RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722615 / KG ZA 26-692
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. R.E. Gout de Kreek,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. A. Buth.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen zijn ex-partners van elkaar, zowel zakelijk als privé. Volgens [eiseres] zijn partijen samen eigenaar van een sleepboot genaamd ‘ [naam boot] ’ en weigert [gedaagde] om [eiseres] toegang tot die boot te verschaffen. Daarom vordert [eiseres] in deze zaak – kort gezegd – dat het [gedaagde] wordt bevolen om [eiseres] toegang tot de boot te verschaffen. Daarnaast vordert [eiseres] een gebruiksregeling met betrekking tot de boot. [gedaagde] voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 juli 2026, met bijlagen 1 en 2;
de bijlagen 1 tot en met 6 van [gedaagde] ;
de mondelinge behandeling op 12 augustus 2026;
de pleitnota van mr. Buth.
3. De vorderingen
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te bevelen [eiseres] binnen 48 uur na betekening van het vonnis toegang te verschaffen tot de gemeenschappelijke sleepboot, waaronder begrepen het verstrekken van een sleutel dan wel een duplicaatsleutel;
II. subsidiair [gedaagde] te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het vervaardigen van een duplicaatsleutel op kosten van [eiseres] ;
III. te bepalen dat partijen de sleepboot voorlopig bij uitsluiting afwisselend zullen gebruiken, waarbij [eiseres] gedurende de eerste kalendermaand na betekening exclusief gebruik heeft, vervolgens [gedaagde] gedurende de daaropvolgende kalendermaand, waarna deze regeling zich telkens herhaalt totdat de bodemrechter anders beslist;
IV. te bepalen dat gedurende de maand waarin één partij de boot gebruikt, de andere partij zich onthoudt van bezoek aan de ligplaats, behoudens voorafgaand schriftelijk overleg;
V. aan iedere overtreding een dwangsom te verbinden van € 500,00 per dag;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
4. De beoordeling
Het toetsingskader in een kort geding
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.
[eiseres] heeft onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen
Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dus dat de partij die de vordering instelt voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft en dat die vorderingen alleen al om die reden moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter licht dit toe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat op grond van de door [eiseres] in het geding gebrachte koopovereenkomst aannemelijk is dat partijen gezamenlijk eigenaar van de sleepboot ‘ [naam boot] ’ zijn. Dit is in de concrete omstandigheden van het geval echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [eiseres] belang heeft bij toegang tot de boot, laat staan dat haar belang zodanig spoedeisend is dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Daarvoor is in de eerste plaats relevant dat [eiseres] een bodemprocedure is gestart, waarin zij verdeling van de boot vordert. De boot moet daarbij volgens [eiseres] aan [gedaagde] worden toebedeeld (met uitkoop van [eiseres] ) of aan een derde worden verkocht. In geen van die door [eiseres] voorgestane wijzen van verdeling wordt de boot dus aan [eiseres] zelf toebedeeld. Daarom is volstrekt onduidelijk waarom [eiseres] er dan wel belang bij zou hebben om met spoed toegang tot de boot te krijgen, te minder omdat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat [eiseres] in de maanden voorafgaand aan deze zaak nooit naar de sleepboot heeft geïnformeerd.
Daar komt bij dat op basis van de door [gedaagde] in het geding gebracht e-mail van de verzekeraar van de boot aannemelijk is dat op dit moment niet met de boot kan worden gevaren, althans dat het zeer onverstandig is om nu met de boot te gaan varen. [gedaagde] heeft ook onweersproken gesteld dat het dashboard van de boot nu open ligt en dat er ook overigens allerlei onafgemaakte klussen aan de boot zijn. Aannemelijk is dus dat sowieso niet op korte termijn met de boot gevaren kan worden. Op grond waarvan [eiseres] concludeert dat wel met de boot kan worden gevaren, is onduidelijk en – gelet op de door [gedaagde] in het geding gebrachte e-mail – in ieder geval niet voldoende onderbouwd.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Integendeel. Deze zaak is, voor zover de voorzieningenrechter weet, de vierde gerechtelijke procedure tussen partijen. Uit het vonnis van een recente kort gedingprocedure blijkt dat aan [gedaagde] een contact- en straatverbod zijn opgelegd vanwege tussen partijen bestaande spanningen. Gelet daarop is het wenselijk dat partijen elkaar zoveel mogelijk uit de weg gaan, zoals [gedaagde] naar eigen zeggen ook wenst. Daarbij past geen gebruiksregeling voor de boot, aangezien dan voorzienbaar is dat partijen toch over een en ander gerelateerd aan de boot contact met elkaar moeten hebben. [eiseres] heeft geen concrete belangen gesteld die maken dat zij er desondanks zo’n zwaarwegend (en spoedeisend) belang bij heeft om toegang te krijgen tot de boot dat het belang van [gedaagde] om zo min mogelijk contact met [eiseres] te hebben (en ieder mogelijk conflict met [eiseres] uit de weg te gaan) daarvoor moet wijken.
De conclusie
De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de duidelijke ongegrondheid van de vorderingen van [eiseres] echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en [eiseres] te veroordelen om de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] te betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.443,02
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad (artikel 258 Rv).
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.443,02, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
3349 / 1980