ECLI:NL:RBROT:2026:10510

ECLI:NL:RBROT:2026:10510

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer FT RK 26-101
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek tot faillietverklaring afgewezen. De rechtbank kan het vorderingsrecht van verzoekster en de overgelegde steunvorderingen niet summierlijk vaststellen. Ook is niet aangetoond dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Rekestnummer: [nummer]

BESCHIKKING op het verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Verzoekster]

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

verzoekster,

advocaat: mr. S.K. Tuithof,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster ]

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2],

kantoorhoudende te [straatnaam],

[postcode] [vestigingsplaats 2],

aldaar tevens handelend onder de naam: [handelsnaam 1], [handelsnaam 2], [handelsnaam 3],

verweerster.

1. De procedure

De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op

17 maart 2026.

De rechtbank heeft op verzoek van verzoekster de behandeling van het faillissementsverzoek aangehouden tot 31 maart 2026.

Ter zitting van 31 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het faillissementsverzoek niet inhoudelijk behandeld, maar heeft de behandeling daarvan aangehouden tot 14 april 2026.

Ter zitting van 14 april 2026 zijn verschenen en gehoord:

Verzoekster en verweerster hebben aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden. De volgende stukken maken onderdeel uit van het dossier:

De rechtbank heeft verzoekster en verweerster bij bericht van 20 april 2026 meegedeeld dat zij op 24 april 2026 uitspraak zal doen.

2. De standpunten

Voor de standpunten van verzoekster en verweerster verwijst de rechtbank naar de hiervoor genoemde stukken. Hierop zal bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3. De beoordeling

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

Het vorderingsrecht van verzoekster is niet summierlijk gebleken

Verzoekster heeft oorspronkelijk aan het verzoek ten grondslag gelegd dat verweerster facturen onbetaald laat, welke vordering inclusief rente en kosten zou zijn opgelopen tot een som van € 12.664,64. Verweerster heeft op 5 maart 2026, 15 maart 2026 en 30 maart 2026 schriftelijk verweer gevoerd tegen de betaalbaarheid van deze facturen.

Hangende de faillissementsaanvraag zijn partijen alsnog in gesprek gegaan over de vordering (verweerster bij monde van de heer [naam 1]). Op de zitting van 30 maart 2026 hebben partijen aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij in gesprek waren getreden over een regeling, waardoor de zaak op die datum niet inhoudelijk is behandeld. Verzoekster heeft vervolgens op de zitting van 14 april 2026 een vaststellingsovereenkomst in het geding gebracht en een daaraan gerelateerde e-mailwisseling over de periode van 1 tot en met 10 april 2026.

Uit de overgelegde e-mails blijkt dat er tussen 1 april 2026 en 7 april 2026 tussen mr. Tuithof en de heer [naam 1] is gecorrespondeerd over een regeling. In de vaststellingsovereenkomst erkent verweerster dat zij aan verzoekster een bedrag van € 11.000,- verschuldigd is. De vaststellingsovereenkomst is gedateerd op 8 april 2026 en is namens verzoekster gesloten en getekend door mr. Tuithof (advocaat van verzoekster). Namens verweerster is een handtekening gezet die gelijk is aan de handtekening van de bestuurder van verweerster, [naam 2], maar de daaronder genoteerde naam is van de heer [naam 1]. De heer [naam 1] is werknemer van verweerster, maar voert namens verweerster verweer in deze faillissementsprocedure (door namens haar verweerschriften in te dienen). Blijkens een e-mailbericht van 8 april 2026, afkomstig van het e-mailadres van [naam 1] bij verweerster, is het ondertekende document op die datum door [naam 1] aan mr. Tuithof teruggezonden. Ook is e-mailcorrespondentie ingebracht van 10 april 2026, verzonden vanaf het e-mailadres van de heer [naam 1] bij verweerster, waarin bevestigd wordt dat er betaald is en waarbij een betaalbewijs zou zijn aangehecht. Betaling is echter uitgebleven en verzoekster vermoedt dat het overgelegde betalingsbewijs vervalst is. ASN Bank heeft bij e-mail van 15 april 2026 aan mr. Tuithof bevestigd dat het betaalbewijs dat aangehecht was aan de e-mail, niet van haar afkomstig is.

Ter zitting van 14 april 2026 heeft verweerster in weerwil van het bovenstaande betwist dat er een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De bestuurder van verweerster stelt dat hij niet bekend is met de vaststellingsovereenkomst en dat de correspondentie niet van hem is uitgegaan en dat de heer [naam 1] ook niet bevoegd is om voor hem te tekenen. De heer [naam 1] betwist dat hij de vaststellingsovereenkomst is aangegaan en dat daarover door hem gecorrespondeerd is. De heer [naam 1] zou al jarenlang stelselmatig te maken hebben met mensen die hem bedreigen en misbruik maken van zijn identiteit, onder meer door onder zijn identiteit vanuit andere IP-adressen overeenkomsten aan te gaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerster na de zitting diverse aangiftes overgelegd, waarin onder meer is gerapporteerd dat er in 2016 en 2021 documenten namens de heer [naam 1] zijn getekend (digitaal danwel regulier) met een valse handtekening. Ook zijn deskundigenberichten van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau overgelegd waarin (kort gezegd) wordt geconcludeerd dat een op een document van 2 december 2016 gezette handtekening geen echte handtekening betreft en dat het waarschijnlijk is dat de handtekeningen op een document uit 2021 vervalsingen betreft. Voorts is er een bericht overgelegd van de IT dienstverlener van verweerster ([naam 3]) waarin gesteld wordt dat er tussen 10 april 2026 en 13 april 2026 geen e-mails zijn verzonden aan de advocaat van verzoekster vanuit de mailserver waarmee over de vaststellingsovereenkomst zou zijn gecommuniceerd. Verweerster heeft aangekondigd dat zij forensisch onderzoek laat doen naar de gang van zaken.

Feitelijk komt het erop neer dat verzoekster tot uitgangspunt neemt dat de heer [naam 1] namens verweerster leugenachtig heeft verklaard ter zitting en valselijk opgemaakte stukken heeft overgelegd aan verzoekster, en dat dit een patroon is dat zich ook in andere procedures al heeft voorgedaan. Verweerster stelt daarentegen (onderbouwd met stukken) dat er stelselmatig misbruik van haar en van de identiteit van de heer [naam 1] wordt gemaakt en dat er door andere partijen in dat proces valse stukken worden opgemaakt. De stellingen die partijen over en weer innemen zijn verstrekkend en impliceren strafrechtelijk laakbaar gedrag. Deze faillissementsprocedure leent zich echter niet voor nader onderzoek hiernaar. In deze procedure ligt slechts ter beoordeling voor of het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk kan worden vastgesteld en of sprake is van een faillissementssituatie. Daarbij geldt dat over de vraag of de heer [naam 1] heeft gecorrespondeerd over de vaststellingsovereenkomst of een frauderende derde namens hem, veel onduidelijkheid bestaat. Dat een derde (of verzoekster zelf) zich in deze kwestie zou hebben uitgegeven voor de heer [naam 1] is naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond. De faillissementsprocedure leent zich echter ook niet voor nader onderzoek naar de gang van zaken. Mede gelet op de door verweerster ingenomen stellingen en de overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval niet summierlijk kan worden vastgesteld dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig door de bestuurder van verweerster is aangegaan. Op voorhand kan niet worden aangenomen dat het verweer van de bestuurder dat hij van de vaststellingsovereenkomst niet op de hoogte is geweest en de vennootschap niet rechtsgeldig vertegenwoordigd is omdat de heer [naam 1] daartoe niet bevoegd was, in een bodemprocedure met nadere onderbouwing geen redelijke kans van slagen zou hebben.

Voorts geldt dat de vorderingen van verzoekster ook (uitgebreid) inhoudelijk zijn betwist door verweerster. Verweerster stelt in dit kader, kort gezegd, dat er werd gewerkt op basis van een no cure no pay afspraak, en dat er uiteindelijk niets is geïncasseerd door verzoekster, zodat ook geen betaling verschuldigd is. Voorts stelt verweerster dat de situatie van artikel 9.3 uit de algemene voorwaarden zich niet voordoet en dat er sprake is geweest van wanprestatie bij de uitvoering van de opdracht. Ter zitting heeft verzoekster in reactie hierop gesteld dat de no cure no pay afspraak slechts voor een deel van de opdracht gold en dat ook bij incasso door een andere partij een vergoeding verschuldigd was. Partijen zijn het dus niet eens over de wijze waarop de contractuele afspraken geduid moeten worden. Een beslissend oordeel daarover gaat het bestek van het onderhavige verzoek te buiten. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vorderingsrecht van verzoekster daarom niet summierlijk worden vastgesteld.

Daarnaast stuit het faillissementsverzoek af op het volgende.

Niet summierlijk gebleken van de ter zitting aangedragen steunvorderingen

In het kader van de pluraliteit heeft verzoekster verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3857, waarbij verweerster is veroordeeld om aan upMention B.V. een bedrag van € 17.932,20 te betalen. Verweerster stelt dat zij die (steun)vordering al heeft voldaan, hetgeen wordt ondersteund door een betaalbewijs. Verzoekster heeft de betaling van deze vordering niet weersproken.

Verzoekster heeft voorts verwezen naar een lopende procedure inzake AC Products B.V. Deze partij zou een (steun)vordering hebben op verweerster van circa € 22.000,- in hoofdsom. Verweerster heeft hiertegen verweer gevoerd. Verweerster heeft daarbij verwezen naar haar verweerschrift dat is ingediend in de lopende procedure. Daaruit volgt volgens haar dat er geen sprake is van een (ondertekende) vaststellingsovereenkomst, een levering, een offerte of een factuur en dat AC Products B.V. daardoor ook geen vordering op haar heeft. Verder heeft verweerster gesteld dat zij door het handelen van AC Products B.V. schade heeft geleden en daardoor juist een vordering op haar heeft van naar schatting € 30.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij deze stand ook deze vordering niet summierlijk worden vastgesteld.

Daarnaast heeft verzoekster een (steun)vordering van Monta Molenaarsgraaf B.V. (hierna: Monta) van € 21.685,53 overgelegd uit hoofde van onbetaald gelaten facturen. Verweerster heeft ook hiertegen verweer gevoerd. Verweerster stelt dat zij weliswaar een deel van de facturen verschuldigd is, maar dat zij een groot deel reeds betaald heeft. Over het resterende deel loopt nog een dispuut. Verweerster is van oordeel dat Monta ten onrechte is blijven factureren. Bovendien is er sprake van wanprestatie aan de zijde van Monta, op grond waarvan verweerster een verrekenbare tegenvordering heeft. Ook deze vordering kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet summierlijk worden vastgesteld. De stelling van verzoekster dat ook in relatie tot Monta valselijk betaalbewijzen zijn opgemaakt leent zich niet voor nader onderzoek in een faillissementsprocedure.

Geen faillissementstoestand

Verweerster heeft voorts aangevoerd dat er ook geen sprake is van een faillissementstoestand omdat er sprake is van een lopende onderneming met ruim € 90.000,- aan liquide middelen en een substantiële debiteurenportefeuille, terwijl zij ook actief haar overige schuldeisers betaalt. Verzoekster heeft dit niet weersproken.

De rechtbank is tegen deze achtergrond en hetgeen is overwogen over de opgevoerde steunvorderingen, van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Faillissementswet. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

Verweerster heeft in haar verweerschrift verzocht verzoekster te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op alle omstandigheden – de proceskosten gecompenseerd moeten worden, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is op 24 april 2026 gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.

de griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G.E. Prenger

Griffier

  • mr. C. Hulsegge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand