RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/723241 / JE RK 26-1392 en C/10/723203 / JE RK 26-1386
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. R.F.H. Tamboenan, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.B. Jobse, kantoorhoudende in Rotterdam.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de (spoed)beschikking van 13 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken (geregistreerd onder zaaknummer C/10/723241 / JE RK 26-1392);
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 juli 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum (geregistreerd onder zaaknummer C/723203 / JE RK 26-1386).
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met haar advocaat;
de advocaat van de moeder;
een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, samen met haar advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op een crisisopvang.
Bij beschikking van 1 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 3 juni 2027.
Bij (spoed)beschikking van 13 juli 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 13 juli 2026 tot 10 augustus 2026. De beslissing over het overige deel van het verzoek is aangehouden tot deze zitting.
3. De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van zaaknummer C/10/723241 / JE RK 26-1392
De GI heeft verzocht een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend zes maanden. Hiervan zijn reeds vier weken verleend. Thans dienen de partijen hierop nog te worden gehoord. Over de resterende periode tot 10 februari 2027 moet nog worden beslist. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/723203 / JE RK 26-1386
De GI heeft verzocht een spoedmachtiging tot gesloten jeugdhulp van [minderjarige] te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend een (reguliere) machtiging tot gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden.3.3. Op 14 juli 2026 heeft de piketrechter het verzoek tot een spoedmachtiging, dat zag op een periode van vier weken, afgewezen. De piketrechter heeft wel aanleiding gezien om het resterende deel van het verzoek versneld op een zitting te behandelen.
De GI brengt op de zitting naar voren dat een open plaatsing niet meer passend is voor [minderjarige] . De GI maakt zich grote zorgen over haar veiligheid. De afgelopen periode is geprobeerd om [minderjarige] met duidelijke afspraken op een open groep te laten verblijven. Dit is niet gelukt. [minderjarige] is meerdere keren onder invloed in het ziekenhuis terechtgekomen en loopt geregeld weg. Ook bij [zorginstelling 1] en in de thuissituatie waren er escalaties. In een open setting kan haar destructieve gedrag niet worden voorkomen. [minderjarige] heeft eerst rust en stabiliteit nodig. [zorginstelling 2] kan haar opnemen. Daarna kan onderzoek en behandeling plaatsvinden, onder meer gericht op haar middelengebruik en mentale klachten. De GI kan zich ermee verenigen dat een machtiging tot gesloten jeugdhulp eerst voor drie maanden wordt verleend en de beslissing over de overige drie maanden wordt aangehouden.
4. De standpunten
Namens de moeder wordt op de zitting verklaard dat [minderjarige] passende hulp en behandeling moet krijgen. De moeder laat de keuze tussen een open en gesloten groep aan de kinderrechter. Zij vindt zes maanden te lang, omdat nog niet duidelijk is welke behandeling [minderjarige] nodig heeft. Als een gesloten machtiging wordt verleend, verzoekt de moeder deze tot drie maanden te beperken en het overige deel aan te houden. Dan kan worden beoordeeld of de hulp op gang is gekomen en of de gesloten plaatsing nog nodig is.
Door en namens [minderjarige] wordt op de zitting verzocht de gesloten plaatsing af te wijzen. Er is onvoldoende gebleken dat een gesloten plaatsing het laatste redmiddel is. Er is nog geen diagnose en het is niet duidelijk welke behandeling wordt geboden. [minderjarige] vindt dat onvoldoende naar haar is geluisterd en dat geen duidelijke afspraken met haar zijn gemaakt. Zij wil op haar huidige crisisgroep of op een andere open plek verblijven met duidelijke afspraken. Zij verwacht niet dat [zorginstelling 2] haar kan helpen. Als toch een machtiging tot gesloten jeugdhulp wordt verleend, wordt verzocht de duur te beperken.
5. De beoordeling
Ten aanzien van de machtiging tot gesloten jeugdhulp
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] zijn ernstig. [minderjarige] laat al langere tijd een destructief patroon zien van middelengebruik, weglopen en het zich onttrekken aan afspraken en begeleiding. Ook zijn er zorgen over haar emotieregulatie en schoolverzuim. [minderjarige] is meerdere keren door drugsgebruik in een onveilige situatie terechtgekomen. Kort voor de zitting is zij opnieuw onder invloed door de politie aangetroffen en naar het ziekenhuis gebracht. De afgelopen jaren is veel hulp geboden. [minderjarige] verbleef onder meer op crisisgroepen en op een open groep in [plaats] . Ook zijn gezinsbegeleiding, jeugdcoaching, intensieve ambulante begeleiding en [zorginstelling 1] ingezet. Deze hulp heeft niet geleid tot een blijvende verbetering. Het risicovolle patroon is daardoor niet doorbroken. Eerder is onderzocht of [minderjarige] bij [zorginstelling 3] kon worden geplaatst, maar daar is zij niet aangenomen in verband met onvoldoende motivatie. De open spoedplaatsing vanaf 13 juli 2026 was bedoeld als tijdelijke overbrugging. [minderjarige] kon na haar ontslag uit het ziekenhuis niet veilig naar huis en de moeder kon haar veiligheid niet waarborgen. Een gesloten plaatsing kon toen nog niet worden beoordeeld, omdat nog geen instemmende verklaring van een gedragswetenschapper beschikbaar was. Die verklaring van 14 juli 2026 is inmiddels overgelegd. Ook nu kan [minderjarige] niet veilig worden thuisgeplaatst. De moeder kan haar onvoldoende beschermen en begrenzen en de conflicten lopen snel op. De crisisopvang kan [minderjarige] bovendien niet langer passend begeleiden. De kinderrechter begrijpt dat [minderjarige] vindt dat onvoldoende naar haar is geluisterd. Zij moet daarom goed worden betrokken bij haar behandelplan. Dit neemt niet weg dat een open plaatsing haar op dit moment onvoldoende bescherming biedt.
De kinderrechter vindt een gesloten plaatsing nodig om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de noodzakelijke hulp onttrekt. Tijdens het weglopen is geen zicht op haar veiligheid en ontstaan ernstige medische risico’s en agressief gedrag richting derden. Ook de gekwalificeerde gedragswetenschapper stemt in met de gesloten plaatsing. [minderjarige] heeft een begrensde omgeving nodig om tot rust te komen en te stabiliseren. Daarna moet duidelijk worden welke problematiek speelt en welke behandeling nodig is. Daarbij moet aandacht zijn voor haar middelengebruik, psychische klachten en de band met de moeder.
De kinderrechter verleent de machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Een langere termijn is nu niet passend. Er is nog geen volledig beeld van de onderliggende problematiek van [minderjarige] . Ook is nog niet duidelijk welke behandeling [zorginstelling 2] zal inzetten en wat [minderjarige] precies nodig heeft. Het is van belang dat de behandeling snel start en [minderjarige] moet daarbij worden betrokken. De beslissing over de overige drie maanden wordt aangehouden tot de hierna genoemde zitting. Dan kan worden beoordeeld hoe het met [minderjarige] gaat, welke behandeling is gestart en of de gesloten plaatsing nog nodig is.
De GI wordt verzocht de kinderrechter, met afschrift aan de belanghebbenden, uiterlijk een week vóór de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de actuele stand van zaken.
Ten aanzien van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing 5.6. Nu een machtiging gesloten jeugdhulp wordt verleend, bestaat geen aanleiding meer om het resterende verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing inhoudelijk te beoordelen. De kinderrechter zal het resterende deel van dit verzoek daarom afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/723203 / JE RK 26-1386
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 juli 2026 tot 24 oktober 2026;
wijst af het anders of meer verzochte;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/723241 / JE RK 26-1392
wijst het resterende deel van het verzoek af;
en alvorens verder te beslissen: 6.4. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI met zaaknummer C/10/723203 / JE RK 26-1386 aan en bepaalt dat het verhoor van [minderjarige] en haar advocaat mr. R.F.H. Tamboenan, de GI en de moeder en haar advocaat mr. E.B. Jobse zal plaatsvinden op 14 oktober 2026 om 14:45 uur, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125;
de zaak zal op genoemde zittingsdatum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de belanghebbenden;
verzoekt de GI uiterlijk een week vóór de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.