ECLI:NL:RBROT:2026:10536

ECLI:NL:RBROT:2026:10536

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-07-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 83-323931-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De officier van justitie is ontvankelijk. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Niet gebleken dat het opsporingsonderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en in strijd met de beginselen van een goede procesorde is gehandeld. Opportuniteitsbeginsel: officier van justitie is gelet op het opportuniteitsbeginsel ontvankelijk in de vervolging. Vrijspraak valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-323931-23

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Datum zitting: 19 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. K.C. van der Wijngaart.

Officier van justitie: mr. J.P. Hopman

Kern van het vonnis

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. De verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde valsheid in geschrift. Deze beslissingen worden hierna in het vonnis uitgelegd.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

[bedrijf 1]

in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 29 april 2021

te Barendrecht, althans in Nederland,

tezamen in vereniging met anderen, althans alleen,

opzettelijk valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot

bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- inkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en/of [bedrijf 1]

, en/of

- doorbelastingsfacturen van [bedrijf 4] aan [bedrijf 3] en/of [bedrijf 1]

,

voorhanden heeft gehad, terwijl [bedrijf 1] en/of haar

mededader(s) wist(en), of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat

voornoemde facturen bestemd waren om gebruik van te maken als ware

deze echt en onvervalst, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie (hierna OM) dient op grond van het gelijkheidsbeginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feitelijke leiding geven aan het voorhanden hebben van valse facturen.

De verdachte, als algemeen bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ), onderscheidt zich niet van de andere bestuurders [naam 1] en [naam 2] , omdat zij gezamenlijk de zeggenschap hadden in en verantwoordelijkheid droegen voor [bedrijf 1] . Er is dus sprake van gelijke gevallen. Niettemin vervolgt het OM enkel de verdachte, waardoor hij ongelijk behandeld wordt.

Daarnaast heeft het OM in strijd met de beginselen van een goede procesorde gehandeld, omdat het OM lijkt te hebben aangestuurd op het ontslag van de verdachte bij [bedrijf 1] door tijdens een bespreking aan te halen dat zolang hij nog bestuurder van [bedrijf 1] is, een buitengerechtelijke afdoening voor [bedrijf 1] lastig wordt. Tot slot heeft het OM onzorgvuldig onderzoek verricht, omdat het, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de verdediging niet de NES-server heeft onderzocht, terwijl deze server waardevolle informatie bevat.

Standpunt van de officier van justitie

Het OM heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel een zelfstandig vervolgingsrecht om de verdachte te vervolgen en is ontvankelijk in de vervolging. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. De verdachte onderscheidt zich immers als CEO van [bedrijf 1] van zijn medebestuurders [naam 1] en [naam 2] . Het OM heeft evenmin gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het heeft niet aangestuurd op het ontslag van de verdachte, maar heeft gereageerd op vragen. Gelet op de omvang van het dossier dat ruim 3500 pagina’s bevat, blijkt verder dat het opsporingsonderzoek grondig is geweest. Dat niet alles is onderzocht is een kwestie van gemaakte keuzes door het OM en de FIOD, en leidt niet tot een onzorgvuldig opsporingsonderzoek.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het OM op grond van artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een zelfstandige beslissingsbevoegdheid heeft of vervolging moet plaatsvinden of niet. Die beslissing dient de rechtbank met terughoudendheid te toetsen.

De functie van de verdachte als algemeen bestuurder van [bedrijf 1] die belast is met de dagelijkse leiding onderscheidt zich dusdanig ten opzichte van zijn medebestuurders [naam 1] en [naam 2] dat van gelijke gevallen geen sprake is. Voorts is uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier niet gebleken dat het OM heeft aangestuurd op het ontslag van de verdachte bij [bedrijf 1] of het opsporingsonderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd, en dat het OM (daardoor) in strijd met de beginselen van een goede procesorde zou hebben gehandeld.

De conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

3. Vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de strafbeschikking wordt vernietigd en dat de

verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de taakstraf niet (goed) wordt verricht.

De officier van justitie heeft - samengevat - het volgende betoogd.

[bedrijf 1] voerde werkzaamheden uit bij grote tankopslagbedrijven, zoals bij [bedrijf 5] . De medeverdachte [medeverdachte] was werkzaam bij [bedrijf 5] en was daarnaast enig directeur en aandeelhouder van [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ). De verdachte was vóór zijn vertrek bij [bedrijf 1] in juli 2017 op de hoogte van een commissieafspraak tussen [bedrijf 1] en [medeverdachte] / [bedrijf 2] . Deze commissieafspraak hield kort gezegd in dat [medeverdachte] vanuit [bedrijf 2] 6% van de waarde van de orders van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] als commissie mocht factureren aan [bedrijf 1] , die op haar beurt de facturen mocht ophogen aan [bedrijf 5] . Bij zijn terugkeer bij [bedrijf 1] als CEO in december 2019 was de verdachte op de hoogte van het voortbestaan van deze afspraak met [bedrijf 2] , toen hij inkoopfacturen van [bedrijf 2] voorgelegd kreeg ter ondertekening voor de betaling. Op de omschrijving van de facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] stond onder andere ‘consultancyfee’ of ‘Engineering and scope development for the agreed price’. Op een post-it stond een berekening die de hoogte van de factuur moest verklaren.

Gelet op de wetenschap van de verdachte over de commissieafspraak in zowel 2016 als in 2019 mocht hij er vanaf 2019 niet op vertrouwen dat de omschrijving van de inkoopfacturen van [bedrijf 2] juist was. De verdachte heeft desondanks deze facturen geaccordeerd voor betaling. Het is volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig dat de verdachte hier per december 2019 geen wetsovertreding in heeft gezien.

Ten aanzien van de overige tenlastegelegde inkoopfacturen en doorbelastingfacturen aan de overige entiteiten van [bedrijf 1] is geen wettig en overtuigend bewijs, omdat deze facturen niet binnen de ten laste gelegde periode vallen en de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van deze valse geschriften niet vaststaat.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit, heeft begaan. Zij overweegt het volgende ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het opzettelijk voorhanden hebben van valse inkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] , waarvan de verdachte wist of moest vermoeden dat deze bestemd waren om als echt te gebruiken waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De verdachte heeft bij de FIOD en op de zitting verklaard dat hij in 2016 weliswaar op de hoogte was van een voorgenomen prijsafspraak, maar dat hij onder geen beding daaraan wilde meewerken. Bij zijn terugkeer in 2019 als CEO van [bedrijf 1] heeft hij de inkoopfacturen van [bedrijf 2] geaccordeerd, omdat de grondslag van de factuur, met daarop de post-it met een paraaf, intern al op juistheid was gecontroleerd. De omschrijving van de werkzaamheden op de factuur riep bij hem geen vragen op, omdat [medeverdachte] daadwerkelijk betrokken was bij ‘engineering and scope development’ bij [bedrijf 5] en in dat kader feitelijke werkzaamheden voor [bedrijf 1] verrichtte. Daarnaast, zo was hem verteld, was sprake van een doorlopende en goedgekeurde commissieafspraak, wat niet geheel ongebruikelijk was, bijvoorbeeld bij het introduceren van een klant.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte in 2016 op de hoogte was van een daadwerkelijk gemaakte en uitgevoerde prijsafspraak tussen [medeverdachte] / [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . Zo heeft [medeverdachte] / [bedrijf 2] hiervoor niet eerder gefactureerd dan ná het vertrek van de verdachte bij [bedrijf 1] in 2017.

Gelet op het vorenstaande is er voldoende gerede twijfel dat de verdachte opzet heeft gehad op het opdracht geven tot en/of het feitelijke leidinggeven aan het voorhanden hebben van valse facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] . Dat de verdachte zich tegen dergelijke afspraken in zijn eerdere bestuurdersperiode, zo volgt uit zijn eigen verklaring, maar ook die van anderen in het dossier, juist uitdrukkelijk heeft verzet is ook moeilijk te rijmen met de aanname dat hij vervolgens in zijn latere bestuurdersperiode diezelfde commissie zonder schroom zou accorderen. De rechtbank heeft daarom niet de overtuiging dat de verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging heeft begaan.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan ten aanzien van de overige inkoop- en doorbelastingsfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en/of [bedrijf 1] nu deze vallen buiten de tenlastegelegde periode.

4. Beslissingen

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 16 januari 2026 onder CJIB-nummer 5132 5420 0608 2196;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

5. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Daum, voorzitter,

en mrs. I. Tillema en M.A. Loenen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.

Mrs. M.A. Loenen, L. Daum en Eekhout zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Daum

Griffier

  • mr. H.P. Eekhout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand