uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaken tussen
1. [verzoekster 1] te [plaats] (ROT 25/1485),
2. [verzoekster 2] te [plaats] (ROT 25/2851, ROT 25/10422, ROT 26/61 en ROT 26/1462),
3. [verzoekster 3] te [plaats] (ROT 25/3670),
4. [verzoekster 4] te [plaats] (ROT 25/8536),
verzoekers,
(gemachtigde: J.A. Brok),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de
minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (voetzoollaesies) heeft gehandhaafd.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft dit bij brief van 15 april 2026 gedaan.
De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekers tegemoetgekomen?
3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij hebben die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 2 april 2026 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
Volgens verweerder is sprake van zeven samenhangende zaken. Voor de vraag of sprake is van gelijktijdige behandeling is volgens verweerder het tijdstip waarop het bestuursorgaan het besluit heeft genomen beslissend en in deze zaken zijn de herziene beslissingen op bezwaar nagenoeg gelijktijdig genomen. Ook konden door dezelfde gemachtigde in al deze zaken nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels gebaseerd op identieke juridische gronden en vertoonden de rapporten van bevindingen en de boetebesluiten sterk inhoudelijke overeenkomsten. Verweerder is bereid voor de bezwaarfases in de onderhavige zeven zaken (en een aantal andere zaken waarin ook de gemachtigde van verzoekers optreedt) een proceskostenvergoeding te betalen van in totaal € 1.998,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 666,- en toepassing van factor 1,5 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de zeven zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt omdat sprake is van inhoudelijke samenhang en daarmee een relatief beperkte inspanning bij het opstellen van de beroepschriften.
Verzoekers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken. De zaken zijn behandeld op verschillende momenten en iedere zaak is individueel behandeld. De zaken zijn ook afzonderlijk gedocumenteerd. Dat verweerder de zaken op 2 april 2026 tegelijk heeft herzien maakt de zaken niet alsnog samenhangend. De proceshandelingen in iedere zaak dienen volgens verzoekers afzonderlijk te worden gewaardeerd. Verzoekers vragen daarom de herziene besluiten ten aanzien van de toekenning van de proceskosten te vernietigen.
De rechtbank stelt voorop dat verzoekers de beroepen hebben ingetrokken. Voor een vernietiging van de herziene besluiten is daarom geen plaats meer. De rechtbank zal dit verzoek van verzoekers opvatten als betoog dat verzoekers het niet eens zijn met het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding in bezwaar en dit betrekken in onderhavige procedures over de verzoeken om een proceskostenvergoeding.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zeven zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Anders dan verweerder meent zijn de zeven zaken in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In alle zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van een jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit de Nota van Toelichting en het arrest van de Hoge Raad waarnaar verweerder heeft verwezen, noch uit andere jurisprudentie, kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 2 april 2026 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van acht maanden tot anderhalf jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld.
Ook in de beroepsfase zijn alle zeven zaken niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van een jaar. Verder heeft in geen van de zeven zaken een zitting plaatsgevonden.
Evenmin is aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze zeven zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere soortgelijke zaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkt van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de zeven zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
In de beroepen ROT 25/1485, ROT 25/2851, ROT 25/3670, ROT 25/10422, ROT 26/61 en ROT 26/1462 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten bedraagt dan in elk beroep € 2.266,-.
In beroep ROT 25/8536 heeft de gemachtigde geen rechtsbijstand verleend in bezwaar. In beroep heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in dit beroep bedraagt dus € 934,-.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In de beroepen ROT 25/1485, ROT 25/2851, ROT 25/3670, ROT 25/8536 en ROT 25/10422 bedroeg het griffierecht € 385,-. In de beroepen ROT 26/61 en ROT 26/1462 was het griffierecht € 397,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.