ECLI:NL:RBROT:2026:10517

ECLI:NL:RBROT:2026:10517

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/10/719255 / KG ZA 26-435
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Vordering van oud-cliënt op advocatenkantoor tot overlegging van een volledig dossier. Afwijzing. Vordering is te weinig specifiek en daarmee niet voldoende bepaald. Daarnaast komt de vordering niet overeen met de beschikking waarin het advocatenkantoor is bevolen om bepaalde stukken aan eiser te verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/719255 / KG ZA 26-435

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. P.H.J. Körver,

tegen

BUREN N.V.,

gevestigd in Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. J.G. Geertsma.

Partijen worden hierna [eiser] en Buren genoemd.

De zaak in het kort

Deze rechtbank heeft Buren op 4 maart 2026 bevolen om afschriften van gegevens aan [eiser] te verstrekken. Buren heeft stukken aan [eiser] gegeven. [eiser] stelt dat Buren daarmee niet volledig aan het bevel voldaan heeft omdat zij niet alle stukken heeft verstrekt. In dit kort geding vordert [eiser] dat Buren onder oplegging van een dwangsom wordt veroordeeld tot het overleggen van een volledig dossier. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 mei 2026 waarin de zaak is verwezen naar de voorzieningenrechter in deze rechtbank,

de dagvaarding van 22 mei 2026,

de producties 1 tot en met 11 van [eiser] ,

de producties 1 tot en met 7 van Buren,

de spreekaantekeningen van mr. Körver.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarna is de zaak aangehouden in verband met onderhandelingen tussen partijen. Op 16 juni 2026 heeft mr. Körver aan de voorzieningenrechter laten weten dat [eiser] voortzetting van het geschil wenste. De mondelinge behandeling is op 22 juli 2026 voortgezet.

2. De feiten

Op 15 juni 2017 is [eiser] failliet verklaard. Bij de afwikkeling van zijn faillissement wordt [eiser] bijgestaan door [voormalige advocaat] , die op dat moment als advocaat verbonden is aan Buren. In december 2019 beëindigt Buren de bijstand aan [eiser] .

Eind 2025 maakt [eiser] bij de rechtbank Den Haag een procedure tegen Buren aanhangig, die na een verwijzing door deze rechtbank wordt behandeld. Daarin verzoekt [eiser] om Buren te bevelen om afschriften van gegevens aan hem te verstrekken. [eiser] stelt dat hij daar belang bij heeft omdat hij wil achterhalen wat er precies is gebeurd rondom en tijdens een gesprek dat zou hebben plaatsgevonden in het laatste kwartaal van 2019 tussen [voormalige advocaat] , zijn kantoorgenoot [toenmalige collega] en leden van het Team Insolventie van de rechtbank Den Haag. Volgens [eiser] heeft [voormalige advocaat] in 2023 aan hem heeft verteld dat de bijstand aan hem is stopgezet naar aanleiding van dat gesprek, omdat leden van het Team Insolventie daarin zouden hebben medegedeeld dat als Buren en/of [voormalige advocaat] [eiser] bleef/bleven bijstaan, zij als curator minder of geen faillissementen meer toebedeeld zouden krijgen.

Bij beschikking van 4 maart 2026 (hierna: de beschikking) wijst deze rechtbank het verzoek van [eiser] toe en beveelt Buren om uiterlijk op 18 maart 2026 afschriften van de volgende gegevens aan [eiser] te verstrekken:

e-mails verzonden dan wel ontvangen (waaronder steeds wordt verstaan in cc dan wel bcc), inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde e-mails en bijlagen, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van Buren (zowel advocaten als overige fee earners en ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021, waarin [eiser] voor- en/of achternaam en/of een acroniem van [eiser] voor- en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd,

berichten verstuurd dan wel ontvangen, inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde berichten, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van Buren (zowel advocaten als overige fee earners en ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), met inbegrip van geluidsbestanden, afbeeldingen, video’s en andere bestanden die onderdeel of bijlage zijn van een chat/conversatie, waaronder in ieder geval berichten op WhatsApp, LinkedIn, Telegram, Signal, Messenger en sms-berichten in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021 waarin [eiser] voor- en/of achternaam en/of een acroniem van [eiser] voor- en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd.

Bij e-mail van 10 maart 2026 vraagt mr. Körver de in de beschikking genoemde gegevens op bij Buren, waarna Buren 72 stukken verstrekt.

Bij e-mail van 13 april 2026 schrijft mr. Körver aan Buren dat de verstrekte stukken bij lange na niet volledig zijn. Mr. Körver gunt Buren dan nog een termijn van twee werkdagen om hem alsnog te voorzien van datgene tot afgifte waarvan Buren is veroordeeld.

Bij e-mail van 15 april 2026 vraagt [toenmalige collega] namens Buren aan mr. Körver wat er volgens [eiser] ontbreekt. Daarbij merkt hij op dat Buren haar systeembeheerder heeft verzocht om conform de beschikking in de systemen te zoeken op de (voor)namen [eiser] en dat het resultaat daarvan met [eiser] is gedeeld. Mr. Körver heeft geen antwoord gegeven op de vraag van [toenmalige collega] .

Bij e-mail van 2 juni 2026 schrijft mr. Geertsma aan mr. Körver dat de [beroep medewerker] van Buren, [persoon A] (hierna: [persoon A] ), bij een nieuwe zoekslag is gestuit op een export van de mailbox van [voormalige advocaat] en daarbij aanvullende gegevens heeft aangetroffen. Hij laat weten dat [eiser] via een downloadlink en wachtwoord toegang krijgt tot die gegevens. Verder merkt hij op dat nog een finale check wordt uitgevoerd op een laatste beperkte set en dat als dat nog aanvullende gegevens oplevert ook die aan [eiser] worden verstrekt.

Bij separate e-mails van 2 juni 2026 zendt Buren, 20 minuten voor aanvang van de op die dag geplande mondelinge behandeling, een downloadlink en wachtwoord aan [eiser] waarmee de in 2.7. bedoelde aanvullende gegevens – ruim 100 bestanden – door hem kunnen worden ingezien.

Bij e-mail van 11 juni 2026 laat mr. Geertsma aan mr. Körver weten dat nog 10 resterende gegevens zijn aangetroffen. Daarbij verwijst hij naar een bijgevoegde downloadlink voor toegang daartoe.

3. Het geschil

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Buren onder oplegging van een dwangsom veroordeelt tot het overleggen van een volledig dossier aan [eiser] waartoe zij in de beschikking is veroordeeld.

Buren voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, althans de kosten van de voortzetting van de mondelinge behandeling.

4. De beoordeling

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat Buren in de beschikking is bevolen om binnen twee weken afschriften van gegevens aan [eiser] te verstrekken. [eiser] stelt dat Buren dat bevel niet volledig heeft nageleefd en dat hij de gegevens nodig heeft in het kader van lopende voorlopige bewijsverrichtingen.

[eiser] vordert dat Buren onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld tot het overleggen van stukken. Voor toewijzing van zo’n vordering is vereist dat het gaat om bepaalde gegevens. Een vordering die ertoe strekt om inzage te krijgen in een volledig dossier, zoals in dit geval, is te weinig specifiek. Om die reden kan de vordering niet als voldoende bepaald worden aangemerkt en dus niet worden toegewezen (zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35 498 nr. 3, p. 48 (MvT)). Daar komt bij dat de vordering niet overeenkomt met het bevel in de beschikking. Buren is bevolen om afschrift van bepaalde

– de hiervoor in 2.3. genoemde – gegevens te verstrekken. Dat is iets anders dan een volledig dossier. Daarnaast vloeit uit de dagvaarding en de producties niet voort dat [eiser] met zijn vordering bedoeld heeft dat Buren volledig aan de beschikking dient te voldoen.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat ook als de vordering, door uitlegging van de dagvaarding, als voldoende bepaald moet worden aangemerkt, deze moet worden afgewezen. Voor een veroordeling onder druk van een dwangsom bestaat namelijk pas aanleiding als voldoende aannemelijk is dat degene tegen wie de veroordeling zich richt die veroordeling daadwerkelijk kan nakomen. Dat is hier niet het geval. Vast staat dat Buren binnen de in de beschikking gestelde termijn niet alle stukken aan [eiser] heeft verstrekt. Op 2 en 11 juni 2026 (zie 2.8. en 2.9.) heeft [eiser] namelijk nog aanvullende gegevens aan [eiser] verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft [persoon A] verklaard dat inmiddels alles is onderzocht en dat eventuele e-mails die in het verleden zijn verwijderd niet meer terug te vinden zijn. Een rapportage van [bedrijf] B.V., een in forensische onderzoeksdiensten gespecialiseerde onderneming, bevestigt dit.

Gelet hierop had van [eiser] mogen worden verwacht dat hij (eerder) had toegelicht op grond waarvan aannemelijk is dat Buren over nog meer stukken beschikt die onder de veroordeling van 4 maart 2026 vallen. Dat heeft hij niet gedaan. [eiser] erkent dat eigenlijk ook wel. Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling benoemde hij immers dat hij niet weet wat hij niet heeft gekregen. In zoverre heeft het gevorderde het karakter van een, niet toewijsbare, fishing expedition.

Uiteindelijk noemde [eiser] , in het pleidooi tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling zes e-mails, als voorbeelden van niet verstrekte gegevens. Dat is niet voldoende. Aannemelijk is, althans niet uitgesloten kan worden dat, zoals ook [persoon A] heeft verklaard, deze e-mails jaren geleden bij Buren zijn verwijderd en daar niet meer kunnen worden teruggehaald. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat Buren nog over andere stukken beschikt. Overigens moeten, gelet op de gegevens waarover [eiser] blijkbaar (nog) beschikt, waarover hij geen volledige openheid van zaken geeft, hij noemt immers 6 voorbeelden en geeft dus geen limitatieve opsomming, twijfels worden geplaatst bij het belang van [eiser] bij zijn vordering.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor een compensatie van de proceskosten. In reactie op de e-mail van [toenmalige collega] van 15 april 2026 (zie 2.6.) heeft mr. Körver niet aan Buren willen vertellen welke stukken er in de visie van [eiser] nog ontbraken, maar is hij direct namens [eiser] dit kort geding gestart. Na ontvangst van de dagvaarding – waarin werd geciteerd uit enkele niet verstrekte maar bij [eiser] zelf wel aanwezige stukken, welke stukken ook als productie waren bijgevoegd – heeft [persoon A] een nieuwe zoekslag gedaan en ontdekt dat niet alle stukken aan [eiser] waren verstrekt. Deze stukken zijn vlak voor de mondelinge behandeling aan [eiser] gezonden en aanleiding geweest om de zaak aan te houden. Op 16 juni 2026 heeft mr. Körver zonder enige toelichting om voortzetting van de zaak verzocht. In de aanloop naar die voortzetting is die toelichting ook niet gegeven: niet aan de voorzieningenrechter en niet aan Buren. Pas tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling heeft mr. Körver uitgelegd waarom er in de visie van [eiser] nog stukken ontbraken en welke stukken dat in ieder geval zijn. Deze gang van zaken acht de voorzieningenrechter in strijd met de goede procesorde. Door voorafgaand aan het kort geding niet te reageren op de vraag welke stukken nog ontbraken en het verzoek om voortzetting van de zaak niet toe te lichten, heeft [eiser] Buren op achterstand gezet. Buren kon zich hierdoor namelijk inhoudelijk onvoldoende voorbereiden. Dat Buren pas na het uitbrengen van de dagvaarding aanvullende gegevens aan [eiser] heeft verstrekt, en daardoor als in het ongelijk te stellen partij is te beschouwen, weegt in het licht van het voorgaande onvoldoende zwaar om Buren in de proceskosten te veroordelen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vordering van [eiser] af,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. [2971/2009]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand