Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-170739-22
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Datum zitting: 19 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ( [land] ).
Officier van justitie: mr. V.E. Broeders.
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van zijn aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2020, omdat hij zijn aanmerkelijk belang in buitenlandse vennootschappen en de inkomsten hieruit niet heeft opgegeven. Hij wordt vrijgesproken voor (het feitelijke leidinggeven aan) het opzettelijk onjuist en onvolledig (laten) doen van de aangiften vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) over de jaren 2014 tot en met 2021. De rechtbank legt de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van één jaar. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - kort samengevat - opzettelijk onjuist aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekering over de jaren 2014 tot en met 2020 heeft gedaan door zijn aanmerkelijk belang in buitenlandse vennootschappen en de inkomsten daaruit niet te vermelden.
Ook beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan, tenlastegelegd onder feit 2 in verschillende varianten, dat hij binnen [bedrijf 1] kosten heeft gefingeerd waardoor er opzettelijk een te laag belastbaar bedrag in de aangiften vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] over de jaren 2014 tot en met 2021 is opgegeven.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.
2. Bewijs feit 1/vrijspraak feit 2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 en 2. De officier van justitie heeft bij feit 2 partiële vrijspraak gevorderd ten aanzien van de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] over het jaar 2021, omdat de onjuistheid van deze aangifte op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld.
Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 1
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewezen is dat de verdachte
1.
op één of meerdere tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 augustus 2022 te Apeldoorn, en/of Utrecht in elk geval in Nederland en/of Cyprus en/of Isle of Man en/of Groot Brittannië en/of Dubai, tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen over de/het ja(a)r(en):
- 2014 (DOC-037/046/354)
- 2015 (DOC-038/046/354)
- 2016 (DOC-039/046/354)
- 2017 (DOC-040/046/354)
- 2018 (DOC-041/046/354)
- 2019 (DOC-042/046/354)
- 2020 (DOC-233/046/354)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan door, (telkens) op/in die (digitale) aangiften (telkens) geen aanmerkelijk belang in één of meer (buitenlandse) ondernemingen op te geven en/of een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en/of uit sparen en beleggen (box 3) op te geven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven.
Vrijspraak feit 2
De kern van het verwijt onder feit 2 is dat de verdachte in de aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf 1] voor de jaren 2014 tot en met 2020 steeds een gefingeerde kostenpost heeft opgenomen of heeft laten opnemen, te weten de jaarlijkse licentiebetaling van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ) voor het gebruik van het zogeheten [concept] . Deze kostenpost had een drukkend effect op de winst van [bedrijf 1] en daarmee op de te heffen vennootschapsbelasting.
Uit de bewezenverklaring van feit 1 blijkt dat de verdachte een ‘structuur van vennootschappen’ heeft laten opzetten om geen belasting te hoeven betalen over, onder meer, de inkomsten die hij als uiteindelijke gerechtigde ontving uit [bedrijf 2] , de vennootschap waaraan de verdachte in 2005 zijn intellectueel eigendom van het [concept] had overgedragen. Die belastingconstructie brengt echter niet zonder meer mee dat [bedrijf 1] zonder grondslag licentiebetalingen als kostenpost heeft opgenomen en daarmee steeds een onjuiste of onvolledige aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan, dan wel dat de opzet van de verdachte, al dan niet als feitelijke leidinggevende van [bedrijf 1] , (ook) daarop was gericht. De verdachte heeft verklaard dat het [concept] een blauwdruk was voor een behandelmethode voor patiënten met chronische vermoeidheidsklachten en pijnklachten, en dat [bedrijf 1] dit concept dankzij de licentieovereenkomst verder kon ontwikkelen en exploiteren, onder meer via de [bedrijf 3] . Mevrouw [naam] , die in haar hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] in 2010 de licentieovereenkomst heeft ondertekend, heeft verklaard dat [bedrijf 1] destijds allerlei materiaal heeft ontvangen met betrekking tot het [concept] , zoals factsheets, mappen met opleidingsmateriaal en toegang tot het ICT-systeem waarin een en ander was ingebouwd. Met deze verklaringen is een grondslag voor de licentiebetalingen gegeven. Hetgeen de officier van justitie aan de hand van het dossier heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om in weerwil van voormelde verklaringen zonder redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat de licentiebetalingen steeds ten onrechte als kostenpost zijn opgevoerd, noch dat het opzet van de verdachte (ook) was gericht op het steeds (laten) opgeven van een onjuist belastbaar bedrag in de aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf 1] .
Dat betekent dat de beschuldiging onder feit 2 niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
Het totale fiscale nadeel van de fraude (dus voor beide feiten) bedraagt € 1.100.000,-. Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, de ontkennende proceshouding van de verdachte, wat de officier van justitie als strafverzwarend meeweegt, en het ontbreken van strafverminderende omstandigheden moet de verdachte worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich ruim 7 jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. In zijn aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2020 heeft hij steeds nagelaten om zijn aanmerkelijk belang in buitenlandse vennootschappen, waarvan hij de uiteindelijke gerechtigde was, en de inkomsten daaruit op te gegeven. De verdachte heeft door een belastingconstructie en onder de schijntitel van ‘lening’ inkomsten uit deze vennootschappen buiten het zicht van de Belastingdienst op buitenlandse bankrekeningen laten toevloeien, zonder dat hij als belastingplichtige in Nederland hierover inkomstenbelasting betaalde. De Belastingdienst heeft hierdoor een fiscaal nadeel geleden € 639.050,-.
Het belastingsysteem berust erop dat op de juistheid van belastingaangiften moet kunnen worden vertrouwd. De verdachte heeft dit vertrouwen aanzienlijk geschaad door meermalen onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting in te dienen. Hierdoor is de overheid en daarmee de samenleving benadeeld. Bovendien wordt het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van een eerlijke lastenverdeling, door dergelijk handelen geschaad, en draagt dat handelen bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraude kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is vanuit generale preventie en punitief oogpunt niet passend.
Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Omdat de verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken, is het vertrekpunt bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf het benadelingsbedrag van € 639.000,-, waarbij als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de achttien maanden en vierentwintig maanden staat vermeld.
De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking het voordeel dat de verdachte daarvan heeft genoten en dat de verdachte de gedraging niet uit eigen beweging heeft beëindigd. De rechtbank neemt als strafverminderende omstandigheden in aanmerking de leeftijd van de verdachte, zijn gezondheidsproblemen en zijn belastingschuld bij de Belastingdienst.
Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één (1) jaar passend en geboden.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 Algemene wet rijksbelastingen.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1, zoals hiervoor onder 2.2.1 omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één (1) jaar.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en M.A. Loenen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.
Mrs. M.A. Loenen L. Daum en Eekhout zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 tenlastelegging
1.
Hij
op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot
en met 1 augustus 2022 te Apeldoorn en/of Utrecht in elk geval in Nederland en/of
Cyprus en/of Isle of Man en/of Groot Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen over de/het ja(a)r(en):
- 2014 ( DOC-037/046/354)
- 2015 ( DOC-038/046/354)
- 2016 ( DOC-039/046/354)
- 2017 ( DOC-040/046/354)
- 2018 ( DOC-041/046/354)
- 2019 ( DOC-042/046/354)
- 2020 ( DOC-233/046/354)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan door,
(telkens) op/in die (digitale) aangiften (telkens) geen aanmerkelijk belang in één
of meer (buitenlandse) ondernemingen op te geven en/of een onjuist bedrag aan
belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en/of uit sparen en beleggen
(box 3) op te geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven;
(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
EN/OF
Hij
op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot
en met 1 augustus 2022 te Apeldoorn en/of Utrecht in elk geval in Nederland en/of
Cyprus en/of Isle of Man en/of Groot Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen over de/het ja(a)r(en):
- 2014 ( DOC-037/046/354)
- 2015 ( DOC-038/046/354)
- 2016 ( DOC-039/046/354)
- 2017 ( DOC-040/046/354)
- 2018 ( DOC-041/046/354)
- 2019 ( DOC-042/046/354)
- 2020 ( DOC-233/046/354)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen/laten doen door,
(telkens) op/in die (digitale) aangiften (telkens) geen aanmerkelijk belang in één
of meer (buitenlandse) ondernemingen op te laten doen geven/doen geven en/of
een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en/of
uit sparen en beleggen (box 3) op te laten doen geven/doen geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven;
(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
(art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene
wet inzake rijksbelastingen)
2.
Hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 september 2023 te
Amsterdam en/of Utrecht en/of Apeldoorn in elk geval in Nederland en/of Groot
Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name
van:
- [bedrijf 1] over de/het ja(a)r(en) 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019,
2020 en 2021 (DOC-137/138/139/140/141/142/143/317/318)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan door,
(telkens) op/in die (digitale) aangiften een onjuist belastbaar bedrag op te geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven;
(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
(art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene
wet inzake rijksbelastingen)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
Hij
op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot
en met 1 september 2023 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Apeldoorn in elk geval
in Nederland en/of Groot Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name
van:
- [bedrijf 1] over de/het ja(a)r(en) 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020
en 2021 (DOC-137/138/139/140/141/142/143/317/318)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen/laten doen, door
(telkens) op/in die (digitale) aangiften een onjuist belastbaar bedrag op te laten
doen geven/doen geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven;
(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
(art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene
wet inzake rijksbelastingen)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
[bedrijf 1]
in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 september 2023 te
Amsterdam en/of Utrecht en/of Apeldoorn in elk geval in Nederland en/of Groot
Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over de/het
ja(a)r(en) 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021
(DOC-137/138/139/140/141/142/143/317/318)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan door,
(telkens) op/in die (digitale) aangiften een onjuist belastbaar bedrag op te geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens)
opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden
gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(artikel 51 lid 2 onder 2 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
(art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht, art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet
inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen )
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
[bedrijf 1]
op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot
en met 1 september 2023 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Apeldoorn in elk geval
in Nederland en/of Groot Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over de/het
ja(a)r(en) 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021
(DOC-137/138/139/140/141/142/143/317/318)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben doen/laten doen door,
(telkens) op/in die (digitale) aangiften een onjuist belastbaar bedrag op te laten
doen geven/doen geven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens)
opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden
gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(artikel 51 lid 2 onder 2 Wetboek van Strafrecht, art. 69 lid 2 Algemene wet inzake
rijksbelastingen)
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
meer subsidiair I althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij
op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot
en met 1 september 2023,
te Amsterdam en/of Utrecht en/of Apeldoorn in elk geval in Nederland en/of Groot
Brittannië en/of Dubai,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, meermalen, althans
eenmaal
één of meerdere geschrift(en) (elk) zijnde een geschrift dat/die bestemd was/waren
om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
één of meerdere (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting van OCA
Operations B.V. over de/het ja(a)r(en) 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en
2021 (DOC-137/138/139/140/141/142/143/317/318)
valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben doen opmaken en/of
heeft/hebben vervalst en/of heeft/hebben doen vervalsen,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk,
immers opzettelijk in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven -:
in die aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting een onjuist bedrag aan
(bedrijfs)kosten en/of (bedrijfs)lasten te vermelden
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken
en/of van dat/die geschrift(en) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of
doen gebruikmaken, bestaande dat gebruikmaken en/of doen gebruikmaken –
zakelijk weergegeven – uit:
het (telkens) bij de Belastingdienst indienen van die aangiften voor de
vennootschapsbelasting;
(art. 225 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht)
(art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht, art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet
inzake rijksbelastingen, art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen)