RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/723638 / JE RK 26-1432
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. Aydogan-Kütük, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[bijzondere curator 1] ,
hierna te noemen: [bijzondere curator 1] ,
kantoorhoudende in Sassenheim,
[bijzondere curator 2] ,
hierna te noemen: [bijzondere curator 2] ,
kantoorhoudende in Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 juli 2026, ontvangen op 21 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] ;
[bijzondere curator 1] (digitaal).
[bijzondere curator 2] is niet verschenen. Hij heeft voorafgaand aan de zitting laten weten verhinderd te zijn.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van [minderjarige] .
2. De feiten
Bij beschikking van 21 oktober 2025 is het gezag van de moeder en de stiefvader beëindigd en is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de GI.
[minderjarige] verblijft op een hybride groep van [zorginstelling 1] .
Bij beschikking van 9 september 2025 zijn [bijzondere curator 2] en [bijzondere curator 1] herbenoemd tot bijzondere curatoren over [minderjarige] tot 29 september 2026.
Bij beschikking van 25 februari 2026 is een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 25 februari 2026 tot 25 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt primair de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt subsidiair de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 13 juli 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. In het hulpverleningsplan ontbreekt de naam van de medewerker die bevoegd is tot het nemen van het besluit tot gesloten plaatsing. Ter zitting is toegelicht dat dit [naam medewerker] is. De GI heeft toegezegd het hulpverleningsplan op dit punt aan te laten vullen, waarmee alle aanwezigen ter zitting hebben ingestemd.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Een voorwaarde voor haar doorstromen naar [zorginstelling 2] is echter dat één-op-één begeleiding wordt afgebouwd. [zorginstelling 2] kan vanwege de personele bezetting de begeleiding die [minderjarige] op dit moment nodig heeft niet bieden. Daarnaast moeten de doelopdrachten worden uitgebreid en afgerond. Het is van belang dat [minderjarige] op laagdrempelige wijze behandeling krijgt, waarbij vanuit een vertrouwensrelatie bijvoorbeeld speltherapie kan worden ingezet.
4. Het standpunt van [minderjarige]
Door en namens [minderjarige] wordt ingestemd met het verzoek, omdat er op dit moment nog geen vervolgplek beschikbaar is. [minderjarige] is teleurgesteld dat zij nog niet kan doorstromen naar [zorginstelling 2] .
5. Het standpunt van [bijzondere curator 1]
De bijzondere curator brengt naar voren dat [zorginstelling 1] niet de plek is waar [minderjarige] hoort te verblijven. Het is daarom wenselijk dat op korte termijn wordt toegewerkt naar haar doorstroom naar [zorginstelling 2] .
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
[minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan.
Er zijn al langere tijd zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] heeft vanwege haar belaste verleden traumaproblematiek. [minderjarige] is ruim twee jaar geleden geplaatst op een gesloten groep van [zorginstelling 1] . Sindsdien heeft [minderjarige] positieve stappen gezet en verblijft inmiddels enige tijd op een hybride groep van [zorginstelling 1] . Hoewel zich nog incidenten voordien, is zichtbaar dat [minderjarige] zich grotendeels aan de gemaakte afspraken houdt en een positieve ontwikkeling doormaakt. [minderjarige] verdient hiervoor een compliment.
De bedoeling is dat [minderjarige] naar een groep van [zorginstelling 2] zal gaan. Voordat [minderjarige] daar kan worden geplaatst, dient zij nog een aantal stappen te doorlopen, waaronder het afbouwen van de één-op-éénbegeleiding en het uitbreiden en afronden van de doelopdrachten. Nu nog niet volledig aan de voorwaarden voor plaatsing bij [zorginstelling 2] wordt voldaan en op dit moment geen andere passende plek beschikbaar is, acht de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk. Ook de gedragswetenschapper heeft hiermee ingestemd. De kinderrechter verlengt de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. De kinderrechter geeft mee dat het van belang is dat [minderjarige] perspectief houdt op de vervolgstap. Wanneer een overstap naar een passende vervolgplek te lang op zich laat wachten, bestaat het risico dat dit haar motivatie en positieve ontwikkeling negatief beïnvloedt. Daarbij weegt mee dat [minderjarige] al geruime tijd op [zorginstelling 1] verblijft en dat een langdurig verblijf zonder duidelijk perspectief op doorstroom, niet in haar belang is.
De komende periode dient te worden benut om de noodzakelijke stappen te zetten, zodat een stabiele en zorgvuldige overgang naar [zorginstelling 2] kan plaatsvinden. Indien [minderjarige] eerder voldoet aan de voorwaarden voor plaatsing bij [zorginstelling 2] , dient voortvarend te worden toegewerkt naar haar doorstroom naar deze vervolgplek.
Nu de voogdij over [minderjarige] bij de GI berust, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 25 juli 2026 tot 25 januari 2027, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 5 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.