan bijtelling voor de auto van de zaak zoals vermeld op de salarisspecificatie van december 2024 van € 12.285,- per jaar. Volgens de Tremanormen wordt de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto in mindering gebracht op het jaarinkomen, omdat dit geen inkomen is dat feitelijk aan partijen ter beschikking staat. De rechtbank ziet in wat de vrouw naar voren heeft gebracht geen reden om af te wijken van deze hoofdregel. De rechtbank kan de vrouw ook niet volgen in haar standpunt dat de rekenmethode bij een directeur groot aandeelhouder (hierna: dga) anders zou moeten zijn dan bij een ‘gewone’ werknemer.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen € 2.392,- per maand bedroeg.

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op

€ 7.349,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen ad € 275,- per maand wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van

€ 7.624,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen overstijgt het maximum gezinsinkomen van € 6.000,- per maand in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, zodat wordt aangesloten bij dit maximum. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat sprake was van een hogere welstand dan die bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- per maand valt te verwachten.

Hiervoor genoemd gemaximeerd gezinsinkomen van € 6.000,-, levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 1.620,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 1.805,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag, ofwel afgerond € 602,- per maand per kind.

Draagkrachtberekening

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-2.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 5.582,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties van 2026):

- basisloon € 7.934,-;

- vakantiegeld 8% op jaarbasis;

- pensioenpremie € 320,94.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld, zal de rechtbank ook in het kader van de draagkrachtberekening geen rekening houden met de bijtelling voor het privégebruik van de zakelijke auto.

Waarom de rechtbank in afwijking van het Trema rapport dan ook nog rekening moet houden met netto lasten van een lease auto is door de man onvoldoende onderbouwd. Netto lasten voor het bezit en rijden van een auto vallen onder de bijstandsnorm of dienen te worden voldaan uit de voor de man beschikbare vrije ruimte..

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man zich als dga meer zou kunnen uitkeren dan blijkt uit zijn salarisspecificaties, omdat de vrouw deze stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft op grond van de stukken en de stellingen van partijen onvoldoende aanknopingspunten om met een ander bedrag dan de beschikbare salarisspecificaties van de man te rekenen.

Over het NBI van de vrouw verschillen partijen van mening. De vrouw vindt dat haar huidige inkomen en werksituatie het vertrekpunt is, gebaseerd op een dienstverband van zestien uur per week. De man kent de vrouw een verdiencapaciteit toe van 24 uur per week. Vaststaat dat de vrouw in 2025 heeft aangegeven haar uren uit te willen breiden, maar dat zij dat nog niet heeft gerealiseerd. Het ontbreekt aan onderbouwing van de vrouw waarom zij deze zes uren niet méér kan werken. Uit niets blijkt dat de vrouw een dergelijke werkweek fysiek en/of mentaal niet zou aankunnen. Gelet op de onderhoudsverplichting die de vrouw heeft voor de minderjarigen, acht de rechtbank het reëel dat de vrouw deze verdiencapaciteit (een werkweek van 24 uur per week) benut, hetzij bij haar huidige werkgever, hetzij via een baan elders.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op € 4.416,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens, waarbij de hieronder vermelde maandbedragen aan de hand van de salarisspecificaties van juli en augustus 2025 zijn omgerekend van een werkweek van zestien uur naar een werkweek van 24 uur:

- basisloon € 2.429,73 per maand;

- vakantiegeld 8% op jaarbasis;

- eindejaarsuitkering € 202,40 per maand;

- pensioenpremie € 222,81 per maand;

- premie 3e jaar WW € 2,78;

- premie WGA-hiaat € 7,28.

Daarnaast is rekening gehouden met de maandelijkse toeslagen (onregelmatigheidstoeslag, slaapdienst en bereikbaarheidsdienst na aftrek van de reiskosten vergoeding) van gemiddeld

€ 842,31 netto per maand, zoals blijkt uit voormelde salarisspecificaties.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van € 11.768,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.779,- per maand.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.208,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 1.779 / € 2.987 x € 1.805 = € 1.075

het deel van de vrouw bedraagt: € 1.208 / € 2.987 x € 1.805 = € 730 +

samen € 1.805

Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.075,- per maand ofwel € 358,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 730,- per maand ofwel € 243,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld minstens drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 602,- per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 211,- per maand per kind.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 147,- per maand per kind.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 147,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, met ingang van de datum van de beschikking.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Zoals onder 3.17. al overwogen, zal de vrouw de verblijf overstijgende kosten moeten voldoen, omdat zij de toeslagen ontvangt. De rechtbank kan op verzoek een kinderbijdrage vaststellen die ziet op de kosten van de verzorging en de opvoeding. Er zijn geen kosten die daarbuiten vallen. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over niet-gedekte medische kosten afwijzen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat partijen over niet-gedekte medische kosten afspraken kunnen maken.

Partneralimentatie

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

De ingangsdatum

Omdat geen ingangsdatum is verzocht, zal de uitkering worden vastgesteld met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Behoefte vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk (minus de kosten van de minderjarigen), omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.

Zoals onder 3.27. overwogen bedroeg het netto gezinsinkomen in totaal € 7.624,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van

€ 1.805,- per maand, zodat resteert € 5.819,- De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.491,-.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) de behoefte van de vrouw vast op € 3.491,- netto per maand, ofwel geïndexeerd thans (afgerond) € 3.889,- netto per maand.

Op de behoefte van de vrouw moet haar verdiencapaciteit van € 4.416,- netto per maand (zoals vastgesteld onder 3.37.) in mindering worden gebracht, waarna geen aanvullende behoefte resteert. Het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage vast te stellen zal dan ook worden afgewezen.

Voortgezet gebruik woning

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning aan de [adres] aan te man toe te delen tot het moment dat deze woning aan de man zal worden geleverd, dan wel tot het moment dat deze aan een derde zal worden geleverd.

Daarbij verzoekt de vrouw te bepalen dat de man de kosten, verbonden aan de woning, integraal zal voldoen, met uitsluiting van de vrouw, nu hij ook met uitsluiting van de vrouw het gebruiksgenot heeft. De vergoeding voor het gebruiksgenot wordt derhalve gelijkgesteld aan de helft van alle (netto) aan de woning verbonden lasten.

De man verzet zich niet tegen dit verzoek

De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

Verdeling

De vrouw verzoekt de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform haar voorstel.

De man verzoekt de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform zijn voorstel.

Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.

Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW).

wettelijke peildatum

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 5 juni 2025.

waardering algemeen

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

geen waardering saldo bankrekening

Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

geen waardering schuld

Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

geen waardering vordering

Voor een vordering vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de vordering op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de vordering na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De gemeenschap omvat in beginsel alle tegenwoordige en toekomstige goederen en schulden van de echtgenoten,, ongeacht door wie verkregen of door wie aangegaan (artikel 1:94 (oud) BW).

Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:

a. a) de echtelijke woning aan de [adres] en de gekoppelde hypothecaire geldleningen;

b) de inboedel van de echtelijke woning;

c) saldi van de bankrekeningen;

d) de auto, merk Nissan, type Note , kenteken [nummer] ,en de daaraan verbonden lening bij de ouders van de vrouw;

e) de elektrische fiets;

f) twee fietsen merk Cube ;

f) de racefiets;

g) de Kreidler brommer;

h) de aandelen [bedrijfsnaam]

de echtelijke woning en de hypothecaire geldleningen (a)

Vaststaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een aan de vrouw toekomende vergoeding van de overwaarde bij toedeling van de echtelijke woning aan de man van € 158.633,50 onder de voorwaarde dat de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen die de woning betreffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven op deze afspraak te willen terugkomen. Zij wenst een nieuwe taxatie in verband met het tijdsverloop van bijna een jaar sinds de waardering die ten grondslag ligt aan de afspraak. De man heeft hiermee niet ingestemd.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY4279, ro. 4.2.1; vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:592, ro. 3.1.2.) volgt dat als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goed de datum van de verdeling geldt, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. In dit geval hebben partijen een overeenkomst gesloten. De vrouw heeft niet gesteld dat sprake is van wilsgebreken bij de totstandkoming van die overeenkomst en heeft geen beroep gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid die maakt dat van deze overeenkomst afgeweken moet worden. De rechtbank gaat dus uit van de geldigheid van de afspraak zoals onder 3.72. opgenomen.

De woning wordt, indien mogelijk, toegedeeld aan de man tegen een vergoeding van € 158.633,50 en er zal een spoorboekje worden opgenomen voor het geval de man de woning niet kan overnemen.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte termijn van vier maanden voor financieringsonderzoek. Zij stelt dat de man al ruim de tijd heeft gehad voor dit onderzoek. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de man al ruim de tijd heeft gehad, omdat een hypotheekverstrekker doorgaans geen concrete offerte kan opmaken zonder een rechterlijke beslissing over de financiële gevolgen van de echtscheiding. Omdat een termijn van drie maanden voor financieringsonderzoek redelijk en gebruikelijk is zal de rechtbank deze termijn hanteren.

Het voorgaande betekent dat, indien binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking blijkt dat de man de woning niet kan overnemen, de echtelijke woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht. De rechtbank bepaalt dat dit geschiedt op de volgende manier.

Binnen twee weken nadat bekend is dat overname niet mogelijk is selecteert de vrouw drie NVM-makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:

invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,

aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;

betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,

leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

meewerken aan geplande bezichtigingen,

zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,

alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,

het tekenen van de koopovereenkomst,

het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,

in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,

partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,

als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,

met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.

Inboedel (b)

Partijen hebben geen complete lijst van de inboedelgoederen met de waarde van de inboedelgoederen overgelegd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat de waarde van de inboedelgoederen € 10.000,- is en dat de man is overbedeeld, zoals de vrouw heeft gesteld, maar de man heeft betwist.. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen aan haar wegens overbedeling van de inboedelgoederen € 5.000,- te voldoen, zal dan ook worden afgewezen. Omdat vaststaat dat iedere partij een bepaald gedeelte van de inboedelgoederen heeft behouden en de rechtbank niet is gebleken dat qua waarde de een nu meer onder zich heeft dan de ander, zal de rechtbank aan iedere partij toedelen wat hij of zij aan inboedelgoederen nu onder zich heeft, zonder verdere verrekening.

Saldi bankrekeningen (c)

Voor de saldi van de bankrekeningen op de peildatum geldt dat partijen een positief saldo bij helfte delen en dat zij bij een negatief saldo ieder voor de helft draagplichtig zijn. Dit betreft in ieder geval de saldi van de e/o bankrekeningen bij de Rabobank. Volgens de vrouw valt het saldo van de bankrekening op haar naam buiten de verdeling, omdat deze rekening na de peildatum is geopend. De rechtbank kan niet vaststellen dat het saldo in de te verdelen, ontbonden gemeenschap valt en zodoende dit saldo niet verdelen. Voor zover nadien mocht blijken dat deze rekening op de peildatum aanwezig was en daarmee het saldo wel tot de ontbonden, te verdelen gemeenschap behoort, geldt dat ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW de vrouw haar aandeel in het saldo verbeurt aan de man.

Auto Nissan (d)

Partijen zijn overeengekomen dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de vrouw de lening, die is aangegaan voor de aanschaf, voor haar rekening zal nemen, zonder enige verrekening met de man.

Fietsen (e t/m g)

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet is komen vast te staan dat de door de vrouw gestelde fietsen van het merk Cube tot de gemeenschap van partijen behoren. Daarom zal de rechtbank deze fietsen niet in de verdeling betrekken.

Tussen partijen bestaat geen geschil over dat de racefiets en de Kreidler aan de man worden toegedeeld en de elektrische fiets aan de vrouw. Over de waardering en verrekening hebben zij geen overeenstemming bereikt. Omdat de rechtbank onvoldoende gegevens heeft om de waarde van de fietsen te kunnen vaststellen, dienen partijen de fietsen en de Kreidler te laten taxeren. Partijen zullen elkaar binnen vier weken na de beschikking een waarde bepaling doen toekomen als volgt, waarbij de uitkomst bepalend is voor de onderlinge verrekening. De man wijst binnen een week na de beschikking drie taxateurs aan voor de elektrische fiets, de racefiets en de Kreidler. De vrouw kiest hieruit binnen een week daarna uit die drie een taxateur. Partijen laten de fietsen taxeren door die taxateur en mogen allebei bij de taxaties aanwezig zijn. De uitkomst hiervan bepaalt wat de vrouw vanwege de elektrische fiets aan de man dient te betalen, namelijk de helft van de taxatiewaarde, en de man aan de vrouw voor de Kreidler en de racefiets dient te betalen, namelijk de helft van de getaxeerde waarden. De kosten van de taxaties dragen partijen bij helfte.

Aandelen BV (h)

De aandelen van de man vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Partijen zij het erover eens dat de aandelen kunnen worden toegedeeld aan de man. De man heeft uiteindelijk ingestemd met de door de vrouw genoemde aandelenwaarde van

€ 60.000,-, (inclusief belastingclaim), zodat aan de vrouw een overbedelingssom ter zake toekomt van € 30.000,-.

De rechtbank acht het redelijk dat de man rekening houdend met de liquiditeit van het bedrijf hiervoor de gelegenheid wordt geboden dit bedrag in drie jaarlijkse termijnen van € 10.000,- te voldoen, waarbij de eerste termijn moet zijn voldaan binnen een maand na deze beschikking.

Voor het verzoek van de vrouw de door de man te betalen vergoeding jaarlijks te verhogen met zakelijke rente ziet de rechtbank geen grondslag. Bij de verdeling van een ontbonden huwelijk geldt in de basis dat er over een overbedelingsschuld of vergoedingsrecht geen rente wordt berekend, tenzij in een testament of onderling contract anders is afgesloten. Hiervan is geen sprake.

De wijze van verdeling van de gemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.64. tot en met 3.84. is weergegeven.

Vergoeding gezamenlijke bankrekeningen

De door de vrouw gestelde afwikkelingsvergoeding op de man van € 8.629,50 in het kader van stortingen en opnamen van de gezamenlijke rekeningen over de periode januari 2025 - juli 2025 zal de rechtbank afwijzen. Tot aan de peildatum (5 juni 2025) geldt dat partijen gelet op de algehele gemeenschap van goederen, geen privévermogen hebben waaruit betalingen kunnen zijn gedaan. Tot de peildatum is met andere woorden alles voldaan met gemeenschapsgeld. De vrouw kan dan ook geen aanspraak maken op een vergoedingsrecht. Voor wat betreft de periode van de peildatum tot juli 2025 acht de rechtbank het verzoek van de vrouw niet gespecificeerd en, in het licht van wat de man heeft gesteld, ook onvoldoende onderbouwd. Haar verzoek wordt daarom afgewezen.

Compensatie renteverschil hypotheek

De vrouw verzoekt een door de man te betalen vergoeding van - zoals ter zitting nader gespecificeerd - € 9.920,90. Zij heeft gesteld dat zij recht heeft op vergoeding in verband met het financiële nadeel dat zij lijdt doordat de man de huidige hypothecaire leningen bij Nationale Nederlanden - met bijbehorende gunstige voorwaarden - zal overnemen. De hypotheekrente ligt op dit moment een stuk hoger dan de rente die is vastgezet bij het afsluiten van deze hypotheken. De vrouw berekent het financiële nadeel op

totaal € 19.841,79,- bij een resterende looptijd van de leningen tot 1 juni 2040 / 1 december 2034. Zij vordert daarom compensatie van de man tot een bedrag van de helft hiervan:

€ 9.920,90,-.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de gelegenheid zal worden gesteld om de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire leningen voort te zetten, met de daarbij behorende gunstige hypotheekrente. Gesteld noch gebleken is dat de hypotheekverstrekker zal meewerken aan de splitsing van de hypothecaire leningen in die zin dat beide partijen een deel van die leningen kunnen voortzetten. Daarmee staat niet vast dat wanneer de man de echtelijke woning overneemt, of deze aan een derde wordt verkocht en de man de hypotheek overneemt, de vrouw bij de aanschaf van een nieuwe woning een nieuwe hypotheek zal moeten afsluiten en daarmee mogelijk in een financieel nadeliger positie komt dan de man. Ook staat nog niet vast dat de man - na eventuele verkoop - binnen een door de hypotheekverstrekker gestelde termijn om de lopende hypotheeklening over te sluiten op een andere woning, in staat zal zijn een andere woning aan te kopen. Tot slot staat niet vast dat de vrouw een andere woning zal kopen; in het geval zij geen woning koopt zal zij in ieder geval geen rentenadeel lijden. Ook indien voorgaande factoren wel vast zouden staan, dan zou het op dit moment nog steeds niet mogelijk zijn om het door de vrouw te lijden financiële nadeel te berekenen, gelet op de vele (toekomstige) variabelen die daarbij een rol spelen (hoogte en looptijd van de huidige en door de vrouw te sluiten hypotheek, daadwerkelijk door de vrouw te betalen rentepercentage, fiscaal voordeel, etc.).

Kort samengevat staat op dit moment niet vast dat, en zo ja tot welk bedrag, de vrouw deze schade zal lijden, zodat haar nadeel op dit moment niet kan worden vastgesteld. Het verzoek zal worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/709608 / FA RK 25-8448:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdag] 2013 te [plaats 2] ;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij beide ouders zal zijn en dat de minderjarigen op het adres van de man ingeschreven zullen zijn in de basisregistratie personen bij de gemeente;

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man en de vrouw zullen zijn als volgt:

De minderjarigen verblijven gedurende de schoolweken om de week bij de ene en de andere ouder, met een wissel op zondagavond om 18.30 uur, waarbij de ouder bij wie de kinderen verbleven hebben hen c.q. hun spullen zal brengen naar de ouder bij wie zij in de opvolgende week verblijven.

Op woensdagavond om 19.00 uur zal er een (video)belmoment zijn tussen de minderjarigen en de ouder waar de minderjarigen dan niet verblijven;

stelt de regeling ter zake van verdeling van vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vast zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.8. a. tot en met h;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 147,- per maand per kind;

bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] , die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/716368 / FA RK 26-2038:

gelast de wijze van verdeling zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.64. tot en met 3.84.;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 23 juli 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand