Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.129050.26
Datum zitting en uitspraak: 11 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse
Officier van justitie: mr. R.J.E. Planken
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag of tot het toebrengen van zwaar letsel. Hij wordt veroordeeld voor de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Bewezen is dat hij zijn partner van het bed heeft gesleurd, haar heeft geslagen in het gezicht en haar keel heeft vastgepakt. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 30 dagen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - primair heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven, subsidiair [slachtoffer] heeft mishandeld.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
primair
hij op 28 april 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op 28 april 2026 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex-)levensgezel.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdachte dient veroordeeld te worden voor de subsidiair ten laste gelegde partnermishandeling.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging gesteld dat enkel het slaan in het gezicht, de hals en/of armen bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag op zijn partner. Nu hierover geen discussie bestaat zal de rechtbank dit niet nader motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
subsidiair
hij op 28 april 2026 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
De bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1. Verklaring van de verdachte
Op 28 april 2026 ben ik naar de woning van [slachtoffer] gegaan in Rotterdam. Ik heb haar toen een tik gegeven in het gezicht.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]Op 28 april 2026 kwam ik thuis in mijn woning in Rotterdam. Ineens kneep [verdachte] in mijn rechterarm en sleurde hij mij aan die arm van het bed af. Hij sloeg mij op dat moment ook op mijn gezicht. Hij wurgde mij met een hand bij mijn keel. [verdachte] sloeg daarna nog meerdere keren op mijn gezicht. Toen ik wakker werd zag ik allemaal blauwe plekken en verwondingen op mijn rechterarm, mijn hals en mijn gezicht. Ik voelde een stekende pijn.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 116 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten; een locatie- en een contactverbod. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de LOVS-richtlijnen voor een eenvoudige mishandeling wordt verzocht de straf te matigen. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft een goed lopend bedrijf, geen schulden en geen problemen met middelen gebruik. Er zijn dus geen hulpvragen. Zelf wenst de verdachte ook geen contact meer met aangeefster.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in de nacht van 28 april 2026 aangeefster (destijds zijn partner) mishandeld door haar van bed te sleuren, haar te slaan en haar keel vast te pakken. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar angst aangejaagd. Zij heeft hierdoor pijn geleden en er is letsel toegebracht. De mishandeling vond plaats in de woning van aangeefster, een plek waar iemand zich bij uitstek veilig dient te voelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 juli 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ Fivoor van 24 juli 2026 staat het volgende.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om met een reclasseringstoezicht of bijzondere voorwaarden de risico’s te beperken. Het ontbreekt de verdachte aan een hulpvraag en intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Wel acht de reclassering een contact- en locatieverbod zonder elektronische monitoring ten aanzien van ex-partner geïndiceerd ter voorkoming van nieuwe confrontaties. Er wordt geen noodzaak gezien om de naleving hiervan te laten begeleiden of controleren binnen een reclasseringstoezicht.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 dagen opgelegd. De rechtbank ziet geen reden om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. De verdachte heeft namelijk meerdere keren benadrukt geen contact meer te willen met aangeefster.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. M. Timmerman en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.