RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/724927 / HA RK 26-818
Beslissing van 20 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
woonplaats: [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. K.J. Bezuijen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 12 augustus 2026 een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civielrechtelijke zaak met zaaknummer 11230014 CV EXPL 24-18452 (de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een geschil tussen Stichting Maasdelta Groep (MDG) en verzoekster.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit het per e-mail ingediende wrakingsverzoek van verzoekster van 12 augustus 2026, met acht bijlagen.
2. De ontvankelijkheid van het verzoek
De wrakingskamer merkt allereerst het volgende op. De e-mail van verzoekster vermeldt dat zij “een onverwijld en formeel wrakingsverzoek in[dient] tegen de zittende (kanton)rechter die heeft beslist over de ontbinding van haar huurovereenkomst eind december 2025, dan wel de lopende hiermee samenhangende procedures voorzit.” Als bijlage bij de e-mail heeft verzoekster onder meer een eindvonnis van 21 maart 2025 in de hoofdzaak toegestuurd, waarin de huurovereenkomst tussen MDG en verzoekster is ontbonden. Aangezien verzoekster in haar e-mail en in de daarbij gevoegde bijlagen verder geen zaaknummer(s) noemt en uit navraag is gebleken dat bij de afdeling Kanton van deze rechtbank geen andere zaken van of tegen verzoekster in behandeling zijn, gaat de wrakingskamer ervan uit dat het wrakingsverzoek van verzoekster zich (alleen) richt tegen de rechter in de hoofdzaak.
Wraking is een middel om de onpartijdigheid van de rechter te verzekeren. Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het middel is toegekend aan een partij die wil voorkomen dat een rechter (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter al een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.
Zoals hiervoor in 2.1. al is overwogen, heeft de rechter op 21 maart 2025 in de hoofdzaak een vonnis gewezen. Dat vonnis is een eindbeslissing waarmee de behandeling van de hoofdzaak door de rechter is geëindigd.
Het wrakingsverzoek is op 12 augustus 2026 door de wrakingskamer ontvangen. Dat is dus bijna anderhalf jaar nadat de rechter in de hoofdzaak een einduitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de rechter de hoofdzaak niet meer behandelde op het moment dat het wrakingsverzoek is gedaan. Verzoekster is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. Het verzoek wordt daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 39, lid 3, Rv zonder behandeling ter zitting afgedaan.
3. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. K.J. Bezuijen in de civielrechtelijke zaak met zaaknummer 11230014 CV EXPL 24-18452.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter, mr. F. Aukema-Hartog en mr. J. van Dort, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.