Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummer: 10-117373-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen (en verblijvende) op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 30 juni en 7 juli 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering feiten 1 en 2 (zaak Excelsior)
Inleiding
Op basis van het dossier en dat wat ter zitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 10 maart 2025 rond 20.35 uur heeft de politie een melding ontvangen dat een grote groep jongeren op het terrein van voetbalclub Excelsior ‘20 in Schiedam achter een jongen aan zou rennen en dat de jongen daarbij meerdere keren is gestoken. Ter plaatse gekomen verbalisanten treffen aangever [aangever] (hierna: de aangever) aan bij een sloot aan de zuidwestelijke rand van het terrein van Excelsior ‘20. Hij heeft steekwonden onder zijn ribbenkast, in zijn rechterbovenbeen, rechterbil, linkerbovenbeen, linkeronderbeen en rechterheup. Ook heeft hij een wond in het gezicht bij het linkerjukbeen. De aangever verklaart dat hij door meerdere jongens uit Schiedam Noord is gestoken. Twee dagen eerder was hij op straat door een groep jongens omsingeld en werd hem herhaaldelijk gevraagd: “ben je van kade?” (de rechtbank begrijpt jeugdgroep Kade uit Rotterdam). Twee van hen zag aangever ook bij het incident bij Excelsior ’20.
Uit het dossier volgt dat een groep jongens naar Excelsior ‘20 is gekomen. Deze groep heeft zich eerst enige tijd opgehouden buiten het terrein van de voetbalvereniging. Op de camerabeelden van Excelsior ‘20 is te zien dat om 20.27 uur een onbekend gebleven jongen met een elektrische step het terrein van de voetbalclub oprijdt en het terrein ongeveer een halve minuut later weer verlaat. Om 20.29 uur rijden een andere onbekend gebleven jongen en medeverdachte [medeverdachte 1] op een elektrische step het terrein op en verlaten dit na ongeveer een minuut weer.
Om 20.33 uur loopt de aangever na zijn training het terrein van Excelsior ‘20 af. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] halen hem in met een elektrische step en enkele seconden later begint de confrontatie met de groep. Een aantal jongens rent naar de aangever toe. De aangever loopt achteruit en wordt vervolgens door een persoon geslagen. Hierop trekt de aangever een mes, waarna de groep achteruit deinst.
Vervolgens rent de aangever het terrein van Excelsior ‘20 op. De twee onbekend gebleven personen en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] rennen de aangever als eerste achterna. Medeverdachte [medeverdachte 5] komt vervolgens ook het terrein op, wijst anderen op een kortere route in de richting van de aangever en rent die kant op. De jongens die daarna het terrein oprennen volgen hem. Dit zijn medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en de verdachte . De aangever probeert te ontkomen via een pad langs het voetbalveld, rent vervolgens over een voetbalveld en daarna richting de bosjes en een sloot aan de rand van het terrein. Uit de camerabeelden volgt dat in ieder geval 13 personen diezelfde route nemen.
Van het laatste deel van de achtervolging van de aangever en van het steken zelf zijn geen camerabeelden beschikbaar. Getuigen hebben echter verklaard dat een grote groep jongens over het veld achter de aangever aan rende, dat meerdere van hen messen hadden en dat de aangever werd omsingeld. Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij op enig moment niet verder kon rennen omdat hij bij een sloot aankwam. Daar is de aangever zes keer gestoken door ten minste twee personen met een mes.
Om 20.37 uur rennen alle jongens kort achter elkaar het terrein weer af. Op de route waarlangs een deel van de jongens is weggerend, is een mes aangetroffen, waarop DNA van de aangever, van [medeverdachte 4] en van de verdachte is aangetroffen.
Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 1
De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Meerdere getuigen verklaren dat zij jongens met messen achter de aangever aan hebben zien rennen. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring voor het aantreffen van zijn DNA op het mes. Het voorgaande maakt dat de verdachte kan worden aangemerkt als een van de jongens die de aangever heeft gestoken. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag.
Beoordeling feit 1
De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van de poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen. Aangezien op het aangetroffen mes DNA van de verdachte, [medeverdachte 4] en de aangever is aangetroffen, is aannemelijk dat dit één van de messen is waarmee de aangever is gestoken en dat de verdachte op enig moment in aanraking is geweest met dit mes. De verdachte erkent dat hij voorafgaand aan het incident het mes in handen heeft gehad, maar verklaart dat hij zich tijdens het rennen van dit mes heeft ontdaan. Hij ontkent dat hij een van de jongens is geweest die met dit mes de aangever heeft gestoken. Nu het mes pas na een dag is gevonden, op een plek waar het steekincident niet heeft plaatsgevonden en het mes ook DNA bevat van andere personen, valt niet uit te sluiten dat het DNA van de verdachte op het mes terecht is gekomen op de wijze zoals hij heeft verklaard.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot doodslag zoals ten laste is gelegd onder feit 1.
Beoordeling feit 2
Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage behoeft zelf niet van gewelddadige aard te zijn. Anderzijds is de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die daaraan deelneemt. Beoordeeld dient te worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte tot de groep jongens behoorde die naar voetbalclub Excelsior ‘20 is gegaan en buiten het terrein heeft gestaan. Een getuige heeft iemand in de groep horen zeggen: “Komt die boy nog?”. Ook rijden kort voor de confrontatie tot twee keer toe personen uit de groep op een stepje het terrein op en binnen korte tijd weer af. In de groep zijn jongens die een mes bij zich hebben. Nadat de aangever het terrein afloopt vindt vrijwel direct de confrontatie met de groep plaats, waarbij meerdere jongens uit de groep op hem afrennen en hij wordt geslagen. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de groep naar voetbalclub Excelsior ‘20 is gegaan om de aangever op te wachten en een confrontatie met hem aan te gaan, waarbij de ritjes op de step dienden om te kijken of de aangever er al aankwam. De verdachte maakte deel uit van deze groep.
Nadat de aangever was geslagen en weggerend, rende de verdachte als achtste achter hem aan het terrein van Excelsior ‘20 op. De verdachte heeft vervolgens met de groep de aangever opgejaagd door over het terrein achter hem aan te blijven rennen tot de aangever niet meer verder kon, terwijl meerdere jongens uit de groep messen vast hadden. Een getuige heeft iemand uit de groep horen zeggen “We hebben hem ingesloten, hij kan geen kant op”. De verdachte nam actief deel aan de aanvalsgolf van de groep richting de aangever, welke aanvalsgolf eindigde in het omsingelen, dan wel insluiten, en het steken van de aangever. De verklaring van de verdachte dat hij maar een beetje is meegerend en dat hij op grote afstand van de bosjes was toen hij omkeerde en terugrende vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.
Hoewel niet is vast te stellen dat de verdachte een van de personen is geweest die de aangever heeft gestoken, concludeert de rechtbank dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld opzet heeft gehad, in elk geval in voorwaardelijke zin, op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
Conclusie
De openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring feit 3, wapenbezit, zonder nadere motivering
Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en nadien is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
2
hij op 10 maart 2025 te Schiedam
openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , door
meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [aangever]
te steken;
3
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Schiedam,terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,een of meer wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, teweten een machete en een of meer twee messen,voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
3. handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.
Op 10 maart 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. De verdachte is samen met een groep jongeren op pad gegaan om de confrontatie met het slachtoffer te zoeken. Het slachtoffer is vanuit de groep geslagen, achtervolgd, opgejaagd en vervolgens zes keer gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en personen die op dat moment aanwezig waren bij Excelsior ‘20. Samen met de medeverdachten heeft hij een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de aanleiding van het geweld gezocht moet worden in een conflict tussen twee rivaliserende jeugdgroepen. De betrokkenen zelf zwijgen daarover en ontkennen daarvan deel uit te maken. De rechtbank maakt zich er ernstig zorgen over dat tussen jeugdgroepen over en weer geweld wordt gepleegd en wapenbezit onder jongeren gemeengoed lijkt te zijn geworden. Het voorhanden hebben van wapens leidt tot het risico op het gebruik daarvan en dit leidt tot steeds meer geweldsincidenten, met vaak zeer ernstige afloop. Het moet duidelijk zijn dat dit geweld en de daarmee gepaard gaande onrust en onveiligheid in de samenleving niet wordt getolereerd en dat daartegen streng wordt opgetreden.
Vervolgens heeft de verdachte zich op 15 april 2025 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een machete en twee verboden messen. Het voorhanden hebben wapens vergroot het risico op daadwerkelijk gebruik daarvan aanzienlijk. Het hiervoor genoemde incident op het terrein van Excelsior is daar een voorbeeld van.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Rapportages en verklaring van de deskundige op de terechtzitting
De Raad heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Over het algemeen heeft de verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden die zijn gesteld door de rechtbank. De verdachte is sinds de schorsing niet meer in aanraking geweest met politie en justitie. Wel is de verdachte erg gesloten naar hulpverleners toe en is hij wantrouwend. De afgelopen periode is een heftige periode geweest voor de verdachte. Hij heeft een aantal zeer nare en onveilige gebeurtenissen meegemaakt, zoals een fysieke mishandeling in de jeugdgevangenis en de verspreiding van privégegevens op het internet. Er zal daarom worden gestart met psychomotorische therapie (PMT) vanuit E25. De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daarbij de bijzondere voorwaarden dat de verdachte volgens rooster naar school en stage gaat, dat hij zijn medewerking verleent aan begeleiding van een jongerencoach van E25, alsook aan behandeling in de vorm van PMT van E25 of een soortgelijke organisatie.
JBRR heeft een gezinsplan opgemaakt, gedateerd 24 juni 2026. Dit houdt onder meer het volgende in.
Het recidiverisico wordt als heel laag ingeschat. Naast toezicht op de schorsingsvoorwaarden was de begeleiding van de verdachte gericht op het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding zoals school en/of werk. De verdachte heeft begeleiding van E25 middels een coach die fungeert als klankbord. Ook houdt hij zicht op school en werk. Daarnaast gaat een individueel PMT-traject starten. Als de verdachte opnieuw gedetineerd raakt kan dat leiden tot verdere gevoelens van onveiligheid en wantrouwen. De jeugdreclassering acht het van belang dat wordt ingezet op het versterken van de beschermende factoren, het behouden van zijn dagbesteding en het voortzetten van de reeds ingezette hulpverlening. Om die reden adviseert de jeugdreclassering een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast wordt ook een voorwaardelijke werkstraf geadviseerd, met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de afspraken en de aanwijzingen van de jeugdreclassering, dagbesteding heeft en meewerkt aan begeleiding vanuit E25, waaronder coaching en PMT.
JBRR, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] heeft toegelicht dat de verdachte wegens de onveiligheid in de jeugdgevangenis al snel is geschorst. Sindsdien lag de prioriteit bij het bieden van veiligheid en rust. De zorgen rondom de veiligheid van de verdachte zijn er nog steeds, maar hij pakt zijn leven momenteel wel goed op. Hij schakelt JBRR in wanneer nodig in plaats van dat hij zelf direct handelt. De verdachte heeft direct zijn school opgepakt en is gaan werken. De begeleiding van E25 verloopt goed en daar zal binnenkort worden gestart met PMT.
De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten en wat ter terechtzitting naar voren is gebracht.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Anders dan de jeugdreclassering acht de rechtbank een voorwaardelijke werkstraf vanwege de ernst van de feiten niet op zijn plaats. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij sinds de schorsing hard heeft gewerkt om zijn leven weer op te pakken: hij gaat naar school, werkt mee aan de begeleiding vanuit E25 en staat open voor behandeling. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte in de justitiële jeugdinrichting een moeilijke tijd heeft gehad, waarbij hij onveilig is geweest en na een aanval van een medegedetineerde zijn neus heeft gebroken.
Mede gelet op de rapportages en wat ter terechtzitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie wordt gelijkgesteld aan het voorarrest, zodat de verdachte niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Van de bijzondere voorwaarden maakt een contactverbod met het slachtoffer deel uit. De rechtbank zal ook nog langer een contactverbod opleggen met de medeverdachten, voor de duur van maximaal een jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, 96 (zesennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna ook: jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zijn medewerking zal verlenen aan de begeleiding van E25, zoals een jongerencoach;
- zal meewerken aan psychomotorische therapie of een soortgelijke behandeling van E25 of een soortgelijke zorgaanbieder;
- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, school en/of stage en zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken;
- voor de maximale duur van één jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten:
- [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedag 3] 2008;
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 4] 2010;
- [medeverdachte 6] , geboren op [geboortedag 5] 2009;
- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 6] 2007;
- [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag 7] 2008;
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 8] 2009;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer:
- [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2009;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.C.M. Persoon en A.L. Pöll, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Cortenberghe-van Dam, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op 10 maart 2025 te Schiedam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 10 maart 2025 te Schiedam
openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer] te steken;
3
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Schiedam,
terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een of meer wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete en een of meer messen, voorhanden heeft gehad.