ECLI:NL:RBROT:2026:10490

ECLI:NL:RBROT:2026:10490

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer FT RK 25/2212
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen. De rechtbank ziet in de aard en achtergrond van de vordering van een privépersoon aanleiding om kritisch te toetsen of die vordering binnen de driejaarstermijn te goeder trouw onbetaald is gelaten. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit niet het geval is. Bovendien zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die toelating alsnog rechtvaardigen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 4 maart 2026

[verzoeker] ,

[straatnaam]

[postcode] [woonplaats],

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 9 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot

toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp).

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op

24 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:

- de heer [verzoeker], verzoeker;

- mevrouw [naam 1], schuldhulpverlening;

- de heer [naam 2], collega van mevrouw [naam 1].

Schuldhulpverlening heeft namens verzoeker voorafgaand aan de zitting

aanvullende stukken toegezonden.

Verzoeker heeft op de zitting aanvullende stukken overgelegd.

De rechtbank heeft de datum van de uitspraak bepaald op 4 maart 2026.

2. De feiten

Verzoeker werkt fulltime bij [bedrijf] (het bedrijf van zijn

zoon) en ontvangt per januari 2026 een inkomen van € 2.350,04 per maand.

Verzoeker heeft volgens de berekening van het vrij te laten bedrag een

afloscapaciteit van ongeveer € 800,00 per maand. De beslagvrije voet bedraagt

€ 1.590,00.

Verzoeker heeft van juni 2025 tot en met januari 2026 aflossingen verricht ten

behoeve van zijn schuldeisers. In totaal heeft verzoeker een bedrag van € 6.298,94

gespaard voor zijn schuldeisers.

Verzoeker heeft twee schuldeisers, te weten: [naam 3] met een vordering van

€ 50.220,72 en ING Bank N.V. met een vordering van € 571.324,10. In totaal

bedraagt de schuldenlast € 621.544,82.

[naam 3] heeft op 18 maart 2025 loonbeslag gelegd. [naam 3] heeft tot op heden geen afdrachten mogen ontvangen. De werkgever van verzoeker heeft het beslag niet uitgevoerd. In plaats daarvan heeft verzoeker vanaf juni 2025 via schuldhulpverlening gespaard voor zijn schuldeisers.

3. De beoordeling

De goede trouw-toets

Verzoeker kan alleen worden toegelaten tot de wsnp als hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker moet voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Het verzoek tot toelating tot de wsnp wordt afgewezen

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Het verzoek tot toelating tot de wsnp wordt daarom afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

De schuld aan [naam 3] is niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten

Op de schuldenlijst van verzoeker staat een schuld aan [naam 3] van

€ 50.220,72. Deze schuld is niet te goeder trouw ontstaan. Verzoeker heeft namelijk voor [naam 3] in oktober 2022 een auto (Mustang) verkocht via een veilinghuis, terwijl hij wist dat het veilinghuis een vordering op hem had. Daarmee heeft hij het risico aanvaard dat het veilinghuis kon gaan verrekenen. Dat is vervolgens ook gebeurd, waardoor verzoeker [naam 3] niet meer (volledig) kon betalen.

De vordering van [naam 3] is weliswaar net buiten de driejaarstermijn (als bedoeld in artikel 288, eerste lid, Fw) ontstaan, aangezien de vordering in oktober 2022 is ontstaan en het verzoekschrift tot toepassing van de Wsnp in december 2025 is ingediend; het betreft wel een aanzienlijke vordering van een privépersoon. De rechtbank ziet in de aard en achtergrond van de vordering aanleiding om kritisch te toetsen of de vordering van [naam 3] binnen de driejaarstermijn te goeder trouw onbetaald is gelaten.

Gebleken is, dat dat niet het geval is. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij de vordering onbetaald heeft gelaten omdat (i) [naam 3] een deurwaarder op hem af heeft gestuurd en een procedure tegen hem is begonnen en (ii) hij met de opbrengst van die auto na verrekening in de afgelopen drie jaar “andere” schuldeisers heeft betaald. Daaruit volgt dat verzoeker [naam 3] doelbewust onbetaald heeft gelaten. Het voorgaande verklaart ook waarom verzoeker (nog) maar twee schuldeisers heeft, te weten: ING Bank N.V. en [naam 3]. Verzoeker heeft thans geen geld meer om deze twee schuldeisers te betalen.

Daarnaast heeft verzoeker de vordering van [naam 3] ook het afgelopen jaar doelbewust onbetaald gelaten door het loonbeslag dat door [naam 3] in maart 2025 is gelegd, doelbewust te frustreren. Verzoeker heeft zijn werkgever (zijn zoon) de opdracht gegeven het beslag niet uit te voeren (zo is ter zitting bevestigd).

Vanaf medio juni 2025 (en dus: drie maanden nadat het loonbeslag gelegd zou moeten zijn) is verzoeker wel gaan aflossen aan schuldhulpverlening, maar dit doet niet af aan het feit dat [naam 3] door de gedragingen van verzoeker geen gebruik heeft kunnen maken van de hem toekomende rechten en dat hij veel minder op zijn vordering betaald zou krijgen als de Wsnp nu van toepassing wordt verklaard dan wanneer er wel uitvoering was gegeven aan het beslag.

Schuldhulpverlening heeft verzoeker er minstens drie keer op gewezen dat de werkgever verplicht is om mee te werken aan de uitvoering van het beslag. Verzoeker heeft daarop geen actie ondernomen en heeft zijn zoon niet verzocht om alsnog te gaan afdragen onder het beslag. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij weinig vertrouwen heeft in [naam 3] (en het door hem ingeschakelde deurwaarderskantoor) en dat hij daarom bij schuldhulpverlening heeft gespaard voor zijn schuldeisers.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verzoeker de vordering van [naam 3] te kwader trouw onbetaald heeft gelaten.

Bovendien zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die toelating – ondanks het ontbreken van de goede trouw – alsnog rechtvaardigen, althans verzoeker heeft dat onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G.E. Prenger

Griffier

  • mr. C. Hulsegge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand