RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/722880 / HA RK 26-664
Beslissing van 19 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. S.C. van Paridon,
strekkende tot de wraking van
mr. T. Boesman,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 8 juli 2026 een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bestuursrechtelijke zaak met zaaknummer NL24.19555 (de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een geschil tussen verzoeker en de minister van Asiel en Migratie (de minister). Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
het proces-verbaal van 8 juli 2026, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvan zijn vermeld;
de schriftelijke reactie van de rechter van 14 juli 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verschenen:
de hiervoor genoemde advocaat van verzoeker, die een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd;
de rechter.
2. Het wrakingsverzoek
Op de zitting van 8 juli 2026 heeft verzoeker het volgende als gronden voor zijn wrakingsverzoek aangevoerd. Het debat ter zitting wordt niet gestimuleerd door de rechter. Bovendien heeft de rechter ontkend dat hij een vraag namens de minister heeft beantwoord. De rechter en niet de minister heeft antwoord gegeven op de vraag op basis van welke verordening de tussentijdse beoordeling heeft plaatsgevonden. Op zich is het antwoord geven namens de minister door de rechter al kwalijk. Kwalijker is als enkele ogenblikken later wordt ontkend dat een dergelijk antwoord is gegeven. Dit levert een integriteitsschending op; deze zaak wordt ten faveure van de minister voorgezeten.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het wrakingsverzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Omvang van de beoordeling
De wrakingskamer stelt voorop dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden aan verzoeker bekend zijn geworden en verder dat alle wrakingsgronden tegelijk moeten worden voorgedragen (artikel 8:16, eerste en derde lid, Awb). Daarom beoordeelt de wrakingskamer uitsluitend wat de advocaat van verzoeker tijdens de zitting in de hoofdzaak op 8 juli 2026 aan de griffier heeft gedicteerd als wrakingsgronden. Dat de weergave van de wrakingsgronden in het proces-verbaal volledig en juist is, staat niet ter discussie.
Na de zitting in de hoofdzaak heeft de advocaat in het dossier van de hoofdzaak een document geüpload met een nadere wrakingsgrond. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de advocaat opnieuw nieuwe wrakingsgronden, feiten en omstandigheden aan het wrakingsverzoek ten grondslag willen leggen. Dit alles is echter in strijd met de verplichting alle wrakingsgronden tegelijk voor te dragen, zodat de wrakingskamer er geen acht op zal slaan.
Beoordelingskader
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.
Inhoudelijke beoordeling
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter tegenover hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing.
Het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak op 8 juli 2026 houdt – onder meer – het volgende in:
“Gemachtigde verweerder
De basis van de discussie is wat is aangevoerd in de zaak (…). In de stukken in die zaak is sprake geweest van een verschrijving. Verordening 2018/1862 ziet op Justitiële samenwerking, die is niet relevant in deze zaak. Er had Verordening 2018/1861 moeten staan, bij deze excuses voor de verschrijving.
Rechtbank
Dus Verordening 2018/1862 is in die stukken foutief vermeld. De relevante Verordening is Verordening 2018/1861 die ziet op asiel en migratie. Verordening 2018/1862 is hier dus niet relevant volgens verweerder?
Gemachtigde verweerder
Ja en volgens verweerder is aan de relevante verordening voldaan.
Gemachtigde eiser
Op basis waarvan heeft de herbeoordeling dan plaatsgevonden?
Rechtbank
Ik hoor de gemachtigde van verweerder zeggen dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de beoordeling heeft plaatsgevonden en voldoet aan de bepalingen van Verordening 2018/1861.
Gemachtigde van eiser
Dat heb ik niet met zoveel woorden gehoord.
Rechtbank
Dit standpunt is door verweerder ook in de stukken ingenomen en dit is wat ik nu van de gemachtigde van verweerder hoor. Ik heb ook in de stukken gelezen dat u het met dat standpunt niet eens bent.”
(onderstreping in origineel)
Volgens verzoeker heeft de rechter (i) namens de minister antwoord gegeven op een vraag van verzoeker, en (ii) vervolgens ontkend dat de rechter namens de minister antwoord heeft gegeven op een vraag van verzoeker en (iii) het debat tussen partijen niet gestimuleerd.
De wrakingskamer leest in het proces-verbaal niet dat de rechter namens de minister antwoord heeft gegeven op een vraag van verzoeker. De rechter heeft slechts verwoord wat hij de gemachtigde van de minister heeft horen zeggen en hoe hij dat kennelijk heeft begrepen. Die weergave van de rechter geeft er geen blijk van dat de rechter tegenover verzoeker vooringenomen is of dat de vrees van verzoeker daarvoor objectief gerechtvaardigd is, zelfs niet als zou moeten worden geoordeeld dat de rechter de gemachtigde van de minister onjuist heeft begrepen. Wrakingsgrond (i) kan dan ook niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Daarmee valt ook de grond onder wrakingsgrond (ii) weg. De rechter heeft immers geen antwoord gegeven namens de minister en zijn ontkenning dat hij dit heeft gedaan levert dan ook geen grond voor wraking op.
Tot slot kan ook wrakingsgrond (iii) niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. De rechter heeft een aanzienlijke vrijheid om tijdens de zitting regie te voeren en het verloop en de wijze van behandeling van de zitting te bepalen. Het is daarbij aan de rechter of hij een vraag waarop naar zijn oordeel al antwoord is gegeven nogmaals laat beantwoorden of dat hij de steller van de vraag voorhoudt wat volgens hem (zojuist) op die vraag is geantwoord. De rechter heeft in dit geval voor het laatste gekozen en daaruit kan geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid worden afgeleid. Het stond (de advocaat van) verzoeker vrij om vervolgens het debat verder te voeren.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. T. Boesman in de bestuursrechtelijke zaak met zaaknummer NL24.19555 af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. drs. J. van den Bos en mr. W.J.M. Diekman, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.