Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704062 / FA RK 25-5739
Beschikking van 23 juli 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam 1] , hierna: de vrouw,
wonende op een geheim adres,
advocaat mr. A. Taheri-Bhajan te Capelle aan den IJssel,
t e g e n
[naam 2] , hierna: de man,
wonende op een geheim adres,
ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
1. De verdere procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van 9 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
het bericht van de vrouw met bijlage van 29 juni 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarop zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De man is op de mondelinge behandeling niet verschenen. Vastgesteld is dat de man wel op de juiste wijze is opgeroepen: eerst met de beschikking van 9 april 2026 en vervolgens ook op 26 mei 2026 bij aantekende brief en per gewone post, op het adres van de man dat bij de rechtbank bekend is. De vrouw geeft aan dat de man mogelijk gedetineerd is. Niet gebleken is dat de man ten tijde van de oproeping reeds gedetineerd was, zodat die omstandigheid niet aan voortzetting van de mondelinge behandeling in de weg staat. De man kan op grond van het procesreglement tijdens detentie ook verzoeken om aanwezigheid tijdens de mondelinge behandeling. Een dergelijk verzoek is niet binnengekomen. De rechtbank heeft daarom besloten over te gaan tot inhoudelijke behandeling van het verzoek.
2. De verdere beoordeling
Verzoeken
In de tussenbeschikking van 9 april 2026 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat het gezag van de man over de minderjarige (tijdelijk) is geschorst en dat de vrouw alleen belast is met het gezag over de minderjarige. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de zorgregeling voorlopig wordt opgeschort. De verdere behandeling is aangehouden, vanwege gebreken in de oproeping. De rechtbank heeft hiervoor onder 1.3 vastgesteld dat de oproeping nu wel juist is en gaat daarom over tot een inhoudelijke behandeling van de verzoeken.
De vrouw handhaaft haar verzoeken om:
te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toekomt;
de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna:
zorgregeling), zoals opgenomen in het proces-verbaal van 24 mei 2024, op te schorten.
De man is niet verschenen en heeft tegen deze verzoeken geen verweer gevoerd.
De raad adviseert dat de vrouw alleen het gezag krijgt en dat de omgang wordt ontzegd.
Gezag
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
Sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag hebben zich gewijzigde omstandigheden voorgedaan. Onweersproken is dat de man kampt met een ketamineverslaving en dat hij het contact met de vrouw en met de minderjarige heeft verbroken. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De rechtbank stelt vast dat de man meermaals in behandeling is geweest voor zijn verslaving. Daarnaast is de man strafrechtelijk veroordeeld wegens belaging (‘stalking’) en bedreiging van de vrouw in de periode van 29 maart 2024 tot en met 8 mei 2024. In het kader van die veroordeling zijn aan de man ook bijzondere voorwaarden opgelegd, inhoudende een contactverbod en een locatieverbod. Deze voorwaarden zijn nog steeds van kracht. Het contactverbod strekt ertoe dat de man geen contact mag opnemen met de vrouw, behoudens voor zover onder begeleiding van professionals een zorgregeling wordt opgesteld. Verder is van belang dat hoewel partijen tijdens de mondelinge behandeling van 24 mei 2024 afspraken hebben gemaakt over een zorgregeling tussen de man en de minderjarige, de man het contact met de minderjarige in het najaar van 2024 zonder verklaring heeft stopgezet.
In de nacht van 13 juni 2025 heeft zich vervolgens een incident voorgedaan bij de woning van de zus van de vrouw, waarbij de man volgens de vrouw twee ramen heeft vernield en in gevecht is geraakt met de zwager van de vrouw.
De vrouw weet niet waar de man zich op dit moment bevindt. Zij vermoedt dat hij gedetineerd is, omdat zij op basis van een nieuwsbericht denkt dat hij betrokken is geweest bij een schietpartij in de woning van zijn moeder. Zij maakt zich door alle gebeurtenissen zorgen over haar veiligheid en over de veiligheid van de minderjarige.
De rechtbank is van oordeel dat het gezag van de man moet worden beëindigd omdat dat onder deze omstandigheden in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij het gezamenlijk gezag met de man uitoefent. Er is – mede als gevolg van het contactverbod – geen contact tussen partijen, het is onduidelijk waar de man zich bevindt en hij kampt met verslavingsproblematiek. Hierdoor kan hij het gezag niet uitoefenen. Het is daarmee voor de vrouw feitelijk onmogelijk om gezamenlijk gezagsbeslissingen te nemen, bijvoorbeeld voor het aanvragen van een identiteitskaart of paspoort en het plannen van vakanties. De vrouw heeft de minderjarige al moeten inschrijven op de basisschool, zonder toestemming van de man. Het is in het belang van de minderjarige dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie, zodat de vrouw zelfstandig dergelijke beslissingen kan nemen. De rechtbank zal daarom bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan de vrouw toekomt. Dit sluit ook aan bij het advies van de raad.
Het verzoek van de vrouw wordt dus toegewezen.
Omgang
Omdat het gezag voortaan alleen aan de vrouw toekomt, zal hierna gesproken worden over een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (de omgangsregeling).
De rechtbank stelt voorop dat de regeling zoals opgenomen in het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van 24 mei 2024 (waarin tweewekelijkse contacten zijn afgesproken) nog van kracht is, zodat op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW sprake moet zijn van gewijzigde omstandigheden sinds de totstandkoming van deze regeling, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan..
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.3 uiteen is gezet, is sprake van gewijzigde omstandigheden sinds de totstandkoming van de regeling van 24 mei 2024. Dit betekent dat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen de man en de minderjarige ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige en ook anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Er is al ruim anderhalf jaar geen contact meer geweest tussen de man en de minderjarige, doordat de man zelf het contact heeft gestopt. Er is ook geen enkel zicht op (een geslaagde behandeling van) de ketamineverslaving of op een duurzame verbetering van het contact met de vrouw en de minderjarige.
Onder de huidige omstandigheden mag naar het oordeel van de rechtbank geen omgang tussen de man en de minderjarige plaatsvinden. De rechtbank zal daarom de overeengekomen regeling wijzigen en aan de man het recht op omgang met de minderjarige ontzeggen en wel voor onbepaalde tijd. Niet voorzienbaar is namelijk dat op korte of langere termijn de situatie van de man gaat verbeteren. Ook de raad heeft geadviseerd de omgang te ontzeggen. Uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting begrijpt de rechtbank dat de vrouw de hoop heeft dat in de toekomst weer ruimte zal ontstaan voor contact tussen de man en de minderjarige. Het is positief dat de vrouw die mogelijkheid voor de toekomst niet uitsluit. Voor contact tussen de man en de minderjarige is echter wel noodzakelijk dat de man eerst zijn verslavingsproblematiek onder controle heeft gekregen en ook kan laten zien dat hij op een stabiele en verantwoorde wijze invulling kan geven aan zijn rol als vader. Indien daarvan in de toekomst sprake is, kunnen mogelijkheden ontstaan om het contact tussen de man en de minderjarige op zorgvuldige en geleidelijke manier op te bouwen, onder begeleiding van passende hulpverlening. De rechtbank merkt tot slot op dat elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd, gewijzigd kan worden na verloop van een periode van een jaar nadat de eerdere beschikking in kracht van gewijsde is gegaan
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
wijzigt de van de in het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2024 neergelegde regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht in die zin dat aan de man het recht op omgang met de minderjarige voor onbepaalde tijd wordt ontzegd;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.C.I. Aerden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 23 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.