ECLI:NL:RBROT:2026:10472

ECLI:NL:RBROT:2026:10472

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/10/723781 / JE RK 26-1446
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De situatie thuis is verder geëscaleerd en de ingezette hulpverlening heeft onvoldoende verbetering gebracht. De machtiging wordt voor kortere duur verleend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/723781 / JE RK 26-1446

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.J.M. Vélu, kantoorhoudende in Rotterdam,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was bij de uitspraak aanwezig.

2. De feiten

De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

Bij beschikking van 9 juli 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 juli 2027.

3. Het verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De huidige dynamiek binnen het gezin moet worden doorbroken. In de thuissituatie is ambulante hulpverlening vanuit Youth Care betrokken. Vanuit deze hulpverlening wordt gezien dat het de moeder onvoldoende lukt om de opvoedsituatie met de kinderen te dragen. Tijdens de vorige zitting (9 juli 2026) is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor het zusje van [minderjarige] . Zij staat hiervoor nog op de wachtlijst bij [zorginstelling 1] , waardoor een plaatsing op zijn vroegst in september mogelijk is. Mede hierdoor is de beoogde rust in de thuissituatie nog niet ontstaan. [minderjarige] kan per direct terecht bij [zorginstelling 2] . Dit betreft een crisisgroep in [plaats] , maar deze plek biedt tevens een opgroeiperspectief. Daarbij is het positief dat [minderjarige] op zijn huidige school kan blijven.

4. Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De afgelopen weken is de situatie opnieuw ernstig geëscaleerd, waarbij sprake was van schreeuwen, schelden, weglopen en het vernielen van spullen door de kinderen. In de thuissituatie zijn daarnaast een baby en een zesjarige jongen aanwezig. De zesjarige jongen neemt het gedrag van de andere kinderen over. De moeder is radeloos en ervaart de situatie thuis als onhoudbaar. De ambulante hulpverlening blijkt onvoldoende toereikend. Hoewel een plaatsing van [minderjarige] elders de moeder zwaar valt, is dit in het belang van [minderjarige] . Het afwachten van een eventuele plaatsing van het zusje elders biedt onvoldoende oplossing, omdat dit de huidige zorgen en escalaties niet zal wegnemen. De moeder geeft aan de zorg voor de kinderen niet langer aan te kunnen en de huidige situatie niet meer te willen voortzetten.

5. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

Tijdens de zitting van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter de beslissing op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangehouden tot de zitting van 7 oktober 2026. Daarbij heeft de kinderrechter meegewogen dat het de bedoeling was dat het zusje van [minderjarige] , [zus minderjarige] , uit huis zou worden geplaatst, zodat meer rust in de thuissituatie zou ontstaan. Daarnaast zou intensieve ambulante hulpverlening worden ingezet. De situatie is in de tussentijd echter verder geëscaleerd. Binnen het gezin is sprake van aanhoudende onrust en escalaties. Zowel [minderjarige] als [zus minderjarige] laten zorgelijk gedrag zien. Dit hangt samen met hun belaste voorgeschiedenis. De ingezette ambulante hulpverlening heeft hierin onvoldoende verbetering kunnen brengen. Daarbij komt dat [zus minderjarige] vanwege wachtlijstproblematiek nog altijd thuis verblijft. Hierdoor is de beoogde rust in de thuissituatie uitgebleven.

De kinderrechter heeft op 9 juli 2026 overwogen dat een nieuwe uithuisplaatsing, gelet op de vele eerdere plaatsingen van [minderjarige] , schadelijk voor hem is. Dat vindt de kinderrechter nog steeds. Het is op dit moment echter kiezen uit twee slechte oplossingen: thuis met alle zorgen van dien, of een uithuisplaatsing, ook met alle zorgen van dien. De huidige omstandigheden maken dat [minderjarige] op dit moment niet thuis kan blijven en inmiddels is een plaats beschikbaar gekomen bij [zorginstelling 3] . Hoewel dit een crisisgroep betreft, biedt deze plek tevens perspectief op een langer verblijf indien dit noodzakelijk blijkt. Daarnaast hoeft [minderjarige] niet van school te wisselen. Alles afwegend is de kinderrechter van oordeel dat deze uithuisplaatsing, ook vanwege het perspectief op een langer verblijf, de minst slechte optie is.

De kinderrechter ziet aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlenen dan verzocht. Hoewel een uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment noodzakelijk is, acht de kinderrechter het van belang de komende periode te benutten om te bezien hoe de situatie zich ontwikkelt. De omstandigheden kunnen immers de komende maanden veranderen. De zomervakantie eindigt, [minderjarige] gaat weer naar school en mogelijk komt er een plaats beschikbaar voor [zus minderjarige] . De kinderrechter zal de behandeling van het overige verzochte daarom aanhouden tot de reeds geplande zitting van 7 oktober 2026, zodat de situatie op dat moment opnieuw kan worden beoordeeld.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 juli 2026 tot 10 oktober 2026;

en alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder met haar advocaat en de vader op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A.M.I. Van der Does van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 7 oktober 2026 te 16:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek met de kinderrechter;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 5 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.S.E. Pronk als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand