ECLI:NL:RBROT:2026:10585

ECLI:NL:RBROT:2026:10585

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 10-090974-25 en 10-301533-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Mini-mega Excelsior. Jeugdstrafrecht. Vrijspraak voor poging doodslag. Veroordeling voor openlijke geweldpleging en (steek)wapenbezit. Vordering TUL toegewezen. De rechtbank legt een deels voorwaardelijke jeugddetentie op met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10-090974-25

Parketnummer vordering TUL: 10-301533-24

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

raadsvrouw mr. S. Aarts, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 25 juni en 7 juli 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewijswaardering feiten 1 en 2 (zaak Excelsior)

Inleiding

Op basis van het dossier en dat wat ter zitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 10 maart 2025 rond 20.35 uur heeft de politie een melding ontvangen dat een grote groep jongeren op het terrein van voetbalclub Excelsior ‘20 in Schiedam achter een jongen aan zou rennen en dat de jongen daarbij meerdere keren is gestoken. Ter plaatse gekomen verbalisanten treffen aangever [aangever] (hierna: de aangever) aan bij een sloot aan de zuidwestelijke rand van het terrein van Excelsior ‘20. Hij heeft steekwonden onder zijn ribbenkast, in zijn rechterbovenbeen, rechterbil, linkerbovenbeen, linkeronderbeen en rechterheup. Ook heeft hij een wond in het gezicht bij het linkerjukbeen. De aangever verklaart dat hij door meerdere jongens uit Schiedam Noord is gestoken. Twee dagen eerder was hij op straat door een groep jongens omsingeld en werd hem herhaaldelijk gevraagd: “ben je van kade?” (de rechtbank begrijpt jeugdgroep Kade uit Rotterdam). Twee van hen zag de aangever ook bij het incident bij Excelsior ’20.

Uit het dossier blijkt dat er een groep jongens naar Excelsior ’20 is gekomen. Deze groep heeft zich eerst enige tijd opgehouden buiten het terrein van de voetbalvereniging. Op de camerabeelden van Excelsior ‘20 is te zien dat om 20.27 uur een onbekend gebleven jongen met een elektrische step het terrein van de voetbalclub oprijdt en het terrein ongeveer een halve minuut later weer verlaat. Om 20.29 uur rijden een andere onbekend gebleven jongen en medeverdachte [medeverdachte 3] op een elektrische step het terrein op en verlaten dit na ongeveer een minuut weer.

Om 20.33 uur loopt de aangever na zijn training het terrein van Excelsior ‘20 af. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] halen hem in met een elektrische step en enkele seconden later begint de confrontatie met de groep. Een aantal jongens rent naar de aangever toe. De aangever loopt achteruit en wordt vervolgens door een persoon geslagen. Hierop trekt de aangever een mes, waarna de groep achteruit deinst.

Vervolgens rent de aangever het terrein van Excelsior ‘20 op. De twee onbekend gebleven personen, medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte rennen de aangever als eerste achterna. Medeverdachte [medeverdachte 4] komt vervolgens ook het terrein op, wijst anderen op een kortere route in de richting van de aangever en rent die kant op. De jongens die daarna het terrein oprennen volgen hem. Dit zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . De aangever probeert te ontkomen via een pad langs het voetbalveld, rent vervolgens over een voetbalveld en daarna richting de bosjes en een sloot aan de rand van het terrein. Uit de camerabeelden volgt dat in ieder geval 13 personen diezelfde route nemen.

Van het laatste deel van de achtervolging van de aangever en van het steken zelf zijn geen camerabeelden beschikbaar. Getuigen hebben echter verklaard dat een grote groep jongens over het veld achter de aangever aan rende, dat meerdere van hen messen hadden en dat de aangever werd omsingeld. Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij op enig moment niet verder kon rennen omdat hij bij een sloot aankwam. Daar is de aangever zes keer gestoken door ten minste twee personen met een mes.

Om 20.37 uur rennen alle jongens kort achter elkaar het terrein weer af. Op de route waarlangs een deel van de jongens is weggerend is een mes aangetroffen, waarop DNA van de aangever, van [medeverdachte 6] en van de verdachte is aangetroffen.

Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 (poging doodslag)

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Meerdere getuigen verklaren dat zij jongens met messen achter de aangever aan hebben zien rennen. Uit de beelden blijkt dat de verdachte als één van de eerste jongens achter de aangever aan rende. De verdachte heeft geen verklaring voor het aantreffen van zijn DNA op het mes. Het voorgaande maakt dat de verdachte kan worden aangemerkt als een van de jongens die de aangever heeft gestoken en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag.

Beoordeling feit 1

De rechtbank is van oordeel dat medeplegen van poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen. Aangezien op het aangetroffen mes DNA van de verdachte, [medeverdachte 6] en de aangever is aangetroffen, is aannemelijk dat dit één van de messen is waarmee de aangever is gestoken en dat de verdachte op enig moment in aanraking is geweest met dit mes. Het rechtvaardigt echter niet de conclusie dat de verdachte degene is geweest die met dit mes de aangever heeft gestoken. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat het mes pas een dag later is gevonden, op een plek waar het steekincident niet heeft plaatsgevonden en op het mes ook DNA van andere personen is aangetroffen. Dit maakt dat het DNA van de verdachte ook op een andere manier, op een ander moment, op het mes terecht kan zijn gekomen. Dat de verdachte niet kan of wil verklaren hoe dit zou kunnen zijn gebeurd, maakt niet dat die mogelijkheid moet worden verworpen.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2 (openlijk geweld)

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van openlijke geweldpleging. De verdachte heeft geen geweldshandelingen gepleegd, maar is alleen een stuk meegerend met de groep jongens. Dit is onvoldoende om te concluderen dat de verdachte een voldoende significante dan wel wezenlijke bijdrage aan het geweld gepleegd tegen de aangever heeft geleverd.

Beoordeling feit 2

Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage behoeft zelf niet van gewelddadige aard te zijn. Anderzijds is de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die daaraan deelneemt. Beoordeeld dient te worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte tot de groep jongens behoorde die naar voetbalclub Excelsior ‘20 is gegaan en buiten het terrein heeft gestaan. Een getuige heeft iemand in de groep horen zeggen: “Komt die boy nog?”. Ook rijden kort voor de confrontatie tot twee keer toe personen uit de groep op een stepje het terrein op en binnen korte tijd weer af. In de groep zijn jongens die een mes bij zich hebben. Nadat de aangever het terrein afloopt vindt vrijwel direct de confrontatie met de groep plaats, waarbij meerdere jongens uit de groep op hem afrennen en hij wordt geslagen. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de groep naar voetbalclub Excelsior ‘20 is gegaan om de aangever op te wachten en een confrontatie met hem aan te gaan, waarbij de ritjes op de step dienden om te kijken of de aangever er al aankwam. De verdachte maakte deel uit van deze groep.

Nadat de aangever was geslagen en weggerend, rende de verdachte als vierde achter hem aan het terrein van Excelsior ‘20 op. De verdachte heeft vervolgens met de groep de aangever opgejaagd door over het terrein achter hem aan te blijven rennen tot de aangever niet meer verder kon, terwijl meerdere jongens uit de groep messen vast hadden. Een getuige heeft iemand uit de groep horen zeggen “We hebben hem ingesloten, hij kan geen kant op”. De verdachte nam actief deel aan de aanvalsgolf van de groep richting de aangever, welke aanvalsgolf eindigde in het omsingelen, dan wel insluiten, en het steken van de aangever. De verklaring van de verdachte dat hij maar gedeeltelijk is mee gerend en dat hij op grote afstand stond toen de aangever werd gestoken vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.

Hoewel niet is vast te stellen dat de verdachte een van de personen is geweest die de aangever heeft gestoken, concludeert de rechtbank dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld opzet heeft gehad, in elk geval in voorwaardelijke zin, op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte wordt vrijgesproken van de poging doodslag zoals ten laste is gelegd onder feit 1. De openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Bewijswaardering feit 3 (voorhanden hebben steekwapen)

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft het mes niet voorhanden gehad. Hoewel het mes onder zijn matras is aangetroffen, is niet vast te stellen van wie het mes was.

Beoordeling en conclusie

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een mes voorhanden heeft gehad, zoals ten laste gelegd is onder feit 3. De rechtbank volstaat hier met verwijzing naar de inhoud van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

2

hij op 10 maart 2025 te Schiedam

openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg

en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door

meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer]

te steken;

3

hij op of omstreeks 14 april 2025 te Schiedam,

terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een

mes, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

3. handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.

Op 10 maart 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. De verdachte is samen met een groep jongeren op pad gegaan om de confrontatie met het slachtoffer te zoeken. Het slachtoffer is vanuit de groep geslagen, achtervolgd, opgejaagd en vervolgens zes keer gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en personen die op dat moment aanwezig waren bij Excelsior ‘20. Samen met de medeverdachten heeft hij een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de aanleiding van het geweld gezocht moet worden in een conflict tussen twee rivaliserende jeugdgroepen. De betrokkenen zelf zwijgen daarover en ontkennen daarvan deel uit te maken. De rechtbank maakt zich er ernstig zorgen over dat tussen jeugdgroepen over en weer geweld wordt gepleegd en wapenbezit onder jongeren gemeengoed lijkt te zijn geworden. Het voorhanden hebben van wapens leidt tot het risico op het gebruik daarvan en dit leidt tot steeds meer geweldsincidenten, met vaak zeer ernstige afloop. Het moet duidelijk zijn dat dit geweld en de daarmee gepaard gaande onrust en onveiligheid in de samenleving niet wordt getolereerd en dat daartegen streng wordt opgetreden.

Vervolgens heeft de verdachte zich op 14 april 2025 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een keukenmes met een lengte van 33 centimeter. Dit mes lag verstopt onder zijn matras. Het voorhanden hebben van een mes vergroot het risico op daadwerkelijk gebruik daarvan aanzienlijk. Het hiervoor genoemde incident op het terrein van Excelsior is daar een voorbeeld van.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Rapportage en verklaring van de deskundige op de terechtzitting

De Raad heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Het algemene recidiverisico komt uit op hoog, terwijl het dynamische risicoprofiel uitkomt op heel laag. Het is van belang dat de verdachte de behandeling die hij momenteel bij Fivoor krijgt voortzet en dat hij naar school blijft gaan. De Raad adviseert een jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Als bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie wordt geadviseerd om op te leggen dat de verdachte meewerkt aan zijn behandeling bij Fivoor, naar school en/of stage gaat, een positieve vrijetijdsbesteding heeft en meewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering.

De jeugdreclassering, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , heeft toegelicht dat het over het algemeen goed gaat met de verdachte. Hij gaat naar school, heeft een bijbaan en is bezig met het behalen van zijn rijbewijs. Ook werkt hij goed mee aan zijn behandeling bij Fivoor en komt hij de afspraken met de jeugdreclassering na. Een contactverbod met de medeverdachten wordt vanuit de jeugdreclassering nog nodig geacht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport en wat ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van feit 2 kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen van poging tot doodslag. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat de verdachte zijn leven momenteel positief inricht: hij heeft een bijbaan, gaat naar school en werkt mee aan de behandeling van Fivoor. De rechtbank houdt in het nadeel van de verdachte rekening met het feit dat hij de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft gepleegd in een lopende proeftijd van een veroordeling voor het plegen van geweldsdelicten.

De rechtbank zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen die gelijk is aan het ondergane voorarrest. Mede gelet op de rapportage en wat ter terechtzitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht net als de officier van justitie voortzetting van het contactverbod met [slachtoffer] aangewezen. De rechtbank zal ook nog langer een contactverbod opleggen met de medeverdachten voor de duur van maximaal een jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht. De rechtbank zal daarnaast geen taakstraf opleggen gelet op de ontwikkelingen die de verdachte heeft doorgemaakt en zijn volle dagbesteding.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 21 januari 2025 van de kinderrechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 50 uren, waarvan een gedeelte, 30 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 5 februari 2025.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf dient te worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. De voorwaardelijk opgelegde werkstraf dateert van 2024 en is daarmee, zeker in de beleving van een minderjarige, al van lang geleden.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie 66 (zesenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zijn medewerking zal (blijven) verlenen aan behandeling bij Fivoor of een soortgelijke zorgaanbieder;

- zich zal inspannen voor zijn schoolgang door naar school en/of stage te gaan volgens rooster en zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken;

- zich zal inspannen voor het hebben en behouden een van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport;

- voor de maximale duur van één jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten:

- [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag 2] 2008;

- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] 2010;

- [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedag 4] 2009;

- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 5] 2007;

- [medeverdachte 6] , geboren op [geboortedag 6] 2007;

- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 7] 2009;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer:

- [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 8] 2009;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren subsidiair 15 (vijftien) dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 21 januari 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer: 10-301533-24.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.C.M. Persoon en A.L. Pöll, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Cortenberghe - van Dam, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op 10 maart 2025 te Schiedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

[slachtoffer]

opzettelijk

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer]

heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 10 maart 2025 te Schiedam

openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg

en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door

meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer]

te steken;

3

hij op of omstreeks 14 april 2025 te Schiedam,

terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een

mes,

voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand