RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723125 / KG ZA 26-724
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiseres 1] B.V.,2. [eiseres 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partijen,
advocaten: mrs. R.M.T. van den Bosch en S.A.H. Vromen,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Justitie en Veiligheid / OM),
zetelend in Den Haag,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. M. Beekes en B.L.M. van der Knaap.
Partijen worden hierna [eiseressen] en het OM genoemd.
1. De zaak in het kort
[eiseressen] handelen in houtproducten. [eiseressen] zijn verdachten in een strafzaak, waarin centraal staat de verdenking van het OM dat [eiseressen] door de Europese Unie tegen Rusland ingestelde sancties hebben geschonden door Russisch hout aan te kopen. In het kader van die verdenking heeft het OM beslag gelegd op partijen hout van [eiseressen] Voor een gedeelte van de beslagen partijen hout heeft het OM een machtiging tot vervreemding afgegeven, althans tot herbestemming in de vorm van overdracht om niet ten behoeve van wederopbouw van woningen in Oekraïne. [eiseressen] willen voorkomen dat de in beslag genomen partijen hout daadwerkelijk worden vervreemd. Daarom vorderen zij – kort gezegd – een gebod voor het OM om de afgegeven machtiging niet uit te voeren en die machtiging in te trekken, en een verbod om ten aanzien van de overige in beslag genomen partijen hout een machtiging tot vervreemding af te geven, alles onder druk van dwangsommen. Het OM voert verweer. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde gebod om de afgegeven machtiging niet uit te voeren en die machtiging in te trekken toe. De overige vorderingen, waaronder de gevorderde dwangsommen, worden afgewezen. Deze oordelen worden hierna uitgelegd.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 juli 2026, met bijlagen RWD-1 tot en met RWD-26;
de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 13;
de akte overlegging producties tevens houdende rectificatie van [eiseressen] , met bijlagen RWD-27 tot en met RWD-34;
de mondelinge behandeling op 4 augustus 2026;
de spreekaantekeningen van mr. Van den Bosch;
de pleitnota van mrs. Beekes en Van der Knaap.
3. De vorderingen
[eiseressen] vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het OM te verbieden een machtiging ex artikel 117 Sv af te geven strekkende tot vervreemding (of tot herbestemming of tot vernietiging) van de onder beslag liggende partijen hout (genoemd in randnummers 13, 14 en 16 van de dagvaarding) totdat in rechte onherroepelijk is beslist over de bestemming daarvan;
het OM te gebieden geen uitvoering te geven aan een al afgegeven machtiging ex artikel 117 Sv, waaronder begrepen verkoop, overdracht, veiling, levering, afvoer, herbestemming of enige andere vorm van vervreemding van de onder beslag liggende partijen hout genoemd in randnummers 13, 14 en 16 van de dagvaarding, en deze machtiging in te trekken en ingetrokken te houden totdat in rechte onherroepelijk is beslist over de bestemming van de beslagen zaken;
in aanvulling op het petitum sub A of B, indien de voorzieningenrechter daartoe gronden aanwezig acht, te bepalen dat het OM, indien zij de bij derden opgeslagen partijen hout ter besparing van de met opslag samenhangende kosten elders wenst op te slaan, deze partijen hout in de loods van [eiseressen] gelegen aan [adres] ( [postcode] ) te [plaats] , althans in een door [eiseressen] van een derde gehuurde opslagruimte kan opslaan;
het OM ex artikel 194 Rv te bevelen binnen vijf dagen na de dag van het in deze te wijzen vonnis aan [eiseressen] een afschrift te verstrekken van de bescheiden genoemd in randnummer 84 van de dagvaarding die betrekking hebben op de eerdere vervreemding van populierenhout genoemd in randnummer 75 van de dagvaarding;
het OM te veroordelen tot betaling aan elk van [eiseressen] van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag (een dagdeel daar onder begrepen) dat het OM in gebreke blijkt aan de veroordeling sub A, B en D te voldoen, met een maximum van telkens € 3.000.000,00:
het OM te veroordelen in de kosten van de procedure.
4. De beoordeling
Het OM heeft op grond van artikel 94 Sv en artikel 18 in samenhang met artikel 7 sub e WED op verschillende momenten beslag gelegd op partijen hout van [eiseressen]
Een gedeelte van de in beslag genomen partijen hout bevindt zich op dit moment ter bewaring in loodsen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Voor die beslagen partijen hout heeft het OM, na mededeling van het voornemen daartoe, inmiddels een machtiging tot vervreemding (/herbestemming) als bedoeld in artikel 117 lid 1 Sv afgegeven. De in beslag genomen partijen hout bevinden zich voor het overige – verzegeld – in een loods van [eiseressen] Voor die partijen hout heeft het OM (nog) geen machtiging tot vervreemding, herbestemming of vernietiging afgegeven.
De partijen hout die zich in de loods van [eiseressen] bevinden
Voor wat betreft de in beslag genomen partijen hout die zich in de loods van [eiseressen] bevinden en waarvoor het OM op dit moment geen machtiging op grond van artikel 117 Sv heeft afgegeven, vorderen [eiseressen] een verbod voor het OM om een dergelijke machtiging af te geven, onder druk van een dwangsom. Die vordering wordt afgewezen. Het ontbreekt voor wat betreft deze vordering aan voldoende spoedeisend belang om het treffen van een voorlopige voorziening te kunnen rechtvaardigen. Nergens blijkt uit dat het OM daadwerkelijk van plan is een dergelijke machtiging af te geven; het OM moet daar nog over beslissen. Daar komt bij dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat het OM een eventuele machtiging op onjuiste, althans juridisch onhoudbare gronden zal afgeven en dat er, vanwege dreigend onrechtmatig handelen, aanleiding is om het verlenen van die machtiging te verhinderen.
De partijen hout die zich in loodsen van RVO bevinden
Voor wat betreft de in beslag genomen partijen hout die zich in loodsen van RVO bevinden en waarvoor het OM al een machtiging op grond van artikel 117 Sv heeft afgegeven, vorderen [eiseressen] dat het OM onder druk van een dwangsom wordt geboden om geen uitvoering te geven aan die machtiging, die machtiging in te trekken en die machtiging ingetrokken te houden totdat in rechte onherroepelijk is beslist over de bestemming van de in beslag genomen partijen hout. Die vordering wordt voor het grootste deel toegewezen.
In beslag genomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na een daartoe verkregen machtiging. Zo’n machtiging kan door het OM worden verleend ten aanzien van voorwerpen (a) die niet geschikt zijn voor opslag, (b) waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde of (c) die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
Het OM komt een ruime beleidsvrijheid toe bij het wel of niet verlenen van een machtiging in de zin van artikel 117 Sv. De wet voorziet (sinds 1996) niet in een procedure voor rechterlijke toetsing van een machtiging. De burgerlijke rechter kan alleen bij (dreigend) onrechtmatig handelen ingrijpen. Daarvan kan sprake zijn als het OM in redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid heeft kunnen komen vanwege onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen.
Het OM grondt de afgifte van de machtiging tot vervreemding op de b-grond en de c-grond (zie hiervoor in 4.4.). De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen van beide gronden in dit concrete geval het afgeven van een machtiging (tot vervreemding) kan rechtvaardigen.
De b-grond
Volgens het OM staan de kosten van de bewaring van de partijen hout niet in een redelijke verhouding tot hun waarde, waarbij het OM primair uitgaat van een waarde van nihil (omdat het om niet verhandelbaar hout van Russische herkomst zou gaan) en subsidiair van een waarde van ongeveer € 3,4 miljoen. Het OM stelt op dit punt dat de opslagkosten ongeveer € 40.000,00 per maand bedragen, onder verwijzing naar facturen van RVO. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eiseressen] opgemerkt dat die facturen een groot aantal opslag-meters vermelden (variërend van 70.052 tot en met 186.228), terwijl het in totaal om 2.262 in beslag genomen pakken hout van ongeveer drie meter lengte gaat en dat hout een volume heeft van 4.284 m³. Desgevraagd heeft het OM – na telefonische navraag bij RVO – slechts aangevoerd dat de kosten voor opslag per strekkende meter worden gefactureerd, te begrijpen als een meter van de loods. Op basis van die uitleg kan de voorzieningenrechter niet begrijpen hoe – bijvoorbeeld – het in één maand gefactureerde aantal eenheden van 186.228 tot stand is gekomen. Een meter is immers niet meer dan een lijn van één meter lang en niet begrijpelijk is hoe dit voor de onderhavige pallets met hout gerelateerd zou moeten worden aan de opslagloods(en) en zou kunnen leiden tot genoemde aantallen opslag-meters. Daarbij weegt mee dat [eiseressen] al voorafgaand aan (en overigens ook tijdens) deze procedure aan het OM kenbaar hebben gemaakt dat zij van mening zijn dat voor ongeveer € 3.000,00 per maand opslagruimte te huren is voor de in beslag genomen partijen hout. Gelet daarop had van het OM voldoende onderbouwing van de door haar gestelde opslagkosten mogen worden verwacht. Hieraan doet niet af dat het OM de facturen nu eenmaal is verschuldigd en de opslagkosten zijn gebaseerd op prijsafspraken die in het kader van een Europese aanbestedingsprocedure zijn gemaakt, zoals het OM stelt. Ook dan mag van het OM worden verwacht dat het voldoende inzichtelijk maakt hoe de opslagkosten in een concreet geval zijn berekend, zeker als daar gemotiveerd verweer tegen wordt gevoerd. Het gaat hier immers om de vraag of de kosten van opslag te hoog zijn in verhouding tot de waarde van het hout. Het OM kan in het kader van die vraag niet volstaan met de constatering dat facturen van een bepaalde hoogte zijn ontvangen, zonder (zelf) te bezien of dit redelijke bedragen betreft.
Daar komt bij dat aannemelijk is dat [eiseressen] er groot belang bij hebben dat de in beslag genomen partijen hout niet (om niet) worden vervreemd. [eiseressen] hebben gesteld dat vervreemding of herbestemming van de partijen hout tot grote schade voor [eiseressen] leidt, omdat het hout is verpand aan de bank. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] in dit verband gesteld dat zij onder bijzonder beheer staan bij de bank, dat zij een belastingschuld van € 4 miljoen hebben en dat verlies van de in beslag genomen partijen hout als onderpand – met een door [eiseressen] geschatte waarde van bijna € 4,5 miljoen – zo goed als zeker zal leiden tot aanpassing of zelfs beëindiging van het krediet van [eiseressen] bij de bank, en daarmee tot het einde van de bedrijven. Het OM heeft dit alles niet (gemotiveerd) weersproken en het komt de voorzieningenrechter daarnaast niet onaannemelijk voor. Dit brengt mee dat aannemelijk is dat [eiseressen] er groot belang bij hebben dat de in beslag genomen partijen hout niet (om niet) worden vervreemd. Vervreemding (om niet) kan, in het ergste geval, tot het faillissement van [eiseressen] leiden, terwijl er op dit moment niet zonder meer van uit kan worden gegaan dat de partijen hout van Russische herkomst zijn; de strafzaak loopt nog en [eiseressen] betwisten dat de partijen hout van Russische herkomst zijn.
Verder neemt de voorzieningenrechter de bijzonderheden in aanmerking dat het hier gaat om een zeer grote handelsvoorraad, en dat [eiseressen] aanvoeren dat opslag elders aanzienlijk voordeliger kan, waarbij zij bereid zijn het verplaatsen van het hout te verzorgen en betalen. Ook kan op basis van de stellingen van [eiseressen] op de zitting niet worden uitgesloten dat beschikbaarheid van het hout voor nader onderzoek nog van belang is voor de strafzaak.
Dit alles afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het OM gelet op de belangen van [eiseressen] in redelijkheid niet op basis van het kostenaspect een machtiging heeft kunnen afgeven. De b-grond rechtvaardigt in dit geval dus niet het afgeven van een machtiging (tot vervreemding / herbestemming) op grond van artikel 117 Sv en verlening is tegenover [eiseressen] zodanig onzorgvuldig dat dit tot onrechtmatig handelen leidt.
De c-grond
Volgens het OM zijn de partijen hout verder vervangbaar en kan de tegenwaarde daarvan op eenvoudige wijze worden bepaald. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. De meningsverschillen van partijen over verschillende uitgangspunten voor de waardering van de partijen hout, zoals bijvoorbeeld over de vraag of in de waardering moet worden uitgegaan van Russisch of niet-Russisch hout en welke waarde dan geldt (de inkoopwaarde, de marktwaarde of een andere waarde), kunnen worden ondervangen door waardebepaling door een deskundige voor verschillende scenario’s. Partijen kunnen dan eventueel in een latere procedure laten vaststellen welke van die waardes moet worden gehanteerd indien vergoeding van het hout aan [eiseressen] moet plaatsvinden.
Echter, ook voor wat betreft de c-grond is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van het OM om de partijen hout te kunnen vervreemden op dit moment minder zwaar weegt dan het belang van [eiseressen] om de partijen hout voorlopig niet te vervreemden. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar wat hiervoor in 4.8. en 4.9. is overwogen. Daaraan voegt de voorzieningenrechter toe dat het OM voor wat betreft de c-grond eigenlijk geen enkel belang bij vervreemding (of vernietiging of herbestemming) heeft, anders dan dat daarmee opslagkosten worden bespaard. Het gaat bijvoorbeeld niet om goederen die bederfelijk zijn, in welk geval zodanig belang wel bestaat. Over de opslagkosten is hiervoor echter al een oordeel gegeven.
De conclusie
De conclusie is dat het OM wordt geboden om (i) geen uitvoering te geven aan de al afgegeven machtiging op grond van artikel 117 Sv met betrekking tot de onder beslag liggende partijen hout genoemd in randnummers 13 en 14 van de dagvaarding en (ii) die machtiging in te trekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan dit gebod een dwangsom te verbinden. Van het OM, als overheidsinstantie, mag worden aangenomen dat het rechterlijke uitspraken nakomt. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het OM dat in dit geval niet zal doen. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om het OM te verbieden een nieuwe machtiging op grond van artikel 117 Sv af te geven met betrekking tot hiervoor genoemde partijen hout. Daarvoor geldt dezelfde motivering als hiervoor in 4.2.: het ontbreekt aan voldoende spoedeisend belang en niet kan op voorhand worden aangenomen dat er aanleiding is voor een verbod.
De inzagevordering
[eiseressen] vorderen tot slot afschriften van informatie die betrekking heeft op een eerdere vervreemding van populierenhout op basis van een machtiging. Die vordering wordt afgewezen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat [eiseressen] voldoende spoedeisend belang bij deze vordering hebben. [eiseressen] hebben niet gesteld – laat staan uitgelegd – dat en waarom zij voor wat betreft deze vordering niet de uitkomst van een bodemprocedure kunnen afwachten.
Het OM moet de proceskosten van [eiseressen] betalen
Het OM is voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseressen] worden begroot op:
- dagvaarding € 125,57
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.226,57
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
gebiedt het OM om (i) geen uitvoering te geven aan de al afgegeven machtiging op grond van artikel 117 Sv met betrekking tot de onder beslag liggende partijen hout genoemd in randnummers 13 en 14 van de dagvaarding en (ii) die machtiging in te trekken;
veroordeelt het OM in de proceskosten van € 2.226,57, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
3349 / 1694