RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3310
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
(gemachtigde: [naam] ).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de jaren 2015 en 2018. Ook is eiseres het niet eens met de door de Dienst Toeslagen gehanteerde startdatum voor de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen compensatie had moeten toekennen voor toeslagjaar 2015. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 17 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht voor een bedrag van € 39.541,-.
Met het besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 februari 2023 gegrond verklaard en aan eiseres een hogere compensatie toegekend voor een bedrag van € 41.561,-.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft één kind, geboren op [geboortedatum] 2014. Op 19 juli 2021 heeft zij een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht.
Met het besluit van 17 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2014 tot en met 2019 beoordeeld en aan eiseres € 39.541,- compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 en 2017. Voor het jaar 2014 heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag op € 0,- vastgesteld omdat eiseres niet had gereageerd op twee informatieverzoeken, terwijl eiseres stelt dat zij wel heeft gereageerd. Voor het jaar 2017 heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag tevens op € 0,- vastgesteld omdat eiseres niet gereageerd had op informatieverzoeken, terwijl er geen informatieverzoeken zijn verstuurd. Voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid of een te harde toepassing van de wet. Voor de jaren 2016 en 2019 is er geen sprake van een neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag en voor de jaren 2015 en 2018 zijn de neerwaartse bijstellingen het gevolg van reguliere correcties, aldus de Dienst Toeslagen. Voor deze jaren heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat er geen sprake is van een onterechte O/GS-kwalificatie, waardoor eiseres ook niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen een hogere vergoeding voor immateriële schade toegekend en de compensatie vastgesteld op een bedrag van € 42.066,-. Voor het overige is de Dienst Toeslagen bij het besluit van 17 februari 2023 gebleven.
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor toeslagjaar 2015 terecht afgewezen?
4. Eiseres betoogt dat zij recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2015. De kinderopvangtoeslag voor jaar 2014 is ten onrechte op € 0,- vastgesteld en dit is aangemerkt als vooringenomen handelen. Dit had tot gevolg dat de kinderopvangtoeslag voor jaar 2015 niet automatisch is gecontinueerd en pas op 12 mei 2015 is uitbetaald. Er ontstonden betalingsproblemen bij de kinderopvanginstelling waardoor de zoon van eiseres tijdelijk is uitgeschreven. Uit een e-mail die eiseres op 22 december 2014 ontving van de kinderopvanginstelling volgt dat de Dienst Toeslagen aan de kinderopvanginstelling heeft medegedeeld dat de bewijsstukken voor het recht op kinderopvangtoeslag binnen waren, maar dat het nog acht tot dertien weken zou duren voordat er werd uitbetaald. Hieruit blijkt dat de Dienst Toeslagen toen al over de juiste informatie beschikte om het recht op kinderopvangtoeslag vast te stellen. Deze situatie staat omschreven als een situatie waarvoor compensatie wordt toegekend in het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (het handboek).
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat voor het jaar 2014 wel compensatie is toegekend wegens institutionele vooringenomenheid, geen aanwijzing is om ook voor het jaar 2015 compensatie toe te kennen. Eiseres heeft op 28 januari 2015 bewijsstukken opgestuurd, maar die zien alleen op het jaar 2014. In het toeslagenverstrekkingensysteem (TVS) zijn twee meldingen aangetroffen van de ouder waaruit volgt dat de aanvraag voor kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 op 12 maart 2015 is stopgezet per 1 januari 2015 en op dezelfde datum weer is aangevraagd per 1 januari 2015. Naar aanleiding van de aanvraag van 12 maart 2015 is een voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 toegekend bij beschikking van 21 mei 2015. Vervolgens is de kinderopvangtoeslag met de beschikking van 18 november 2016 verlaagd door een wijziging in het aantal opvanguren. Deze verlaging is het gevolg van een reguliere wijziging en veronderstelt niet vooringenomenheid.
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. In het handboek heeft de Dienst Toeslagen verder uitgewerkt in welke gevallen sprake is van vooringenomen handelen. Daarin is de volgende passage opgenomen: “De lange duur (de definitie van lange duur is casus afhankelijk) tot vaststelling van de definitieve beschikking is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat sprake is van vooringenomenheid. De lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking kan in combinatie met andere omstandigheden wel tot de conclusie vooringenomenheid leiden. Het bovenstaande geldt ook voor het (nog) niet vaststellen van de beschikking in combinatie met de lange duur van het verwerken van de aanvraag van KOT, waarbij de verwerkingsduur van de aanvraag in combinatie met financiële problemen (ouder is bijvoorbeeld niet meer in staat om de kosten van de KOI zelf voor te schieten in afwachting van de toekenning) een sterke indicatie is van vooringenomenheid.” Op de zitting kon de Dienst Toeslagen desgevraagd niet toelichten op welke situaties deze passage betrekking heeft en hoe dit zich verhoudt tot de situatie van eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat de lange verwerking van de aanvraag voor kinderopvangtoeslag in 2014 tot gevolg heeft gehad dat de aanvraag niet automatisch is gecontinueerd naar het jaar 2015, waardoor ook de beschikking voor toeslagjaar 2015 laat is genomen. Eiseres heeft namelijk op 16 oktober 2014 kinderopvangtoeslag aangevraagd met ingang van 16 oktober 2014. Een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Deze aanvraag had dus ook betrekking op toeslagjaar 2015. De Dienst Toeslagen heeft op 18 november 2014 en op 25 november 2014 schriftelijk aan eiseres verzocht om informatie om het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 te kunnen beoordelen. Met de beschikking van 21 januari 2015 is de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet op de informatieverzoeken zou hebben gereageerd. De Dienst Toeslagen heeft de beschikking van 21 januari 2015 aangemerkt als een direct gevolg van institutionele vooringenomenheid omdat eiseres wel stukken had overgelegd. Eiseres heeft na de dagtekening van de beschikking van 21 januari 2015 in ieder geval stukken toegestuurd welke op 28 januari 2015 door de Dienst Toeslagen zijn ontvangen. Hiervan is aannemelijk dat eiseres de stukken heeft toegestuurd in reactie op de beschikking van 21 januari 2015. Onder de stukken bevonden zich een bankafschrift, een schoolverklaring waaruit volgt dat eiseres stond ingeschreven voor een beroepsopleiding voor de periode van 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015 en een contract met de kinderopvanginstelling voor de periode tussen 16 oktober 2014 en 31 mei 2018. Anders dan de Dienst Toeslagen stelt, zag deze informatie dus ook op het jaar 2015 en kon met deze informatie worden vastgesteld dat eiseres ook voor 2015 aanspraak maakte op kinderopvangtoeslag omdat zij kinderopvang afnam bij een geregistreerd kinderopvangcentrum en stond ingeschreven bij een school. Ook zag de beschikking van 21 januari 2015 op de aanvraag in het algemeen en niet op het recht op kinderopvangtoeslag voor alleen het jaar 2014. Vervolgens heeft eiseres op 11 maart 2015 telefonisch contact gehad met de Dienst Toeslagen, blijkens een door eiseres overgelegde e-mail van de Dienst Toeslagen van diezelfde datum. In deze e-mail vraagt de Dienst Toeslagen wederom aanvullende stukken te overleggen om het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 en 2015 te kunnen beoordelen. Voor het jaar 2015 is de kinderopvangtoeslag vervolgens, anders dan de Dienst Toeslagen stelt, door de Dienst Toeslagen zelf op 12 maart 2015 stopgezet en weer aangevraagd. In het dossier zit een uitdraai van de stopzetting uit een van de systemen van de Dienst Toeslagen. Op die uitdraai is te zien dat de stopzetting ambtshalve is verwerkt met de toelichting “Stop/start omdat de KOT niet wil lopen voor 2015”. Dit wijst er ook op dat de aanvraag wel automatisch had moeten doorlopen naar het jaar 2015, maar dat dit niet is gebeurd. Eiseres moest dus zelf telefonisch contact opnemen om de Dienst Toeslagen te bewegen haar aanvraag alsnog te verwerken. Uiteindelijk zijn pas met de beschikkingen van 1 mei 2015 en 21 mei 2015 voorschotten kinderopvangtoeslag toegekend voor de jaren 2014 en 2015. De Dienst Toeslagen verleent een voorschotbedrag binnen dertien weken na de ontvangst van de aanvraag. Voor het jaar 2014 had de Dienst Toeslagen uiterlijk 15 januari 2015 een voorschot moeten verlenen, maar de Dienst Toeslagen deed dit pas met de beschikking van 1 mei 2015, ruim vijftien weken te laat. Voor het jaar 2015 is het voorschot kinderopvangtoeslag pas in week 21 van dat jaar verleend. De Dienst Toeslagen had de termijn met dertien weken kunnen verlengen, maar uit het dossier volgt niet dat dit is gebeurd. Gezien voorgenoemde omstandigheden is aannemelijk dat deze lange verwerkingsduur van de aanvraag doorwerking heeft gehad in het jaar 2015 doordat de aanvraag niet automatisch is gecontinueerd.
De lange verwerkingsduur heeft tot gevolg gehad dat eiseres pas op 22 april 2015 de eerste uitbetaling voor het jaar 2014 en pas op 12 mei 2015 de eerste uitbetaling voor het jaar 2015 ontving. Eiseres heeft dus in de periode van 16 oktober 2014, de eerste dag waarop kinderopvang werd afgenomen, tot 22 april 2015, zelf in de kosten voor kinderopvang moeten voorzien. Uit het contract met de kinderopvanginstelling volgt dat het ging om maandelijkse bedragen van € 1.228,11. Nu eiseres stond ingeschreven voor een voltijd beroepsopleiding, is het aannemelijk dat eiseres deze kosten niet zes maanden zelf kon dekken. Gelet op deze omstandigheden is ook aannemelijk dat de zoon van eiseres enkele weken niet bij de opvang terecht kon vanwege betalingsachterstanden, zoals eiseres heeft gesteld. De Dienst Toeslagen heeft dit op de zitting ook niet betwist.
Naar het oordeel van de rechtbank is in deze situatie sprake van een te lange verwerkingsduur van de aanvraag in combinatie met financiële problemen waardoor eiseres schade heeft geleden. Dat is een situatie die volgens het handboek een sterke indicatie is van vooringenomenheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Dienst Toeslagen voor het jaar 2015 compensatie had moeten toekennen. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond.
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaren 2015 en 2018 terecht afgewezen?
5. Eiseres betoogt verder dat zij recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2015 en 2018. Over deze jaren zijn bedragen teruggevorderd. Eiseres heeft op 16 januari 2016 een brief van het Landelijk Incasso Centrum ontvangen waaruit volgt dat zij € 2.440,- moest terugbetalen. De Dienst Toeslagen heeft niet inzichtelijk gemaakt of er zorgvuldig in het invorderingssysteem is onderzocht of sprake is van een O/GS-kwalificatie. Dit is volgens eiseres in strijd met het motiveringsbeginsel.
De Dienst Toeslagen kent een O/GS-tegemoetkoming toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag indien de toepassing van de wet bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan haar geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld.
Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen voor toeslagjaar 2015 compensatie moet toekennen, komt zij niet meer toe aan de beoordeling of eiseres voor dit jaar recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming. Voor toeslagjaar 2018 geldt dat eiseres € 4.164,- moest terugbetalen. Eiseres heeft op 27 november 2018 verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. De Dienst Toeslagen heeft op 1 februari 2019 uitstel van betaling toegekend, waardoor eiseres € 191,- per maand moest terugbetalen. Tegen die beslissing heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 13 december 2019 is vastgesteld dat eiseres onvoldoende betalingscapaciteit heeft en de Dienst Toeslagen daarom geen invorderingsmaatregelen zal nemen. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om een persoonlijke betalingsregeling in bezwaar dus alsnog beoordeeld. De Dienst Toeslagen zou dit verzoek hebben afgewezen als er sprake was van een kwalificatie opzet of grove schuld. Dit wijst erop dat het met het besluit van 1 februari 2019 niet toekennen van een persoonlijke betalingsregeling niet was ingegeven door een (onterechte) kwalificatie van opzet of grove schuld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag voor een O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2018 terecht heeft afgewezen.
De rechtbank is verder van oordeel dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit omdat pas met de stukken die de Dienst Toeslagen met het verweerschrift heeft overgelegd, toereikend is gemotiveerd hoe de Dienst Toeslagen heeft beslist op het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Het bestreden besluit was daarom niet deugdelijk gemotiveerd zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist. Aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Als het gebrek zich niet had voorgedaan, was de beslissing om aan eiseres geen O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor toeslagjaar 2018 niet anders geweest. Gelet daarop zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 Awb worden gepasseerd. Dat betekent dat het gebrek geen gevolgen heeft voor het bestreden besluit.
Heeft de Dienst Toeslagen de compensatie voor immateriële schade juist berekend?
6. Eiseres voert verder aan dat de startdatum voor de vergoeding voor immateriële schade conform het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie moet worden vastgesteld op 16 januari 2015 in plaats van 21 januari 2015.
De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste neerwaartse beschikking dateert van 21 januari 2015 en dat die datum dus ook de juiste startdatum is. Omdat de Dienst Toeslagen tijdens de hoorzitting bij de Bezwaarschriftenadviescommissie heeft toegezegd dat de datum zal worden aangepast naar 16 januari 2015, zal de Dienst Toeslagen dit herstellen in het bestreden besluit.
De compensatie bestaat mede uit een bedrag voor immateriële schade dat gelijk is aan € 500,- voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag of het beëindigen van een voorschotverlening voor kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen is uitgegaan van de juiste eerste beschikking tot niet toekennen van kinderopvangtoeslag. Met de beschikking van 21 januari 2015 is namelijk vastgesteld dat eiseres geen kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 krijgt omdat zij geen bewijsstukken heeft opgestuurd. De Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat deze beschikking een direct gevolg is geweest van institutionele vooringenomenheid. De Dienst Toeslagen heeft de stopzetting weliswaar op 16 januari 2015 in het systeem verwerkt, maar de Wht ziet op de eerste beschikking waarmee een vooringenomen handeling tot uiting is gekomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank stelt wel vast dat de Dienst Toeslagen heeft toegezegd het bestreden besluit te herstellen en de datum aan te passen naar 16 januari 2015. De rechtbank gaat ervan uit dat de Dienst Toeslagen dit zal doen.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
7. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 24 maart 2023. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn afgerond met zeventien maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 7 april 2025, afgerond twee jaar en één maand na ontvangst van het bezwaarschrift. Dat is een overschrijding van negentien maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2018. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Eiseres heeft in bezwaar een vergoeding van de proceskosten ontvangen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 februari 2025 voor zover daarin is beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor toeslagjaar 2018;
- draagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.