RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12068503 VZ VERZ 26-248
datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
DELTA Fiber Nederland B.V.,
vestigingsplaats: Schiedam,
verzoekster, verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek
gemachtigde: mr. S. Lammers,
tegen
[verweerder] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder, verzoeker in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. K.F.A.M. Weijling.
De partijen worden hierna ‘DELTA’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van DELTA (ontvangen op 26 januari 2026), met bijlagen;
het verweerschrift van [verweerder] met voorwaardelijk tegenverzoek (ontvangen op 17 juni 2026), met bijlagen;
de brief van DELTA van 24 juni 2026, met één bijlage;
de spreekaantekeningen van DELTA;
de spreekaantekeningen van [verweerder] .
Op 30 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens DELTA aanwezig [persoon A] ( [functie 1] ), [persoon B] ( [functie 2] ) en [persoon C] ( [functie 3] ), bijgestaan door mr. S. Lammers. Ook [verweerder] was aanwezig, bijgestaan door mr. K.F.A.M. Weijling.
2. De beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
[verweerder] is op 15 november 2020 bij DELTA in dienst getreden in de functie van [functie 4] . Als gevolg van een reorganisatie is de functie van [verweerder] per 1 juni 2023 komen te vervallen. Op dat moment was [verweerder] al sinds 20 april 2023 ziek. Nadat [verweerder] per april 2025 weer volledig hersteld was, heeft DELTA toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst van [verweerder] op grond van bedrijfseconomische redenen te mogen opzeggen. Het UWV heeft dat verzoek op
3 oktober 2025 afgewezen, omdat volgens het UWV onvoldoende duidelijk was geworden dat DELTA heeft onderzocht of [verweerder] in de functie van [functie 5] had kunnen worden herplaatst. DELTA heeft op 16 oktober 2025 nogmaals toestemming gevraagd aan het UWV, maar ook dat verzoek is op 10 december 2025 afgewezen. Volgens DELTA heeft [verweerder] in de eerste procedure bij het UWV een door hem zelf aangepast bewijsstuk ingediend en daarmee onjuiste of valse informatie verstrekt, waardoor de verzochte toestemming is geweigerd.
DELTA verzoekt in deze procedure de arbeidsovereenkomst van [verweerder] te ontbinden primair wegens verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair om bedrijfseconomische redenen (a-grond), meer subsidiair vanwege omstandigheden die niet in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (h-grond) en uiterst subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) of een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond). Ook wil DELTA dat [verweerder] een schadevergoeding van € 42.930,35 bruto aan haar betaalt, omdat [verweerder] in de procedure bij het UWV onrechtmatig heeft gehandeld en DELTA daardoor schade heeft geleden.
[verweerder] is het niet eens met het verzoek van DELTA en vindt dat die moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch ontbindt, verzoekt [verweerder] DELTA te veroordelen om een billijke vergoeding van € 150.000,- bruto te betalen en een transitievergoeding van € 11.730,86. Als de kantonrechter het ontbindingsverzoek toewijst omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden
(i-grond) verzoekt [verweerder] om een extra vergoeding.
De samenvatting van het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter wijst het verzoek van DELTA af. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] niet wordt ontbonden. [verweerder] hoeft daarnaast geen schadevergoeding aan DELTA te betalen. De kantonrechter komt niet toe aan de behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerder] .
De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden, omdat er geen redelijke grond is
De arbeidsovereenkomst van [verweerder] wordt niet ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan namelijk alleen worden ontbonden als aan de voorwaarden voor opzegging is voldaan (artikel 7:671b lid 2 BW). Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). De kantonrechter vindt dat er geen sprake is van een redelijke grond. Hieronder wordt uitgelegd waarom hetgeen door DELTA is aangevoerd geen redelijke grond voor ontbinding oplevert.
(i) Geen ontbinding vanwege verwijtbaar handelen
DELTA stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). Volgens DELTA heeft [verweerder] verwijtbaar gehandeld door in de eerste procedure bij het UWV een door hem zelf aangepast bewijsstuk in te dienen, waardoor het UWV uiteindelijk heeft beslist op basis van onjuiste of valse informatie.
[verweerder] heeft in de eerste procedure bij het UWV verweer gevoerd tegen het verzoek van DELTA om toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst om bedrijfseconomische redenen. In die procedure heeft [verweerder] (onder andere) aangevoerd dat DELTA niet voldaan heeft aan haar verplichting om na te gaan of [verweerder] in een andere, passende functie herplaatst kon worden. Daarbij heeft [verweerder] als bewijsstuk een vacaturetekst ingediend, die ziet op de functie van [functie 5] , die volgens [verweerder] aan hem had moeten worden aangeboden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] de titel boven deze vacaturetekst heeft aangepast, in die zin dat hij achter de functienaam ( [functie 5] ) heeft toegevoegd ‘HBO/medior’. [verweerder] heeft uitgelegd dat hij uit de vacaturetekst op de website van DELTA heeft afgeleid dat het hier ging om een medior-functie (op HBO-niveau) en dat hij daarom boven de door hem bij het UWV ingediende vacaturetekst een omschrijving heeft geplaatst, die aansloot bij de wijze waarop deze vacature op de website door DELTA werd gepresenteerd. De toevoeging diende volgens [verweerder] dan ook slechts om de situatie duidelijker te maken.
Vast staat DELTA op 20 maart 2024 een vacature heeft uitgezet voor de functie van [functie 5] en dat de vacaturetekst in eerste instantie zodanig was opgesteld dat daaruit volgde dat het ging om een senior-functie (functieniveau WO). Ook staat vast dat DELTA de vacaturetekst op 10 juni 2024 heeft aangepast. Eén van die aanpassingen hield in dat, daar waar in de oorspronkelijke vacaturetekst vermeld was dat voor de functie ‘WO werk- en denkniveau’ vereist was, dit door DELTA gewijzigd is in ‘HBO/WO werk- en denkniveau’. DELTA heeft uitgelegd dat zij dit heeft gedaan, omdat de oorspronkelijke vacaturetekst geen geschikte kandidaten opleverde en zij hoopte door deze wijziging meer en betere kandidaten aan te trekken.
Tijdens de zitting heeft DELTA nader toegelicht dat met de hiervoor genoemde wijziging nooit is beoogd het functieniveau van WO naar HBO te verlagen, maar dat het vooral bedoeld was om voor potentiële kandidaten met een afgeronde HBO-opleiding de drempel om te reageren te verlagen en er zo voor te zorgen dat er vaker op de vacature gereageerd zou worden. DELTA stelt dat zij deze uitleg al vóór de eerste procedure bij het UWV aan [verweerder] heeft gegeven. Zij heeft daarbij gewezen op de e-mail, die [persoon A] namens DELTA aan de gemachtigde van [verweerder] heeft gestuurd. De kantonrechter oordeelt echter dat de bedoeling die DELTA volgens eigen zeggen had met deze vacaturetekst, niet duidelijk wordt uit de tekst van deze e-mail. Ook uit de overige correspondentie tussen partijen blijkt niet dat DELTA op duidelijke wijze aan [verweerder] heeft uitgelegd dat, hoewel er vanaf 10 juni 2024 in de vacature vermeld was dat ‘HBO/WO werk- en denkniveau’ vereist was, het nog steeds om een functie op WO-niveau ging.
Gelet op het voorgaande vindt de kantonrechter het niet onbegrijpelijk dat [verweerder] uit de vanaf 10 juni 2024 gepubliceerde vacaturetekst meende te kunnen afleiden dat het om een medior-functie (op HBO-niveau) ging en dat hij mogelijk voor die functie in aanmerking had kunnen komen. Het is daarom goed voor te stellen dat [verweerder] deze functie onder de aandacht van het UWV heeft willen brengen in het kader van de beoordeling van de herplaatsingsinspanningen van DELTA. Dat [verweerder] daarbij de vacaturetitel zelf heeft aangevuld door daarachter ‘HBO/medior’ te vermelden en de vacaturetekst met die aangepaste titel vervolgens in de procedure bij het UWV heeft ingediend verdient weliswaar bepaald niet de schoonheidsprijs, maar levert in de hiervoor genoemde omstandigheden geen verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder e BW op. Anders dan DELTA heeft aangevoerd is niet gebleken dat [verweerder] met zijn handelen het oogmerk had het UWV bewust op het verkeerde been te zetten. Dat was wellicht anders geweest als DELTA de bij 2.10 genoemde uitleg wél al voorafgaand aan de eerste procedure bij het UWV op voldoende duidelijke wijze aan [verweerder] zou hebben gegeven en [verweerder] desondanks – terwijl hij wist dat DELTA voor de functie van [functie 5] niet op zoek was naar een kandidaat op ‘HBO/medior’-niveau – toch de titel boven de vacaturetekst had aangepast en in de procedure bij het UWV had ingediend. Van die situatie is echter geen sprake.
De kantonrechter merkt overigens op dat DELTA pas in deze procedure een punt lijkt te hebben gemaakt van de door [verweerder] ingediende, aangepaste, vacaturetekst. Noch in de correspondentie met [verweerder] na de eerste beslissing van het UWV, noch in de tweede aanvraag bij het UWV, wordt daarvan melding gemaakt. Dat is temeer opvallend, omdat DELTA na de eerste beslissing van het UWV het onderwerp herplaatsing nogmaals met [verweerder] heeft besproken. In geval van evidente verwijtbaarheid had het voor de hand gelegen dat DELTA dat eerder aan [verweerder] kenbaar zou hebben gemaakt.
De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). Dat betekent dat dit geen redelijke grond oplevert om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
(ii) Geen ontbinding vanwege bedrijfseconomische redenen
DELTA heeft verzocht de arbeidsovereenkomst van [verweerder] te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen (artikel 7:669 lid 3 onder a BW). De bevoegdheid om een dergelijk verzoek bij de kantonrechter in te dienen vervalt twee maanden na de dag dat het UWV toestemming heeft geweigerd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:686a lid 4 onder d BW).
Het staat vast dat DELTA medio 2025 voor de eerste maal aan het UWV heeft verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst van [verweerder] op te zeggen en dat het UWV dat verzoek op 3 oktober 2025 heeft geweigerd. DELTA heeft niet binnen twee maanden na die weigering een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend. In plaats daarvan heeft DELTA, kort na de weigering van het UWV, op 16 oktober 2025 een tweede maal aan het UWV om toestemming verzocht. Dat verzoek is afgewezen op 10 december 2025. Vast staat dat DELTA na die tweede weigering van het UWV haar verzoekschrift binnen de vervaltermijn van twee maanden bij de kantonrechter heeft ingediend, zodat DELTA in zoverre ontvankelijk is in haar verzoek.
Ondanks dat DELTA in beginsel ontvankelijk is in haar verzoek om ontbinding op de a-grond, kan dit verzoek naar het oordeel van de kantonrechter echter niet inhoudelijk behandeld worden. In de gegeven omstandigheden had het namelijk op de weg van DELTA gelegen om het verzoekschrift aan binnen twee maanden na de eerste weigering van het UWV van 3 oktober 2025 bij de kantonrechter in te dienen. Het tweede verzoek aan het UWV om toestemming was namelijk immers inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend aan het eerste verzoek en bevatte geen nieuwe feiten, anders dan dat DELTA nog eens met [verweerder] in gesprek is gegaan over eventuele herplaatsingsmogelijkheden. Het UWV heeft in haar beslissing ook opgenomen dat met het voeren van zo’n herplaatsingsgesprek geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, die aanleiding geven voor een nieuwe ontslagaanvraag.
Als in dit geval het verzoek om ontbinding op de a-grond inhoudelijk zou worden beoordeeld, zou daarmee feitelijk de in artikel 7:686a lid 4 onder d BW genoemde vervaltermijn worden doorkruist. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat, als men na het weigeren van toestemming door het UWV de vervaltermijn van twee maanden laat verstrijken, dit te allen tijde hersteld zou kunnen worden door alsnog een tweede, identieke aanvraag in te dienen en vervolgens, na een nieuwe weigering van het UWV, alsnog binnen twee maanden een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen. Dat zou de genoemde vervaltermijn illusoir maken en dat verdraagt zich naar het oordeel van de kantonrechter niet met de strekking van het hiervoor genoemde wetsartikel.
Omdat het verzoek van DELTA om de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden te ontbinden niet inhoudelijk kan worden behandeld, kan in deze procedure niet worden vastgesteld of dit een redelijke grond voor ontbinding op zou kunnen leveren.
(iii) Geen ontbinding vanwege andere omstandigheden, waardoor het niet redelijk is de arbeidsovereenkomst te laten voortduren
DELTA doet ook een beroep op de in artikel 7:669 lid 3 onder h BW genoemde ontslaggrond. Voor een geslaagd beroep op die grond is noodzakelijk dat er sprake is van andere omstandigheden, die niet in de wet zijn genoemd, waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.
In het kader van deze ontslaggrond stelt DELTA dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] inhoudsloos is geworden. De enkele vaststelling dat de arbeidsovereenkomst op dit moment een ‘lege huls’ is, is echter niet voldoende om deze op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW te ontbinden. De omstandigheden die hebben geleid tot het inhoudsloos worden van de arbeidsovereenkomst moeten voldoende verschillen van de in artikel 7:669 lid 3 BW genoemde omstandigheden.
DELTA voert ter onderbouwing van haar stelling dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden aan dat [verweerder] , nadat hij in april 2025 weer arbeidsgeschikt was, niet in een passende functie kon worden herplaatst en sindsdien ook niet meer gewerkt heeft. Ook voert DELTA aan dat zij vanwege het in haar ogen verwijtbare handelen van [verweerder] niet langer wil dat [verweerder] in haar organisatie werkt.
Het feit dat [verweerder] op dit moment geen functie binnen DELTA heeft is naar het oordeel van de kantonrechter in overwegende mate het gevolg van de bedrijfseconomische redenen, die aanleiding hebben gegeven voor de reorganisatie binnen DELTA. Dat is echter een omstandigheid die al genoemd wordt in artikel 7:669 lid 3 onder a BW. Dat DELTA vindt dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij daarom niet wil dat hij nog in de organisatie werkt, sluit eveneens aan op omstandigheden die al in de wet worden genoemd (artikel 7:669 lid 3 onder e en g BW). De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van omstandigheden, die voldoende afwijken van de in artikel 7:669 lid 3 onder a, e en g BW genoemde omstandigheden, zodat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onder h BW moet worden afgewezen.
(iv) Geen ontbinding vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding
DELTA stelt dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waardoor het niet redelijk is als zij de arbeidsovereenkomst moet laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Dat is een redelijke grond als de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. De kantonrechter vindt dat hiervan geen sprake is.
Het is duidelijk dat partijen het niet met elkaar eens zijn over de vraag of [verweerder] in zijn oude functie al dan niet naar behoren functioneerde en of hij, na het vervallen van die functie, in een andere, passende functie herplaatst kon worden. Het enkele feit dat er op die punten verschil van mening bestaat, betekent echter nog niet dat daarmee sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding, laat staan een voldoende ernstige en duurzame verstoring.
Volgens DELTA heeft het – in haar ogen (ernstig) verwijtbare –
handelen van [verweerder] rond het indienen van de vacaturetekst in de eerste procedure bij het UWV er toe geleid dat er sprake is van een volledig gebrek aan vertrouwen in [verweerder] , waardoor er geen draagvlak voor verdere samenwerking meer is. Hiervoor is echter al geoordeeld dat het handelen van [verweerder] niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat dit, gelet op alle omstandigheden, niet de drempel voor het aannemen van verwijtbaar handelen haalt.
Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken ontstaat het beeld dat DELTA, nadat het UWV de eerste ontslagaanvraag had afgewezen, te snel conclusies heeft getrokken door [verweerder] er van te beschuldigen dat hij het UWV bewust onjuiste of valse informatie heeft verstrekt. Dat dit er voor heeft gezorgd dat de verhouding tussen partijen gespannen is geraakt, is duidelijk. Het enkele feit dat de verhoudingen tussen partijen niet meer optimaal zijn of waren, is echter op zichzelf niet genoeg. Er moet sprake zijn van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever niet langer kan worden gevergd het dienstverband voort te zetten. Dit betekent dat de werkgever moet kunnen aantonen dat het niet (meer) mogelijk is om de verstoorde verhouding tussen partijen nog te herstellen. De werkgever dient daartoe aannemelijk te maken dat zij alles in het werk heeft gesteld dat in redelijkheid van haar mocht worden verwacht om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, maar dat deze inspanningen niet het gewenste effect hebben gehad.
Van DELTA had dus als werkgever verwacht mogen worden dat zij zich meer had ingespannen om de vertroebelde relatie met [verweerder] te verbeteren of te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft DELTA dat onvoldoende gedaan. DELTA stelt weliswaar dat zij na de eerste afwijzing van het UWV opnieuw heeft onderzocht of [verweerder] alsnog herplaatst kon worden, maar vast staat dat DELTA – nog vóórdat dit nieuwe onderzoek was afgerond en de resultaten daarvan op 22 oktober 2025 aan [verweerder] zijn medegedeeld – op 16 oktober 2025 al een hernieuwde ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. De kantonrechter kan daaruit niet anders afleiden dan dat van een serieuze poging tot een nieuw herplaatsingsonderzoek en/of het verbeteren van de relatie tussen partijen geen sprake is geweest, maar dat DELTA vrijwel direct heeft aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Door na de tweede afwijzing van het UWV (op 10 december 2025) [verweerder] per brief van 22 december 2025 te beschuldigen van onrechtmatig handelen en valsheid in geschrifte én vervolgens direct een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen, heeft DELTA de deur te snel dichtgegooid en het voor beide partijen onmogelijk gemaakt nog enige serieuze poging te ondernemen om tot een herstel van de arbeidsrelatie te komen.
Het bovenstaande leidt er toe dat van ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder g BW) geen sprake is, zodat ook dit geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst oplevert.
(v) Geen ontbinding vanwege een combinatie van omstandigheden
Ten slotte stelt DELTA dat sprake is van een combinatie van ontslaggronden waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder i BW). Naar het oordeel van de kantonrechter is ook het verzoek op deze grond niet toewijsbaar. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de e-, h,- en g-grond alle verre van voldragen zijn en dat de a-grond niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. DELTA heeft niet of nauwelijks toegelicht om welke reden de combinatie van de onvoldragen gronden de ontbinding toch rechtvaardigt. Het is daarvoor namelijk niet voldoende om dezelfde argumenten te herhalen die ook aan de andere gronden ten grondslag zijn gelegd en te stellen dat dit wél voldoende is voor een ontbinding op de i-grond.
Het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerder] wordt niet beoordeeld
Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een redelijke grond, hoeft het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerder] niet te worden behandeld.
[verweerder] hoeft geen schadevergoeding aan DELTA te betalen
DELTA verzoekt [verweerder] te veroordelen om een schadevergoeding aan haar te betalen. Volgens DELTA heeft [verweerder] onrechtmatig c.q. (ernstig) verwijtbaar gehandeld in de eerste procedure bij het UWV en heeft dat tot gevolg gehad dat het UWV de ontslagaanvraag van DELTA heeft afgewezen en DELTA onnodig lang het loon van [verweerder] heeft moeten doorbetalen. Hiervoor bij 2.7 tot en met 2.12 is al geoordeeld dat het aanpassen van de titel boven de vacaturetekst en het indienen van deze vacaturetekst in de procedure bij het UWV door [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet als verwijtbaar handelen aangemerkt kan worden. De kantonrechter ziet om dezelfde redenen niet in waarom het handelen van [verweerder] als onrechtmatig moet worden beschouwd.
Ook als het handelen van [verweerder] wel onrechtmatig zou zijn geweest, kan dit niet leiden tot toekenning van een schadevergoeding aan DELTA. Daarvoor is namelijk (onder meer) vereist dat er sprake is van een causaal verband tussen dat onrechtmatige handelen en de geleden schade. Dat er sprake is van een causaal verband tussen het door [verweerder] indienen van de vacaturetekst met de aangepaste titel en het feit dat het UWV de ontslagaanvraag van DELTA heeft afgewezen en DELTA het loon van [verweerder] langer heeft moeten doorbetalen, is niet gebleken. De kantonrechter vindt het namelijk niet aannemelijk dat het UWV DELTA wél toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst zou hebben gegeven, als [verweerder] de vacaturetitel níet zou hebben aangepast. Daarbij is meegewogen dat er in redelijkheid van uit mag worden gegaan dat het UWV haar oordeel dat onvoldoende duidelijk was geworden dat DELTA heeft onderzocht of [verweerder] in de functie van [functie 5] had kunnen worden herplaatst, heeft gebaseerd op de inhoud van de vacaturetekst en níet (slechts) op de boven die tekst vermelde titel.
Los van het voorgaande geldt de afwijzing van de eerste ontslagaanvraag door het UWV naar het oordeel van de kantonrechter ook niet geheel los kan worden gezien van de bepaald niet adequate wijze waarop DELTA in die procedure heeft geprocedeerd. Hoewel [verweerder] al in zijn eerste verweer van 16 juli 2025 heeft gesteld dat de in de vacature voor de functie van [functie 5] deze functie is aangepast van senior- naar mediorniveau, is DELTA daar in haar repliek van 4 augustus 2025 niet inhoudelijk op ingegaan. Volgens DELTA heeft [verweerder] vervolgens in zijn dupliek van 11 augustus 2025 de suggestie gewekt dat het om twee afzonderlijke functies zou gaan die naast elkaar zouden bestaan en heeft DELTA niet meer de gelegenheid gekregen om daarop inhoudelijk te reageren in de UWV-procedure. De kantonrechter leest echter niet in de dupliek dat [verweerder] dat betoogd heeft en ook uit de beslissing van het UWV blijkt niet dat het UWV in die beslissing daarvan is uitgegaan. In dat licht bezien kan DELTA zich er niet achter verschuilen dat zij in de procedure bij het UWV onvoldoende kans heeft gekregen om haar standpunt uiteen te zetten en het verweer van [verweerder] te weerleggen.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat er geen aanleiding bestaat om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan DELTA. Ook dat verzoek van DELTA wordt afgewezen.
DELTA moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van DELTA, omdat haar verzoek wordt afgewezen. De kantonrechter begroot de kosten die DELTA aan [verweerder] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking wordt, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek van DELTA af;
veroordeelt DELTA in de proceskosten, die aan de kant van [verweerder] worden begroot op € 1.009,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487