ECLI:NL:RBROT:2026:10446

ECLI:NL:RBROT:2026:10446

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-07-2026
Datum publicatie 23-08-2026
Zaaknummer C/10/712189 / JE RK 25-2657
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/712189 / JE RK 25-2657

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de ouders] ,

hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam,

waargenomen door mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam,

[de pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

In zijn adviserende taak op grond van artikel 810 Rv is gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de tussenbeschikking van 3 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de briefrapportage van de GI van 17 juni 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;

de brieven van de pleegouders, binnengekomen bij de rechtbank op 7 juli 2026;

de briefrapportage van de GI van 17 juli 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;

de brief van mr. F. Pool van 23 juli 2026 met producties, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.

Op 23 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;

een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 3] .

Aangezien bij de moeder sprake is van een auditieve beperking, heeft de

rechtbank het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [persoon A] , doventolk.

De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon B] , de begeleider van de moeder vanuit GGMD, en haar in de loop van de zitting als informant gehoord. Tevens heeft de rechtbank bijzondere toegang verleend aan een collega van de vertegenwoordigers van de GI, [persoon C] , samen met haar hulphond.

De pleegouders zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen.

De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een brief gestuurd.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 17 februari 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 augustus 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3. Het (aangehouden) verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI brengt ter zitting – samengevat - het volgende naar voren. De GI was voornemens een perspectiefbesluit te nemen naar aanleiding van de resultaten van het KSCD-onderzoek. Uit het KSCD-onderzoek zijn veel contra-indicaties voor een terugplaatsing van de kinderen bij de ouders naar voren gekomen. Omdat de wens van zowel de ouders als de kinderen en de resultaten van het onderzoek zo uit elkaar liggen, heeft de GI er echter voor gekozen nu nog geen perspectiefbesluit te nemen en de ouders een kans te geven om een terugplaatsing te realiseren en te laten slagen. Wel dient de thuissituatie voldoende veilig te zijn en moeten de ouders aan enkele bodemeisen voldoen om naar een terugplaatsing toe te kunnen werken. Het is zeer positief dat de ouders zich hiervoor hard inzetten.

Nu het opstarten van de nodige hulpverlening tijd kost, verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Als eerder aan de bodemeisen wordt voldaan, kan de uithuisplaatsing, met instemming van de Raad, vroegtijdig worden beëindigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen tot het einde van de zomervakantie in het huidige pleeggezin blijven en hopelijk kunnen zij dan naar de ouders terugkeren. Dit is ook hun nadrukkelijke wens, omdat zij dan vanuit de thuissituatie bij de ouders op hun middelbare school in [plaats] kunnen starten. Voor het geval dat niet mogelijk is, wordt de grootouders vz gevraagd om de kinderen tijdelijk op te vangen. Tegelijkertijd is pleegzorg op zoek naar een tijdelijk pleeggezin in de buurt van [plaats] . Op 18 augustus 2026 staat een huisbezoek bij de ouders gepland en zal worden bepaald of een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de start van het nieuwe schooljaar mogelijk is of dat dat niet het geval is. De GI heeft inmiddels aanvullende gebarentraining en coaching vanuit Boba voor de kinderen aangevraagd. Ook wordt onderzocht welke partij opvoedondersteuning kan bieden. Daarnaar gevraagd geeft de GI aan de uitkomsten van het KSCD-onderzoek meermaals met de ouders te hebben besproken. Zij hebben aangegeven de benoemde zorgen te begrijpen en hiermee aan de slag te willen gaan. De GI schrikt ervan dat de ouders ter zitting aangeven de zorgen toch niet volledig te herkennen. Belangrijk is dat de ouders inzien waarom hulpverlening nodig is, zodat zij hier maximaal van kunnen profiteren. De GI is bereid te bezien of een aanvullend gesprek, mogelijk in het bijzijn van het KSCD, wenselijk is. Ten aanzien van het verzoek van de advocaat stelt de GI voor de machtiging voor twee maanden te verlengen en de beslissing op het verzoek voor het overige aan te houden.

4. Het standpunt van de ouders

Door en namens de ouders wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De ouders verzoeken primair de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een maand en het verzoek voor het overige af te wijzen. Subsidiair verzoeken de ouders om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een maand te verlengen en het verzoek voor het overige aan te houden. De ouders begrijpen dat zij aan de gestelde bodemeisen moeten voldoen alvorens de kinderen kunnen worden teruggeplaatst, maar vanwege de zomervakantie is het ingewikkeld om de nodige hulpverlening te realiseren. De eerste bodemeis is dat de woning veilig en leefbaar moet zijn. Begin augustus staat een huisbezoek van de GI gepland en de ouders hopen dat deze eis dan kan worden afgevinkt. De tweede bodemeis is dat huishoudelijke ondersteuning moet zijn gestart. De ouders hebben hiervoor een aanvraag gedaan op basis van de WLZ en zijn hierover in contact met particuliere instanties. De derde bodemeis is dat opvoedondersteuning en psycho-educatie moeten zijn gestart. De ouders hoopten eerder dat GGMD opvoedondersteuning zou kunnen bieden omdat zij gespecialiseerd zijn in het werken met doven en slechthorenden. Dit kon echter niet starten omdat de kinderen doordeweeks niet thuis woonden. De ouders hopen dat opvoedondersteuning vanuit GGMD in overleg met de GI alsnog kan plaatsvinden. Tegelijkertijd wordt onderzocht of Focus op Zorg deze ondersteuning kan bieden. De vader heeft zich via het CJG aangemeld voor psycho-educatie, maar deze vangt pas in september 2026 aan. De ouders hopen dat dit in overleg met de GI afdoende is of dat zij op zoek moeten naar alternatieven. De vierde bodemeis is dat er een veiligheidsplan moet worden opgesteld. Dit is door de ouders opgesteld en met de GI gedeeld. De ouders staan open voor op- en aanmerkingen hierover/-op van de GI. Ook aan de vijfde bodemeis wordt voldaan: de ouders en kinderen hebben al langer geen contact meer met de grootmoeder mz. De ouders zetten zich er hard voor in om aan de bodemeisen te voldoen en zij hopen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf begin september weer thuis wonen, zodat zij vanuit [plaats] aan het nieuwe schooljaar kunnen beginnen. Als dat niet het geval is, kunnen de grootouders vz hen hopelijk opvangen, nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in het huidige pleeggezin kunnen blijven. Voorkomen moet worden dat zij naar een nieuw pleeggezin moeten worden overgeplaatst. Dit zou schadelijker zijn dan een vroege terugplaatsing. De ouders hopen, in dat geval, dat tegen die tijd de noodzakelijke hulpverlening is opgestart of spoedig zal aanvangen. Ook kan dan als middenweg worden onderzocht of de grootouders vz of het huidige pleeggezin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het weekend kunnen opvangen, zodat de ouders worden ontlast.

In aanvulling op het betoog van de advocaat brengen de ouders naar voren dat zij het niet volledig eens zijn met de resultaten van het KSCD-onderzoek. Zij begrijpen de zorgen, maar kunnen zich niet vinden in de manier waarop het advies over het perspectief tot stand is gekomen. Daarnaast zijn alle externe betrokken partijen erg positief over het gezin en de voortgang die zij boeken. Hier moet ook oog voor zijn. De moeder heeft de afgelopen periode geleerd actiever te zijn en zij draagt nu zelf de zorg voor het huishouden. Desondanks krijgt zij graag huishoudelijke hulp. Verder is het belangrijk dat de communicatie binnen het gezin wordt verbeterd en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvullende gebarentraining krijgen.

5. Het advies van de Raad

De Raad onderschrijft de zorgen die uit het KSCD-onderzoek naar voren komen. Belangrijk is dat de terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders geleidelijk plaatsvindt en dat er geen overhaaste beslissingen worden genomen. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ouders en de kinderen hun motivatie verliezen. De Raad hoopt dat de grootouders vz bereid zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] langere tijd op te vangen wanneer de ouders voor de start van het nieuwe schooljaar nog niet aan de bodemeisen voldoen.

6. De verklaring van de informant

[persoon B] is al enige tijd bij de moeder betrokken en ziet dat de moeder een positieve ontwikkeling doormaakt. Zij is actiever geworden en heeft geleerd meer zelfstandig taken in het huishouden op te pakken. Daarnaar gevraagd geeft [persoon B] aan dat het KSCD-rapport met de moeder is besproken, maar niet volledig, gezien de omvang daarvan. Indien de moeder daar behoefte aan heeft, kan het rapport nogmaals met haar worden besproken.

7. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

Bij de eerdere beschikkingen van 4 februari 2025, 15 juli 2025 en voormelde beschikking van 3 februari 2026 is door de kinderrechter en door de rechtbank geoordeeld dat de resultaten van het KSCD-onderzoek afgewacht dienden te worden om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Inmiddels is het onderzoek afgerond en heeft het KSCD een rapport opgesteld.

Wat betreft de weging - als het gaat om de beslissing tot terugplaatsing - geeft het KSCD in het rapport – samengevat – aan dat de positieve ontwikkelingen die onder andere door de ouders en de Raad worden benoemd deels worden herkend, maar dat tegelijkertijd wordt gezien dat deze ontwikkelingen onvoldoende zijn om de bestaande zorgen over de thuissituatie bij de ouders weg te nemen. Volgens het KSCD zijn de opvoedcapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen momenteel onvoldoende in balans, ondanks de wens, inzet en positieve intenties van de ouders en hun affectieve band met de kinderen. Ingeschat wordt dat in het weekend logeren bij de ouders het hoogst haalbare is.

De resultaten van het KSCD-onderzoek hebben de ouders, pleegouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer teleurgesteld, omdat zij in de veronderstelling waren dat de kinderen voorafgaand aan de start van het nieuwe schooljaar naar de ouders zouden terugkeren. Dit is onder meer te lezen in de reacties van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de bevindingen van het KSCD, die in het rapport zijn opgenomen. Gezien de positieve ontwikkelingen begrijpen zij de weging en de conclusie van het KSCD niet.

Begin juli 2026 heeft de GI de resultaten van het KSCD-onderzoek intern besproken. Zoals ook uit voormelde briefrapportage van 17 juli 2026 naar voren komt, was het lastig om tot een goed besluit te komen. Uiteindelijk heeft de GI nog geen perspectiefbesluit genomen en besloten de ouders nog een kans te geven om toe te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij heeft de GI, gezien de zorgen, bodemeisen gesteld waaraan de ouders moeten voldoen voordat de kinderen kunnen worden teruggeplaatst. Zij moeten daarvoor de nodige hulpverlening aanvragen.

Ook voor na de terugplaatsing zijn er door de GI bodemeisen gesteld. Verder is met de ouders besproken dat de GI de situatie dan nog minimaal een jaar wil volgen, om de veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen. Op 18 augustus 2026 zal de GI de ouders thuis bezoeken, om te bezien en te bespreken of een terugplaatsing van de kinderen voor de start van het nieuwe schooljaar haalbaar is of dat de terugplaatsing moet worden uitgesteld, omdat nog niet aan alle bodemeisen is voldaan.

Uit voormelde brief van mr. Pool van 23 juli 2026 en de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders zich er hard voor inspannen om de terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk te maken en aan de gestelde bodemeisen te voldoen. Zij verdienen hiervoor een compliment. De benodigde hulpverlening is inmiddels - voor zover mogelijk - door hen aangevraagd. De ouders hopen dat de hulpverlening uiterlijk kort na de zomervakantie kan starten, zodat de kinderen dan weer thuis kunnen wonen en van de thuissituatie naar hun middelbare school in Rotterdam kunnen.

Evenals de GI en de Raad is de rechtbank van oordeel dat niet overhaast tot een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders moet worden overgegaan. Gezien de nog bestaande zorgen moet eerst aan de gestelde bodemeisen zijn voldaan. De rechtbank geeft de GI in dit verband in overweging om de resultaten van het KSCD-onderzoek nogmaals met de ouders te bespreken, zo nodig samen met het KSCD, zodat de ouders de zorgen voldoende begrijpen, gericht met de hulpverlening hieraan kunnen werken en daardoor maximaal van die hulpverlening kunnen profiteren. Voor zover een terugplaatsing van de kinderen naar de ouders voor het begin van het nieuwe schooljaar nog niet mogelijk is, gaat de rechtbank ervan uit dat de GI, zoals is toegezegd, onderzoekt of de grootouders vz bereid zijn hen tijdelijk op te vangen alvorens een plaatsing in een tijdelijk pleeggezin in de buurt van [plaats] te overwegen.

De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van twee maanden, te weten tot 17 oktober 2026, en de beslissing op het verzoek voor het overige verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.

De GI wordt verzocht om een week vóór de hierna te noemen zittingsdatum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden, mr. Pool en de Raad) te overleggen over de actuele stand van zaken en daarbij aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De rechtbank:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 oktober 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de belanghebbenden en mr. Pool in deze zaak zal plaatsvinden op 9 oktober 2026 te 15:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. G.M. Paling, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de pleegouders, de ouders en mr. Pool;

gelast de oproeping van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;

gelast de oproeping van de Raad tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;

verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de rechtbank (met afschrift aan de belanghebbenden, mr. Pool en de Raad) de sub 7.10 verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. G.M. Paling, voorzitter tevens kinderrechter, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 5 augustus 2026.

De voorzitter is buiten staat deze beschikking te ondertekenen. De beschikking is daarom ondertekend door mr. M.P.G. Rietbergen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.M. Paling

Griffier

  • mr. E.T. van Ringelesteijn als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand