ECLI:NL:RBROT:2026:10474

ECLI:NL:RBROT:2026:10474

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/10/703122 / FA RK 25-5301
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding, voortgezet gebruik echtelijke woning, gebruiksvergoeding, partnerbijdrage (geen verdiencapaciteit, aan zijde man rekening gehouden met alle eigenaarslasten), de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers:

C/10/703122 / FA RK 25-5301 echtscheiding en nevenvoorzieningen

C/10/707590 / FA RK 25-7408 verdeling

C/10/716242 / FA RK 26-1959 voorlopige voorzieningen

Beschikking van 24 juli 2026 over de echtscheiding, de nevenvoorzieningen, de verdeling en de voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam 1] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. R. de Vries te Ede,

t e g e n

[naam 2] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk.

1. De procedure

Het verloop van de procedure C/10/703122 / FA RK 25-5301 en C/10/707590 / FA RK 25-7408 blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 11 juli 2025;

de gewijzigde / aanvullende verzoeken van de man, ingekomen op 1 september 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen op 30 september 2025;

het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 17 oktober 2025;

het aanvullende verzoekschrift tevens aanvullend verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 mei 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 26 juni 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 2 juli 2026.

Het verloop van de procedure C/10/716242 / FA RK 26-1959 blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 maart 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 26 juni 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 2 juli 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 9 juli 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man op verzoek van de rechtbank alsnog productie 3 overgelegd, aangezien deze productie niet in het digitale dossier aanwezig was.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [trouwdag] 1999.

3. De beoordeling

Scheiding

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Onderhoudsbijdrage

De vrouw verzoekt zowel in de voorlopige voorzieningen procedure als in de echtscheidingsprocedure een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 1.833,- bruto per maand vast te stellen.

De man voert gemotiveerd verweer.

De ingangsdatum en de proceskostenveroordeling

Partijen hebben tijdens de mondeling behandeling overeenstemming bereikt over de ingangsdatum in het kader van het verzoek van de vrouw in de voorlopige voorzieningen procedure; de ingangsdatum zal de datum van deze beschikking zijn. De man heeft in ruil daarvoor zijn verzoek in het kader van de proceskostenveroordeling in de voorlopige voorzieningen ingetrokken. Nu de man zijn verzoek heeft ingetrokken, hoeft de rechtbank niet meer te beslissen op dit verzoek.

Uit het systeem van de wet volgt dat partnerbijdrage in het kader van de echtscheidingsprocedure niet eerder kan ingaan dan de dag waarop de echtscheiding tot stand is gekomen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In de echtscheidingsprocedure gaat de rechtbank daarom uit van deze ingangsdatum.

De behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De vrouw stelt haar behoeft aan de hand van een behoeftelijst vast op een bedrag van € 1.476,34 netto ofwel € 2.297,80 bruto per maand voor de periode dat zij nog in de echtelijke woning woont. Vanaf het moment dat de echtelijke woning is verkocht en de vrouw in een huurwoning woont, stelt zij haar behoefte aan de hand van een behoeftelijst vast op een bedrag van € 1.976,34 netto per maand. Een bruto behoefte heeft zij niet gesteld. De man voert aan dat het besteedbaar gezinsinkomen € 4.535,- netto per maand is, waarna de behoefte van de vrouw op grond van de hofnorm € 2.721,- netto per maand bedraagt. Tijdens de zitting heeft de man te kennen gegeven dat uitgegaan moet worden van de behoeftelijst van de vrouw, omdat deze behoefte op een lager bedrag uitkomt dan de door hem gestelde behoefte.

Omdat de vrouw de verzoekende partij is en het op haar weg ligt om haar behoefte te onderbouwen en de man geen verweer voert tegen de door haar gestelde behoefte, zal de rechtbank uitgaan van behoeftelijst van de vrouw. De behoefte van de vrouw voor de periode dat zij nog in de echtelijke woning woont is daarom € 2.297,80 bruto per maand. De rechtbank laat in het middel hoe hoog de bruto behoefte van de vrouw is na verkoop van de echtelijke woning, aangezien bij de draagkrachtberekening zal blijken dat de draagkracht van de man de beperkende factor vormt.

Behoeftigheid

De man voert aan dat de vrouw in eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw betwist dit gemotiveerd.

De rechtbank overweegt dat de vrouw voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij, gezien haar leeftijd (52 jaar) in combinatie met haar opleidingsniveau (de vrouw heeft geen diploma’s), de situatie op de arbeidsmarkt (zij heeft nooit aan het arbeidsproces deelgenomen mede omdat partijen er tijdens het huwelijk over eens waren dat zij thuis voor de minderjarige kinderen zou zorgen) en de omstandigheid dat de vrouw al lange tijd de nodige gezondheidsproblemen heeft, niet in staat is door arbeid inkomsten te verwerven. Ten aanzien van de gezondheid van de vrouw overweegt de rechtbank dat zij onweersproken heeft gesteld dat zij vanaf 15 jarige leeftijd niet kan werken vanwege artrose/reuma en dat partijen destijds door artsen zijn geadviseerd om op jonge leeftijd aan kinderen te beginnen, omdat bij langer wachten de kans op het krijgen van kinderen vanwege de gezondheid van de vrouw zeer klein werd. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling medische informatie verstrekt vanuit haar huisarts (productie 1 in de echtscheidingsprocedure). Uit deze informatie blijkt dat de vrouw reuma en diabetes type 2 heeft. Als productie 1 in de voorlopige voorzieningenprocedure, heeft de vrouw correspondentie tussen de huisarts en het Maasstad Ziekenhuis overgelegd. Uit deze correspondentie blijkt dat de vrouw PCOS, hypertensie, fibromyalgie, diabetes en een hernia heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken de vele gezondheidsproblemen van de vrouw onderbouwen. Ook heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat zij in het verleden vrijwilligerswerk heeft gedaan, maar dat ook dit werk vanwege haar gezondheidsklachten niet mogelijk was. Het verweer van de man dat meer mensen met reuma werken en dat de vrouw geen (andere) stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij niet kan werken, doet niets aan het oordeel van de rechtbank af. Daarom zal geen rekening worden gehouden met een fictief inkomen van de vrouw.

De draagkrachtberekening voor de periode dat de vrouw in echtelijke woning woont en de man alle eigenaarslasten voldoet

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het Alimentatierapport, rekening houdende met de tarieven 2026-2.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 4.771,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 5.559,- per maand ofwel € 66.708,- per jaar;

- vakantiegeld 8% op jaarbasis ofwel € 5.336,- per jaar;

- schematoeslag € 1.668,- per maand ofwel € 20.016,- per jaar

- pensioenpremie € 343,- per maand ofwel € 4.116,- per jaar;

- aanvullende pensioenpremie € 9,- per maand ofwel € 108,- per jaar;

- premie arbeidsongeschiktheid € 5,- per maand ofwel € 60,- per jaar.

De bovenstaande inkomensgegevens zijn tussen partijen niet in geschil.

Eigenwoningforfait (hierna EWF):

post 82a het eigen aandeel EWF van de onverdeelde eigen woning van € 716,- per jaar;

post 92a aandeel EWF als betaalde partnerbijdrage in natura (woongenot) minus € 716,- per jaar.

Wanneer men een eigen woning heeft, moet er een bedrag bij het belastbaar inkomen worden geteld, namelijk het EWF. Dit is een percentage van de WOZ waarde van de eigen woning. Gedurende de eerste 24 maanden nadat de vertrokken partner de echtelijke woning duurzaam heeft verlaten, wordt ieder voor de helft van het EWF belast. De man gaat er in zijn draagkrachtberekening vanuit dat hij als vertrekkende partner de hele woning voor niets aan de vrouw als achterblijvende partner ter beschikking stelt (gelet op de keuze zoals gemaakt in zijn berekening). De vrouw heeft dan ook het woongenot van het deel van de woning van de man. De waarde van deze ter beschikkingstelling wordt gewaardeerd op 50% van het EWF. Deze 50% van het EWF wordt door de man weer afgetrokken in de vorm van partneralimentatie. Bij de vrouw wordt dus zowel het eigen deel van het EWF (50%) belast, maar ook voor het door de man ter beschikking gestelde deel (de andere 50% van het eigenwoningforfait) en wel onder de noemer ontvangen partneralimentatie (in natura), hetgeen in de berekening in de posten 82a en 92a is verwerkt.

Rente:

- post 83a het eigen aandeel van de hypotheekrente van de man in verband met scheidingsregeling van € 243,- bruto per maand ofwel € 2.916,- per jaar.

Dit bedrag is bij deze post ingevuld zodat onder de streep de hypotheekrenteaftrek kan worden berekend. Anders dan het lijkt, wordt bij de berekening van het NBI van de man geen rekening gehouden met dit bedrag.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

De draagkracht van de man moet, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank uitgebreid met partijen besproken of de man alle eigenaarslasten moet voldoen, wat op zijn draagkracht drukt en tot uitdrukking komt in een lagere partnerbijdrage of dat de vrouw de eigenaarslasten moet voldoen waardoor de eigenaarslasten niet op de draagkracht van de man drukken en tot uitdrukking komt in een hogere door hem te betalen partnerbijdrage. Partijen hebben hier geen overeenstemming over bereikt. Partijen hebben te kennen gegeven dat de rechtbank een beslissing moet nemen over de verdeling van de lasten van de echtelijke woning en de ‘kale huur’ die de man aan zijn zus betaalt. De rechtbank is van oordeel dat de huidige situatie tot de verkoop van de woning voort moet worden gezet en dat de man dus tot die tijd alle eigenaarslasten moet blijven betalen. De rechtbank zal daarom rekening houden met deze betalingsverplichting door in de formule de forfaitaire woonlast buiten beschouwing te laten en het draagkrachtloos inkomen te verhogen met het saldo van de huidige daadwerkelijke maandelijkse woonlast van de man van € 1.651,- per maand, welk bedrag als volgt is berekend:

€ 500,- aan ‘kale huur’. De rechtbank gaat gelet op de onderbouwde stelling van de man voorbij aan het verweer van de vrouw ten aanzien van dit bedrag dat de man betaald aan zijn zus voor het verblijf in haar woning. Gebleken is dat de man op het adres van zijn zus staat ingeschreven. De man heeft te kennen gegeven dat hij bij zijn zus verblijft als hij geen nachtdiensten werkt en dat hij bij zijn nieuwe partner verblijft als hij wel nachtdiensten werkt, omdat de afstand van zijn werk naar de woning van zijn zus te groot is om na een nachtdienst heen te rijden. Daarnaast blijkt uit productie 7 en productie 10, overgelegd in de echtscheidingsprocedure, dat hij dit bedrag aan zijn zus voldoet;

€ 243,- eigen aandeel hypotheekrente man waarvan € 91,- aan hypotheekrenteaftrek in mindering wordt gebracht;

€ 842,- totale hypotheekaflossing voor de man en de vrouw. Zoals hiervoor is geoordeeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de man de aflossing (ook) namens de vrouw aan de hypotheekverstrekker blijft voldoen. De man stelt dat bij de draagkrachtberekening en bij de verdeling van de overwaarde na verkoop van de woning rekening moet worden gehouden met deze eigenaarslast. De vrouw voert aan dat bij de gebruiksvergoeding en bij de verrekening van de overwaarde rekening moet worden gehouden met deze last. De rechtbank heeft uitgebreid met partijen gesproken over de verdeling van de eigenaarslasten en de gevolgen daarvan. Omdat partijen de beslissing over de verdeling van de woonlasten bij de rechtbank hebben weggelegd, zal de rechtbank alleen bij deze draagkrachtberekening rekening houden met deze last, aangezien deze eigenaarslast op de maandelijkse draagkracht van de man drukt. Hierdoor heeft de man maandelijks minder tot zijn beschikking. Wanneer, zoals de man stelt, zowel bij de draagkrachtberekening als bij de verdeling van de overwaarde rekening wordt gehouden met deze last, zal sprake zijn een dubbeltelling. De vrouw zal dan als het ware twee keer betalen voor haar deel van de eigenaarslasten als zij én nu minder partnerbijdrage ontvangt én nog kan worden aangesproken op grond van een regresvordering in de vorm van een gebruiksvergoeding of een lagere overwaarde;

€ 70,- onroerendzaakbelasting, € 16,- voor de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij de ASR en € 71,- per maand te betalen aan Fidus voor de verzekeringen (exclusief de autoverzekering). De man stelt dat bij de draagkrachtberekening en bij de gebruiksvergoeding rekening moet worden gehouden met deze eigenaarslasten. De vrouw voert aan dat bij de gebruiksvergoeding rekening moet worden gehouden met deze lasten. De rechtbank zal alleen bij de draagkrachtberekening rekening houden met deze eigenaarslasten om dubbelteling te voorkomen en verwijst hiervoor naar bovengenoemde motivering.

De draagkracht van de man bedraagt dus 60% x [€ 4.771 - (€ 1.365 + 1.651)] = € 1.053,- per maand. Op deze draagkracht wordt post 138, te weten de betaalde hypotheekrente voor de vrouw in de vorm van partnerbijdrage van € 152,- (te weten € 243,- per maand rente minus het fiscaal voordeel in verband met de betaalde rente in de vorm van alimentatie voor de vrouw) in mindering gebracht. De beschikbare draagkracht van de man is uiteindelijk € 901,- netto per maand.

Geen rekening is gehouden met:

- met het bedrag van € 100,- per maand voor de kosten van de hond van partijen. Gelet op het verweer van de vrouw heeft dit tot gevolg dat de kosten voor de hond van partijen volledig voor rekening van de vrouw komen.

Er resteert een bedrag van € 901,- netto per maand, ofwel € 1.443,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Derhalve is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.443,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen. Er wordt geen inkomensvergelijking gemaakt, aangezien de vrouw geen inkomen heeft.

De draagkrachtberekening na verkoop van de echtelijke woning

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het Alimentatierapport, rekening houdende met de tarieven 2026-2.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 4.778,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 5.559,- per maand ofwel € 66.708,- per jaar;

- vakantiegeld 8% op jaarbasis ofwel € 5.336,- per jaar;

- schematoeslag € 1.668,- per maand ofwel € 20.016,- per jaar

- pensioenpremie € 343,- per maand ofwel € 4.116,- per jaar;

- aanvullende pensioenpremie € 9,- per maand ofwel € 108,- per jaar;

- premie arbeidsongeschiktheid € 5,- per maand ofwel € 60,- per jaar.

De bovenstaande inkomensgegevens zijn tussen partijen niet in geschil.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Draagkrachtberekening

De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.188,- per maand. Geen rekening wordt gehouden met het door de man opgevoerde bedrag van € 100,- per maand voor de kosten van de hond van partijen. Dit heeft tot gevolg dat de kosten voor de hond van partijen volledig voor rekening van de vrouw komen.

Conclusie

Er resteert een bedrag van € 1.188,- netto per maand, ofwel € 1.902,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Nu de vrouw evenwel een uitkering tot levensonderhoud heeft verzocht van € 1.833,- bruto per maand zal de rechtbank bepalen dat zij aanspraak maakt op betaling van dit bedrag. Er wordt geen inkomensvergelijking gemaakt, aangezien de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw geen inkomen heeft.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Voortgezet gebruik echtelijke woning en gebruiksvergoeding echtelijke woning

De vrouw verzoekt:

voor zover het ziet op de voorlopige voorziening: dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de man te bevelen die woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden;

voor zover het ziet op de nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure: het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden.

De man voert geen verweer tegen het uitsluitend gebruik van de woning en het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw. Hij voert wel verweer tegen het gedeelte dat ziet op het bevel om de woning te verlaten en niet meer te betreden.

Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen. Vóór inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vindt het uitsluitende gebruik zijn grond in artikel 822 lid 1 Rv (de voorlopige voorzieningen). Vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot zes maanden daarna is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gebaseerd op art. 1:165 BW.

Het verzoek van de vrouw voorzover dit ziet op het bevel aan de man om de woning te verlaten en hem te verbieden die woning verder te betreden, zal worden afgewezen. Gebleken is dat de man de woning al in 2025 heeft verlaten en dat hij de woning niet meer betreedt. Vanwege het gebrek aan belang wordt dit gedeelte van het verzoek van de vrouw afgewezen.

De man verzoekt bij zelfstandig verzoek:

I. te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 11 juli 2025, de helft van de eigenaarslasten van in totaal € 786,94 per maand aan hem betaalt tot aan de levering van de woning aan een derde;

II. te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, zijnde 11 juli 2025, een gebruikersvergoeding aan hem betaalt gelijk aan de helft van de eigenaarslasten van de woning dan wel subsidiair € 500,- per maand.

De vrouw voert verweer.

De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken I. en II. van de man in twee periodes zijn te onderscheiden.

De eerste periode ziet op periode vanaf de datum van indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding (op 11 juli 2025) tot de datum van ontbinding van het huwelijk (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand).

De tweede periode ziet op de periode vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk (datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) tot datum levering van de woning aan een derde.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de verzoeken I. en II. van de man de beslissing over de door hem voor de vrouw betaalde aflossing op de hypotheek niet mee, aangezien deze betalingen vermogensvormend zijn. In het kader van de verdeling zal de rechtbank hierover beslissen.

De eerste periode

Ten aanzien van de eerste periode oordeelt de rechtbank als volgt. Anders dan de man stelt, kan de grondslag voor zijn verzoek onder I. ten aanzien van deze eigenaarslasten niet artikel 3:172 BW zijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat onder dit artikel alleen de kosten van onderhoud (bijvoorbeeld reparaties aan woning zoals loodgieter of kapotte ruit) en instandhouding (bijvoorbeeld schilderwerk)van de gemeenschappelijke woning vallen. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de eigenaarslasten genoemd onder verzoek I. in de eerste periode onder artikel 1:81 jo. 1:84 BW. Op grond van deze artikelen komen de kosten van de huishouding van echtgenoten naar evenredigheid van hun inkomens en vermogen voor rekening van hen samen. De eigenaarslasten en gebruikerslasten, voor zover die niet vermogensvormend zijn (aflossing hypotheek), zijn kosten van de huishouding. Een en ander vloeit voort uit de lotsverbondenheid die de huwelijkse band tussen echtgenoten meebrengt. Voor zover de man heeft willen betogen dat de (niet-vermogensvormende) eigenaarslasten die hij heeft betaald, niet conform artikel 1:84 BW zijn gedaan, heeft hij zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. In dat kader is van belang dat alleen de man een inkomen verdient. Van vermogen bij een van partijen is niet gebleken. De kosten van de huishouding komen daarom volledig voor rekening van het inkomen van de man. Bovendien is gebleken dat partijen destijds afspraken hebben gemaakt over de kosten van de echtelijke woning, waarbij de vrouw de gebruikerslasten voor haar rekening neemt en deze voldoet uit het bedrag dat ze van de man steeds heeft ontvangen en de man de eigenaarslasten draagt, en gebleken is dat die afspraken ook zijn nagekomen. De man heeft niet aangevoerd waarom hij op die afspraken terug zou mogen komen. Verzoek I. van de man voor de eerste periode wordt daarom afgewezen.

Verzoek II. van de man voor de eerste periode wordt eveneens afgewezen. Het hier geschetste juridisch kader staat er tevens aan in de weg dat voordat het huwelijk is ontbonden een gebruiksvergoeding wordt bepaald die de ene echtgenoot aan de andere zou moeten betalen. De rechtbank oordeelt dat voor deze periode artikel 1:165 BW naar de letter van de wet nog niet geldt en niet valt in te zien waarom voor deze periode artikel 3:169 BW voorrang zou hebben op artikel 1:81 BW.

Alles overzien worden verzoeken I. en II. van de man voor de eerste periode afgewezen.

De tweede periode

Ten aanzien van de tweede periode oordeelt de rechtbank als volgt. Ook hier kan, anders dan de man stelt, de grondslag voor zijn verzoek onder I. ten aanzien van deze eigenaarslasten niet artikel 3:172 BW zijn. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de eigenaarslasten genoemd onder verzoek I. in de tweede periode onder artikel 6:10 BW. Op grond van dit artikel zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld (zowel een hypothecaire schuld als een schuld vanwege eigenaarslasten) dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Voor de bepaling in hoeverre de schuld ieder van de schuldenaren aangaat, zijn geen algemene regels te geven. Als een partij kan onderbouwen dat hij of zij meer dan zijn aandeel in de eigenaarslasten heeft betaald uit privévermogen, dan heeft die partij in beginsel een regresrecht op grond van artikel 6:10 BW. Omdat de man namens de vrouw de hypotheekaflossing betaalt en hiermee in het kader van de partnerbijdrage bij de draagkrachtberekening aan de zijde van de man rekening is gehouden waardoor zijn draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage daalt, heeft hij op deze manier niet meer betaald dan hem in de interne verhouding aangaat. De man heeft daarom op grond van artikel 6:10 lid 2 BW geen regresvordering op de vrouw.

Verzoek II. van de man voor de tweede periode wordt eveneens afgewezen. Als de rechtbank bepaalt dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan de man moet betalen gelijk aan de helft van de eigenaarslasten van de woning dan wel € 500,- per maand, heeft deze beslissing invloed op de draagkracht van de man bij de berekenende partnerbijdrage. Deze gebruiksvergoeding kan dan als inkomen worden gezien wat zijn draagkracht verhoogt, waardoor de man een hogere partnerbijdrage zou kunnen betalen. Uiteindelijk komt dit neer op ‘vestzak broekzak’ en maakt dit feitelijk geen verschil.

Alles overzien worden verzoeken I. en II. van de man voor de tweede periode afgewezen.

Verdeling

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

De man verzoekt:

- ten aanzien van de woning aan de [adres] te bepalen dat de woning zal worden verkocht aan een derde conform het “spoorboekje”;

- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vrouw in gebreke blijft mee te werken aan de handelingen die nodig zijn voor de verkoop van de woning zoals bepaald in deze beschikking, tot een maximum van € 25.000,-.

De vrouw verzoekt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te gelasten op de door haar onder de randnummers 27 en 29 in het aanvullend verzoekschrift tevens aanvullend verweerschrift voorgestelde wijze.

Wettelijke peildata

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de hierna omschreven bestanddelen.

De echtelijke woning

De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het onverdeeld laten van de echtelijke woning ingetrokken. Dit heeft tot gevolg dat partijen het erover eens zijn dat de echtelijke woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht. De woning zal worden verkocht aan een derde via het ‘spoorboekje’ zoals hierna in het dictum vermeld. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de levering van de echtelijke woning aan een derde de termijn zoals genoemd in rechtsoverweging 4.7 in acht moet worden genomen, tenzij de vrouw eerder een (huur)woning tot haar beschikking heeft waar zij in kan gaan wonen.

Ten aanzien van de verdeling van de overwaarde in het kader van de door de man betaalde aflossing op de hypotheek (te weten de eigenaarslasten die vermogensvormend zijn) overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de door de man voor de vrouw betaalde aflossing op de hypotheek vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift tot de datum van deze beschikking wordt verrekend bij verkoop van de echtelijke woning. De man heeft voor die periode conform de afspraak van partijen een regresvordering op de vrouw.

De rechtbank is van oordeel dat de door de man voor de vrouw betaalde hypotheekaflossing vanaf de datum van deze beschikking tot de datum niet meer bij de verkoop van de echtelijke woning mag worden verrekend. Hoewel deze aflossing vermogensvormend is en niet onder de kosten van de huishouding vallen, is er in het kader van de partnerbijdrage bij de draagkrachtberekening aan de zijde van de man rekening gehouden met de aflossing die de man voor de vrouw betaalt (waardoor zijn draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage lager wordt). Zoals in rechtsoverweging 3.2.12 is overwogen hebben partijen te kennen gegeven dat de rechtbank een beslissing moet nemen over de verdeling van de lasten van de echtelijke woning. De rechtbank is van oordeel dat dit mede tot gevolg heeft dat de man bij de verkoop van de echtelijke woning geen regresvordering op de vrouw heeft voor de door hem voor de vrouw betaalde aflossing vanaf de datum van deze beschikking tot de datum van verkoop van de echtelijke woning.

De inboedelgoederen

Partijen zijn het erover eens dat aan de man wordt toegedeeld zijn gereedschap (gedeeltelijk al meegenomen), zijn whiskyverzameling (gedeeltelijk al meegenomen) en de BBQ. De overige inboedelgoederen worden toegedeeld aan de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de man samen met vriend [naam 3] op zaterdag 18 juli 2026 om 10.00 uur de aan hem toegedeelde inboedelgoederen zou komen ophalen. De rechtbank gaat ervan uit dat de overdracht van bovengenoemde goederen aan de man inmiddels heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt de afspraak van partijen in het dictum op.

De saldi op de bankrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen de op zijn of haar naam staande bankrekeningen zal voortzetten, zonder nadere verrekening van de saldi. De rechtbank neemt de afspraak van partijen in het dictum op.

De personenauto van het merk Mitsubishi

Partijen zijn het erover dat aan de man de auto van het merk Mitsubishi wordt toegedeeld tegen een waarde van € 6.550,- onder de verplichting de helft van die waarde, zijnde € 3.250,-, aan de vrouw te voldoen. De rechtbank neemt de afspraak van partijen in het dictum op.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaaknummer C/10/716242 / FA RK 26-1959 (de voorlopige voorzieningen)

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 1.443,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen (waarbij de man alle eigenaarslasten blijft voldoen en de vrouw alle gebruikerslasten);

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met de zaaknummers C/10/703122 / FA RK 25-5301 en C/10/707590 / FA RK 25-7408

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [trouwdag] 1999 te Rotterdam;

kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe:

voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot de datum van de verkoop van de echtelijke woning aan een derde van € 1.443,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen (waarbij de man alle eigenaarslasten blijft voldoen en de vrouw alle gebruikerslasten);

vanaf de datum van de verkoop van de echtelijke woning aan een derde (welke datum niet gelegen kan zijn voor de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot de datum van de verkoop van de echtelijke woning) van € 1.833,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] , die aan de man onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

gelast de wijze van de verdeling van de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire schuld als volgt:

Binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:

invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,

aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;

betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,

leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

meewerken aan geplande bezichtigingen,

zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,

alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,

het tekenen van de koopovereenkomst,

het meewerken aan de levering van de echtelijke woning aan een derde via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn; waarbij de termijn van zes maanden genoemd onder rechtsoverweging 4.7 in acht wordt genomen, tenzij de vrouw eerder een (huur)woning tot haar beschikking heeft waar zij in kan gaan wonen.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,

in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,

partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,

als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,

met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk rekening houdende met het regresrecht dat de man op de vrouw heeft zoals genoemd in rechtsoverweging 3.4.7.

neemt op de onderlinge regelingen die partijen over de verdeling van de inboedelgoederen, de saldi van de bankrekeningen en de personenauto hebben getroffen, te weten:

- aan de man wordt toegedeeld zijn gereedschap, zijn whiskyverzameling en de BBQ;

- aan de vrouw worden de overige inboedelgoederen toegedeeld;

- ieder van partijen zet de op zijn of haar naam staande bankrekeningen voort, zonder nadere verrekening van de saldi;

- de personenauto van het merk Mitsubishi wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 6.550,- onder de verplichting de helft van die waarde, zijnde € 3.250,-, aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en de partnerbijdrage;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 24 juli 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H.L. van Dijkman

Griffier

  • mr. N.A.J.M. Rasenberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand