RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12175472 VZ VERZ 26-1816
datum uitspraak: 18 augustus 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
Perriko KL B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: [gemachtigde] en mr. J.E.C. Reuser-Wilkens Msc,
tegen
VNMshop B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
verweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. T.C. Reintjes.
De partijen worden hierna ‘Perriko’ en ‘VNMshop’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift (ontvangen op 9 april 2026), met bijlagen;
het verweerschrift, met één bijlage;
de e-mail van Perriko van 1 juli 2026, met bijlagen;
de e-mail van Perriko van 2 juli 2026, met een akte vermindering van eis en één bijlage;
de spreekaantekeningen van Perriko.
Op 7 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Perriko aanwezig haar gemachtigde de heer [gemachtigde] . Namens VNMshop was aanwezig [persoon A] , bijgestaan door de gemachtigde mr. T.C. Reintjes.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Perriko verhuurde op basis van een tijdelijke huurovereenkomst sinds 17 maart 2021 de bedrijfsruimte aan [adres] in [plaats] aan VNMshop. In deze huurovereenkomst is opgenomen dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. De huurovereenkomst is op 17 januari 2023 verlengd tot 1 juli 2023. Op 27/28 juni 2023 hebben partijen een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met ingang van 1 juli 2023. In die huurovereenkomst staat dat het gaat om bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. Perriko heeft de huurovereenkomst schriftelijk opgezegd tegen 1 maart 2025.
VNMshop heeft vervolgens een verzoekschrift ingediend waarin zij primair en subsidiair het standpunt heeft ingenomen dat artikel 7:290 BW op de huurrelatie van toepassing is en meer subsidiair – als geoordeeld zou worden dat artikel 7:230a BW op de huurrelatie van toepassing is – een beroep heeft gedaan op ontruimingsbescherming. De kantonrechter heeft op 20 november 2025 een beschikking gegeven waarin zij geoordeeld heeft dat op de huurovereenkomst per 1 juli 2023 artikel 7:230a BW van toepassing is en waarin zij de ontruimingstermijn heeft verlengd tot en met 28 februari 2026. VNMshop is tegen die beschikking in hoger beroep gegaan. Ook in de beroepsprocedure heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst beheerst wordt door artikel 7:290 BW.
Perriko vindt dat de huurprijs gedurende de looptijd van de huurrelatie veel lager was dan de gangbare markthuurprijs. Partijen zijn het niet met elkaar eens geworden over een wijziging van de huurprijs. Perriko wil een vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs instellen en vraagt de kantonrechter daarom in deze procedure – onder de voorwaarde dat de primaire vordering van VNMshop in hoger beroep wordt toegewezen – een deskundige te benoemen om een advies op te stellen en uit te brengen over de huurprijs per 9 april 2026. VNMshop vindt dat Perriko niet-ontvankelijk is in haar verzoek, althans dat dit moet worden afgewezen en heeft – voor het geval het verzoek van Perriko toch wordt toegewezen – verzocht een deskundige te benoemen die niet in [plaats] is gevestigd.
Perriko is niet-ontvankelijk in haar verzoek
Zowel de huurder als de verhuurder kunnen vorderen dat de rechter de huurprijs van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW nader zal vaststellen (artikel 7:303 BW). VNMshop heeft aangevoerd dat het verzoek van Perriko om in dat kader een deskundige te benoemen (op grond van artikel 7:304 BW) te prematuur is. Zij heeft daarbij gewezen op de huurovereenkomst van 27/28 juni 2023 in combinatie met artikel 7:303 lid 1 aanhef en onder b BW. Uit dat artikel volgt – kort gezegd – dat een vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs, als sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, slechts kan worden ingesteld wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken sinds de dag waarop de laatste door partijen vastgestelde huurprijs is ingegaan.
Perriko heeft aangevoerd dat het beroep van VNMshop op artikel 7:303 lid 1 BW in strijd is met het standpunt dat VNMshop in de beroepsprocedure heeft ingenomen. Volgens Perriko heeft VNMshop in die procedure gesteld dat (onder meer) de huurovereenkomst van 27 juni 2023 onder dwang tot stand is gekomen en dat daar om die reden geen betekenis aan toekomt. VNMshop heeft dat betwist en toegelicht dat zij in de beroepsprocedure alléén het toepasselijke huurregime van de huurovereenkomst van 27/28 juni 2023 (artikel 7:290 BW of artikel 7:230a BW) ter discussie heeft gesteld, omdat zij naar eigen zeggen niet uit vrije wil akkoord is gegaan met de toepasselijkheid van het regime van artikel 7:230a BW. Dat laat onverlet dat partijen in die huurovereenkomst wél expliciet een huurprijs zijn overeengekomen, aldus VNMshop.
Tussen partijen staat vast dat zij in artikel 4.8 van de huurovereenkomst van 27/28 juni 2023, die voor onbepaalde tijd is aangegaan, zijn overeengekomen dat de maandelijkse huurprijs met ingang van 1 juli 2023 € 6.310,01 exclusief servicekosten en btw (€ 7.7764,76 inclusief servicekosten en btw) bedraagt. Daarmee is 1 juli 2023 de dag waarop de hiervoor bedoelde vijfjaarstermijn is gaan lopen. Dat betekent dat op grond van artikel 7:303 lid 1 aanhef en onder b BW een vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs pas kan worden ingesteld op of na 1 juli 2028.
Dat VNMshop in deze procedure een standpunt inneemt dat niet te verenigen valt met haar standpunt in de beroepsprocedure heeft de kantonrechter niet kunnen vaststellen. Perriko heeft haar stelling op dat punt ook op geen enkele wijze onderbouwd. Omdat VNMshop al in haar verweerschrift een beroep op de vijfjaarstermijn van artikel 7:303 lid 1 aanhef en onder b BW had gedaan, had dat van Perriko in elk geval ter gelegenheid van de zitting een nadere concrete onderbouwing mogen worden verwacht. Dat heeft Perriko nagelaten.
Het bovenstaande leidt dan ook tot het oordeel dat het beroep van VNMshop op artikel 7:303 lid 1 aanhef en onder b BW slaagt. Dat brengt mee dat Perriko niet eerder dan per 1 juli 2028 een vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs kan instellen, en dan nog alleen als vast komt te staan dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Perriko kan zo’n vordering nu dus nog niet instellen. Dat betekent dat Perriko nu ook geen verzoek kan doen om in dat kader een deskundige te benoemen om een advies uit te brengen over de nader vast te stellen huurprijs (artikel 7:304 lid 2 BW). Om die reden is Perriko niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Omdat Perriko niet ontvankelijk is in haar verzoek, wordt niet toegekomen aan het voorwaardelijk tegenverzoek van VNMshop.
Perriko moet de werkelijke proceskosten betalen
Perriko krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. VNMshop heeft verzocht Perriko in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen.
Een veroordeling in de werkelijke proceskosten is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, bijvoorbeeld bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het verzoek, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.
Tussen partijen bestond voorafgaand aan deze procedure geen discussie over het feit dat op 27/28 juni 2023 een huurovereenkomst gesloten is waarin zij de huurprijs per 1 juli 2023 hebben vastgesteld. Uit niets is gebleken dat Perriko er op kon en mocht vertrouwen VNMshop aan de betreffende huurovereenkomst voor wat betreft de afspraak over de huurprijs geen betekenis toekende. Perriko had daarom, gelet op de inhoud van artikel 7:303 lid 1 aanhef en onder b BW, kunnen en moeten weten dat zij op dit moment nog geen vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs kon instellen of een daaraan gekoppeld verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht kon indienen. Gelet daarop had Perriko het onderhavige verzoek achterwege moeten laten. Het desondanks starten van deze procedure levert daarom misbruik van procesrecht door Perriko op. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat een veroordeling van Perriko in de volledige proceskosten in de gegeven omstandigheden op zijn plaats is.
Ter onderbouwing van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten heeft VNMshop een overzicht uit de administratie van haar gemachtigde in het geding gebracht. Daaruit volgt dat de gemachtigde tot aan de zitting in totaal 6,6 uur aan deze zaak heeft besteed, tegen een uurtarief van € 220,-. Perriko heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de werkelijke proceskosten. Zowel de tijdsbesteding als het uurtarief komen de kantonrechter ook niet bovenmatig of onredelijk voor. Inclusief de tijd die met de zitting van 7 juli 2026 gemoeid is begroot de kantonrechter de werkelijk door VNMshop gemaakte proceskosten in redelijkheid op een totaalbedrag van € 1.980,- (9 uur x € 220,-). Perriko wordt veroordeeld dat bedrag aan VNMshop te betalen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart Perriko niet-ontvankelijk in haar verzoek;
veroordeelt Perriko in de proceskosten, die aan de kant van VNMshop worden begroot op € 1.980,-.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487