ECLI:NL:RBROT:2026:10587

ECLI:NL:RBROT:2026:10587

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer C/10/720101 / KG RK 26-572
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek tot verlof voor een onderhandse verkoop bij wijze van executie van een pandrecht, eea als bedoeld in artikel 3:251 BW. De verzoeken worden afgewezen, omdat voorshands niet aannemelijk is dat verzoekers te goeder trouw een pandrecht hebben (gevestigd) op de bij hen bewaarde zaken. Bovendien is niet in hoge mate aannemelijk dat verzoekers een vordering hebben op één van de verweerder voor de opslagvergoedingen en voor een naheffing van de Douane. Schending artikel 21 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/720101 / KG RK 26-572

Beschikking van 3 augustus 2026

in de zaak van

1. CHANE TERMINAL NIEUWE MAAS B.V.,

gevestigd te Zaandam,2. CHANE TERMINAL BOTLEK B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekende partijen,

hierna samen te noemen: Chane en afzonderlijk CTNM en CTB,

advocaten: mrs. J.B.R. Regouw en S.H.A.M. Hendrix,

tegen

1. KVA HOLDING B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

hierna te noemen: KVA,

advocaat: mr. R.M.A. Lensen,2. UTB B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: UTB,

advocaten: mrs. B.J.B. Boersma en G. Sibma,3. STAROL REFINED OIL PRODUCTS TRADING LLC,

gevestigd te Dubai,

hierna te noemen: Starol,

advocaten: mrs. J. van den Brande en B. Lem,

verwerende partijen,

1. De zaak in het kort

Chane vorderen in deze procedure verlof voor een onderhandse verkoop van bij haar opgeslagen zaken, bij wijze van executie van een pandrecht dat daarop zou rusten, een en ander als bedoeld in artikel 3:251 BW. De verzoeken van Chane worden afgewezen, omdat voorshands niet aannemelijk is dat Chane te goeder trouw een pandrecht hebben (gevestigd) op de zaken. Bovendien is niet in hoge mate aannemelijk dat Chane een vordering hebben op KVA voor de opslagvergoedingen en voor een naheffing van de Douane. De voorzieningenrechter stelt ook vast dat Chane artikel 21 Rv meerdere keren hebben geschonden. Ten overvloede wordt overwogen dat de (primair) voorgestelde wijze van verkoop te veel het karakter heeft van een carte blanche zonder enige vorm van controle. Tot slot worden Chane veroordeeld in de proceskosten van KVA, UTB en Starol.

2. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van 12 mei 2026, met producties 1 tot en met 11;

- het verweerschrift van KVA, met producties 1 tot en met 9;

- het verweerschrift van Starol, met producties 1 tot en met 6;

- het verweerschrift van UTB, met producties 1 tot en met 5;

- het aanvullend verzoek van Chane;

- producties 12 tot en met 14 van Chane;

- de pleitnota van Chane;

- de pleitnota van KVA;

- de pleitnota van UTB.

De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2026 plaatsgevonden.

3. De feiten

Chane slaan vloeibare brandstoffen en andere producten in bulk op. Daarnaast verzorgen Chane desgewenst voor haar klanten ook de invoeraangiften voor de Douane wanneer producten in de EU worden ingevoerd.

KVA is een klant van Chane. Zij exploiteert een groothandel in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten en bemiddelt bij de aan- en verkoop daarvan. KVA maakt op basis van een “storage agreement” gebruik van de opslagfaciliteiten van Chane. KVA heeft Chane volmachten verleend om op te treden als directe vertegenwoordiger van KVA voor het doen van aangiften bij de Douane.

UTB handelt in olieproducten en aanverwante producten. UTB is een klant van KVA. Starol handelt in olie en gas.

KVA heeft ca. 8600 metrische ton GTL (gas-to-liquid) laten opslaan bij Chane en voorts ca. 8900 metrische ton HVO (hydrotreated vegetable oil) en ca. 1190 FAME (fatty acid methyl esters). UTB en Starol stellen dat zij eigenaar van (een deel van) deze producten zijn.

In de VOTOB-voorwaarden 2023 (Vereniging van Onafhankelijke TankOpslag Bedrijven) staat het volgende:

“ARTIKEL 24 ZAKEN MET KOSTEN BELAST

(..)

5. Indien het Opslagbedrijf optreedt of is opgetreden als fiscaal vertegenwoordiger of douane-expediteur, zijn alle door het Opslagbedrijf verschuldigde of betaalde belastingen, rechten, bijdragen en andere heffingen, en/of boeten, renten, kosten, hoe ook genaamd, en indien van toepassing schadevergoeding, voor rekening van

de Opdrachtgever.

(..)

ARTIKEL 44 TERBESCHIKKINGSTELLING VAN OPSLAGRUIMTE AAN DERDEN

1. De Opdrachtgever zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Opslagbedrijf de Opslagruimte noch geheel noch gedeeltelijk - uit welken hoofde dan ook - ter beschikking stellen van of op andere wijze doen gebruiken door derden.

(..)

ARTIKEL 54 PANDRECHT EN RETENTIERECHT

1. Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen het Opslagbedrijf van de Opdrachtgever, uit welken hoofde ook, te vorderen heeft of zal hebben, en jegens eenieder die afgifte daarvan verlangt, heeft het Opslagbedrijf het recht van retentie en het recht van pand op alle Zaken, overige goederen, gelden, documenten en/of geldswaarden die het Opslagbedrijf van of vanwege de Opdrachtgever onder zich heeft of zal verkrijgen dan wel aan de Opdrachtgever verschuldigd is of zal worden.(..)”

Op 3 december 2025 hebben Chane een door Starol gestuurd schip – waarin (een deel van het in 3.4. bedoelde) product zou moeten worden geladen – toestemming gegeven om aan te meren. Op 5 december 2025 heeft KVA Chane verzocht om het product te laden.

Op 9 december 2025 is het schip aangekomen op haar ankerplaats en op 10 december 2025 hebben Chane het schip naar binnen geroepen.

Op 11 december 2025 lieten Chane Starol weten dat zij niet kon beginnen met het laden van het schip, vanwege onvoorziene omstandigheden, iets waarvan Chane later hebben toegegeven dat dit een verzonnen excuus was.

Op 11 december 2025 hebben Chane de Douane verzocht om de invoeraangiften die zij hebben verzorgd voor KVA te wijzigen, omdat zich “een aantal onvolkomenheden heeft voorgedaan in de douaneaangiften in de periode januari 2024 – november 2025”.

Op 12 december 2025 stuurde de advocaat van Chane een brief aan KVA, waarin staat dat zij mogelijk geconfronteerd gaan worden met een belastingaanslag van € 54.000.000,00 plus circa € 4 miljoen aan rente tot op dat moment, (in het verzoekschrift noemen Chane een bedrag van € 54.000.000,00 plus rente, zonder een rentebedrag te noemen, in een brief aan de advocaat van KVA van dezelfde dag wordt een bedrag van

€ 58.000.000,00 genoemd) als gevolg van informatie die KVA heeft verstrekt aan hun. Namens Chane wordt betaling van dat bedrag of passende zekerheid daarvoor gevorderd. Chane gaven daarbij aan dat zij een retentierecht uitoefent op alle zaken van KVA die zij onder zich hebben en dat zij die niet zullen vrijgeven aan KVA of aan een derde partij.

In december 2025 hebben Chane, ondanks verzoeken van KVA daartoe, geweigerd om de bij hen opgeslagen zaken vrij te geven vanwege, wat later bleek, eerst een retentierecht en later ook een pandrecht.

Bij vonnis in kort geding van 11 februari 2026 van de rechtbank Noord-Holland heeft de voorzieningenrechter een vordering van UTB tot het Chane bevelen afstand te doen van het door hen gepretendeerde retentie- en/of vuistpandrecht op de voorraad HVO afgewezen. Daartoe is overwogen dat de vordering van Chane op KVA voldoende aannemelijk en bepaalbaar wordt geacht, dat Chane de feitelijke macht uitoefenen over de voorraad HVO en Chane te goeder trouw waren ten tijde van de vestiging van het pandrecht. UTB heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De mondelinge behandeling daarvan staat op 21 augustus 2026 gepland.

Op 29 april 2026 doet Starol een voorstel voor het (opnieuw) kopen van de bij Chane opgeslagen zaken.

4. Het verzoek en het verweer

Chane verzoeken de voorzieningenrechter, na aanvulling van hun verzoek, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. te bepalen dat CTNM de in het verzoekschrift omschreven voorraad GTL en HVO mag verkopen, bij wijze van executie van haar pandrecht, op de in het verzoekschrift

omschreven wijze en voorwaarden (rechtstreeks of via de voorgestelde broker);

2. te bepalen dat CTB de in het verzoekschrift omschreven voorraad FAME mag verkopen, bij wijze van executie van haar pandrecht, op de in het verzoekschrift omschreven wijze en voorwaarden (rechtstreeks of via de voorgestelde broker);

subsidiair:

3. een aan het (primair) te verlenen verlof de voorwaarde te verbinden dat Chane een bankgarantie stellen gelijk aan de netto-verkoopopbrengst, zodat het bedrag wordt gereserveerd voor betaling van of zekerheidstelling voor de verwachte Douane aanslag;

primair en subsidiair:

4. de verweerders ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

KVA voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de verzoeken van Chane dan wel afwijzing daarvan, met hoofdelijke veroordeling van Chane in de proceskosten. KVA betwist dat Chane een pandrecht hebben verkregen op de bij hen opgeslagen zaken. Zij betwist ook de door Chane gestelde douaneschuld en de vordering uit hoofde van opslagvergoedingen. Chane hebben tevens artikel 21 Rv op diverse punten geschonden, aldus KVA.

UTB voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de verzoeken van Chane, met veroordeling van Chane in de proceskosten. UTB betwist dat Chane een pandrecht hebben verkregen op de bij hen opgeslagen zaken. Zij betwist ook de door Chane gestelde vorderingen, en de daaraan ten grondslag gelegde douaneclaim, op KVA. UTB stelt dat Chane artikel 21 Rv op diverse punten hebben geschonden. Het verzoek van Chane is bovendien te onbepaald en onvoldoende controleerbaar. Subsidiair, voor het geval verkoop wordt toegestaan, vordert UTB de verkoop toe te staan onder voorwaarden, waaronder de verplichting om UTB te laten meebieden althans haar het hoogste bod te laten matchen.

Starol voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de verzoeken van Chane, met veroordeling van Chane in de proceskosten. Starol betwist dat Chane een vorderingsrecht hebben op KVA. Chane hebben tevens artikel 21 Rv op diverse punten geschonden, aldus Starol. Subsidiair stelt Starol dat zij bereid is om onder voorwaarden, waaronder het recht om het hoogste bod te matchen, bereid is om aan het verzoek mee te werken.

5. De beoordeling

Het toetsingskader

Het uitgangspunt is dat een pandrecht wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. Op grond van artikel 3:251 lid 1 BW kan de voorzieningenrechter echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze wordt verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere vorm van verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten – het uitgangspunt bij toepassing van dit wetsartikel is opbrengstmaximalisatie – dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.

Niet kan worden aangenomen dat Chane een beroep kunnen doen op goede trouw/derdenbescherming en een pandrecht hebben verkregen

Chane stellen een vuistpandrecht te hebben gevestigd/verkregen op de door hen opgeslagen zaken, welke zaken door de bewaring daarvan in hun macht zijn gebracht. Artikel 54 lid 1 VOTOB geldt als titel voor het pandrecht. Chane worden ook indien en voorzover moet worden aangenomen dat UTB en/of Starol eigenaar zijn van de bij Chane opgeslagen zaken, tegen hun aanspraken beschermd, omdat zij te goeder trouw waren op het moment dat de zaken in de macht van Chane kwamen, aldus Chane.

KVA betwist dat Chane een pandrecht hebben verkregen op de zaken. KVA stelt dat artikel 54 VOTOB geen titel tot verpanding oplevert, er geen vestigingshandeling is verricht en dat Chane niet te goeder trouw waren ten tijde van het aanvoeren van de zaken in haar opslag. UTB stelt zich op het standpunt dat zij geen pandrecht aan Chane heeft verstrekt. Zij betwist ook dat Chane te goeder trouw waren. Het komt in de markt veelvuldig voor dat degene die de opslagruimte contracteert (KVA) niet de uiteindelijke eigenaar is van de zaken. Dat Chane pas in december 2025 na het inroepen van het pand- en retentierecht van de betrokkenheid van UTB (en Starol) afwist, wordt betwist. Uit correspondentie en contacten uit 2024 blijkt immers dat UTB betrokken was bij goederenstromen via de terminal van Chane en daarover ook rechtstreeks contact onderhield met Chane. Chane konden daardoor niet zonder meer aannemen dat KVA beschikkingsbevoegd was om alle bij Chane opgeslagen zaken te verpanden. Sterker nog, Chane schreven op 3 maart 2026 zelf, over de producten in de tanks, “Denkbaar is dat een deel hiervan is opgenomen in de voorraadadministratie van UTB”.

De voorzieningenrechter overweegt dat Chane, gelet op de gemotiveerde betwisting van KVA en UTB, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een beroep kunnen doen op de goede trouw of derdenbescherming in het kader van de gestelde vestiging van een pandrecht. De enkele ter zitting gegeven reactie op het verweer, dat Chane niet wisten, en ook niet hoefden te begrijpen, dat KVA geen eigenaar was van de bij Chane opgeslagen producten, is onvoldoende. Immers, UTB heeft onbetwist gesteld dat het in de markt veelvuldig voorkomt dat degene die opslagruimte contracteert niet de uiteindelijke eigenaar is van de goederen die via de terminal lopen. UTB stelt voorts onbetwist dat UTB in de betreffende periode ook betrokken was bij goederenstromen via de terminal van Chane en dat er over de bestemming, uitvoer en documentatie van bepaalde goederen zelfs rechtstreeks is gecommuniceerd met Chane. De ter zitting ingenomen stelling dat Chane de door UTB bedoelde berichten niet hebben ontvangen, kan in het licht van de stukken die UTB heeft overgelegd, niet worden aangemerkt als betwisting, laat staan een gemotiveerde. Overigens is een van de e-mailberichten die UTB overlegt afkomstig van Chane wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de betwisting van Chane. Dit brengt met zich dat Chane er niet zonder meer op mochten vertrouwen dat KVA als haar contractuele wederpartij (altijd) de eigenaar is van de opgeslagen zaken. Chane hadden hier nader onderzoek naar moeten doen. Dat de voorzieningenrechter in een kort geding tussen UTB en Chane hier anders over oordeelde (zie 3.8) maakt het oordeel in deze procedure niet anders. Het vonnis in dat kort geding kent geen gezag van gewijsde en in deze procedure geeft de voorzieningenrechter een eigen oordeel op basis van daarin door alle partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden. Artikel 44 lid 1 VOTOB leidt, vanwege de hiervoor geschetste wetenschap bij Chane en de daaruit volgende, in ieder geval, impliciete toestemming – van enig protest tegen de bij Chane bekende en hiervoor geschetste gang van zaken is in ieder geval niet gebleken – niet tot een ander oordeel.

Daar komt bij dat Chane niet hebben gereageerd op de uitvoerige bezwaren van KVA en UTB tegen de titel op basis waarvan Chane menen het pandrecht rechtsgeldig te hebben gevestigd en de bezwaren tegen de gestelde vestigingshandeling. Volgens KVA is er geen geldige titel op grond van artikel 54 VOTOB, omdat het vuistpandrecht niet reeds bij ondertekening van de overeenkomst tot stand is gekomen, omdat er pas nadien zaken in de tanks zijn aangevoerd. Ten aanzien van de vestigingshandeling stelt KVA dat Chane slechts houders zijn van de door haar opgeslagen zaken en zij daardoor geen gerichte vestigingshandeling kunnen verrichten. Chane hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

Gelet op het voorgaande waren Chane niet te goeder trouw en moet het er voor worden gehouden dat zij geen pandrecht hebben op de door hen opgeslagen zaken.

De vordering voor de opslagvergoeding en het beroep op schuldeisersverzuim van KVA

Chane stellen dat KVA in gebreke is met de betaling van de overeengekomen vergoeding voor de opslagfaciliteiten die zij van Chane in gebruik heeft. De achterstand bedraagt inmiddels € 1.673.117,71 excl. BTW. KVA betwist dat Chane aanspraak kunnen maken op een opslagvergoeding, omdat Chane in verzuim zijn in de nakoming van hun verplichtingen uit de opslagovereenkomsten. Chane fingeerden vanaf 10 december 2025 materieelstoring om de zaken niet te hoeven afleveren aan derden via aangemelde schepen waarvan er in ieder geval al een, nota bene op uitnodiging van Chane, al lag te wachten (zie 3.7.). Vervolgens legden Chane op 12 december 2025 beslag op, onder meer, de opgeslagen zaken, en stelden zij daarna pas een pandrecht te hebben op die zaken. De feitelijke uitvoering onder de overeenkomsten werd op grond van de vermeende schuld aan de Douane gestaakt door Chane waardoor Chane in verzuim kwamen.

Chane hebben de stellingen van KVA over de gebeurtenissen na 10 december 2025 en de gevolgen daarvan voor de nakoming van Chane van de opslagovereenkomsten niet betwist. Dit had tot gevolg dat KVA geen feitelijk gebruiksgenot meer had van de opslagtanks. In die omstandigheid kunnen Chane, vanaf 10 december 2025, geen aanspraak meer maken op opslagvergoedingen voor die tanks. Anders geformuleerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat KVA terecht een beroep doet op schuldeisersverzuim. Over het beroep van Chane op strijd met artikel 44 VOTOB is hiervoor in 5.4. al geoordeeld. Gelet op de eerdere, bij Chane bekende, betrokkenheid van UTB in de goederenstroom, is het niet aannemelijk dat Chane niet wisten dat KVA zaken liet opslaan voor derden waaronder in ieder geval UTB. Chane hebben daartegen blijkbaar nooit geprotesteerd, wat – gelet op de hiervoor bedoelde wetenschap – voor een geslaagd beroep op artikel 44 VOTOB wel van hen verlangd mocht worden.

Gelet op het voorgaande wordt in deze procedure niet aangenomen dat Chane een vorderingsrecht hebben op KVA ten aanzien van de opslagvergoedingen.

De vordering uit hoofde van een naheffing van de Douane

Chane stellen dat KVA hen onjuist heeft geïnformeerd over de door KVA ingevoerde goederen. Volgens Chane heeft KVA aangegeven dat de HVO geen bestanddelen bevatte waarover antidumping- en compenserende rechten verschuldigd zouden zijn. Op basis van deze informatie hebben Chane de invoeraangiften opgemaakt en zijn er geen invoerrechten afgedragen. Volgens Chane zijn er achteraf sterke aanwijzingen dat de uit Amerika afkomstige HVO voor 100% bestond uit biodiesel die onder het Europese antidumping-regime valt. Als de aangiften op die basis zouden zijn ingediend, zou dit tot een aanzienlijke naheffing hebben geleid, namelijk van € 54 miljoen in hoofdsom. Deze naheffing kan en wordt met terugwerkende kracht opgelegd op grond van Europese regelgeving. CTNM heeft de invoeraangiften als indirect douanevertegenwoordiger ingediend waardoor zij in beginsel aansprakelijk is voor de naheffing. KVA moet dit bedrag op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst vooruit betalen aan Chane. Het betreft een verplichting om vooruitbetaling en/of zekerheid te stellen voor alles wat Chane verschuldigd is, kan of zal worden (artikelen 53 en 24 VOTOB) KVA heeft ondanks eerdere sommaties niet betaald, zodat zij in verzuim verkeert.

KVA betwist Chane onjuist te hebben geïnformeerd over de samenstelling van de HVO. De Douane heeft bovendien een aantal steekproeven uitgevoerd bij de ingevoerde zaken en die steekproeven gaven kennelijk geen aanleiding om af te wijken van de door Chane gedane aangiften. Na de brief van 11 december 2025 van CTNM aan de Douane, die Chane heeft gestuurd zonder instemming van KVA en zonder KVA daarover te informeren, is er slechts bij brief van 8 mei 2026 om meer informatie verzocht aan zowel Chane als KVA. KVA heeft die informatie verstrekt, heeft een bespreking gevoerd met de Douane en is tot op heden niet geïnformeerd over welke naheffing, of een voornemen daartoe, dan ook. Daar komt bij dat CTNM in strijd met de door KVA verleende volmacht heeft gehandeld door op te treden als indirecte vertegenwoordiger waardoor Chane, naast KVA, hoofdelijk aansprakelijk is voor een naheffing op grond van artikel 77 DWU.

UTB betwist de vordering van Chane, omdat er nog geen definitieve uitnodiging tot betaling is of zelfs maar een voornemen daartoe (artikel 22 lid 6 DWU). De eerder genoemde steekproeven door de Douane zijn volgens UTB niet zonder betekenis. Die steekproeven hebben namelijk niet geleid tot een (formeel) standpunt dat over de bij Chane opgeslagen zaken antidumpingrechten verschuldigd zijn. Dat kan een gerechtvaardigd vertrouwen opleveren en in de weg staan aan een naheffing door de Douane. Daar komt bij dat Chane bij 37 van de 38 aangiften hebben opgetreden als indirect vertegenwoordiger hoewel met KVA directe vertegenwoordiging overeengekomen is. Bij een verkeerd vormgegeven vertegenwoordiging kan niet het gehele risico worden afgewend op KVA en uiteindelijk op de eigendommen van UTB door verkoop daarvan. De Europese verordening die later in werking is getreden dan de periode waarop de vermeend aanstaande aanslag van de Douane betrekking zou hebben en waarin is bepaald dat onder andere HVO onder het antidumpingregime valt, heeft in beginsel geen terugwerkende kracht. UTB acht het verder, mede gelet op de omvang van de gestelde naderende aanslag, onbegrijpelijk dat er kennelijk niet eens een gesprekverslag van het gestelde gesprek tussen Deloitte en de Douane bestaat.

Starol wijst er ook op dat er (nog) geen (schriftelijk) voornemen is om een naheffingsaanslag op te leggen. Bovendien blijkt uit het rapport van Deloitte dat KVA geen onjuiste informatie heeft verstrekt aan Chane.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de gestelde vordering ten aanzien van de naheffing vanuit de Douane, en een daaruit (mogelijk) voortvloeiend vorderingsrecht op KVA, op dit moment onvoldoende aannemelijk zijn. Dit wordt als volgt toegelicht.

Vaststaat dat de Douane nog geen naheffingsaanslag heeft opgelegd evenmin een schriftelijk voornemen daartoe heeft geuit. Chane erkennen dat er nog niks op schrift is gesteld. Zij stellen echter dat hen is medegedeeld dat er een naheffingsaanslag komt ten bedrage van € 54 miljoen euro. Dit stellen Chane echter al sinds december 2025 en in iedere tot nu toe gevoerde procedure. Het bevreemdt de voorzieningenrechter dat Chane bij een naheffing van de gestelde omvang, niets hebben gedocumenteerd. Er zijn blijkbaar geen (interne) gespreksverslagen of andere notities voorhanden waaruit kan worden opgemaakt dat een dergelijke mededeling inderdaad aan Chane, of Deloitte, is gedaan. Het roept te meer vragen op, omdat in een gesprek dat KVA met de Douane had en dat plaatsvond nadat Chane/Deloitte een bespreking had met medewerkers van de Douane, niet is gesproken over een schriftelijk voornemen en/of dat een bedrag is genoemd als hoogte van de naheffing.

Daar komt bij dat het, mocht er een aanslag worden opgelegd, niet volstrekt onaannemelijk is dat ook Chane zelf worden aangesproken als (mede) schuldenaar. Immers, Chane hebben de aangiften als indirect vertegenwoordiger gedaan terwijl directe vertegenwoordiging is overeengekomen met KVA. Chane betwisten niet de stelling dat directe en indirecte vertegenwoordiging geen uitwisselbare begrippen zijn en evenmin dat zij als indirect vertegenwoordiger kunnen worden aangesproken.

Verder is het volgende van belang. KVA stelt dat Chane als experts, en ondersteund door Deloitte, nimmer enige twijfel hebben geuit over de juistheid van de gedane aangiften, laat staan dat zij KVA hebben gewaarschuwd voor mogelijk foutief handelen. De enkele stelling van Chane dat zij geen douane advies geven en Deloitte hen richting de Douane kwalificeert als een simpel ‘doorgeefluik’, is in het licht van hoe Chane zichzelf presenteren op hun website niet aannemelijk. Hun Customs Compliance Team bestaat immers uit 13 mensen en zij zijn “responsible for customs compliance of all terminals within Chane. And compliance with the legal requirements imposed on importing or exporting goods, including the submission of documentation.” Daar komt bij dat nader onderzoek zal moeten uitwijzen of en in hoeverre KVA Chane hebben opgedragen om een ‘nulaangifte’ te verzorgen voor de HVO en als dat zo is, of Chane genoegen mochten nemen met deze opdracht of dat van Chane gezien hun knowhow op dit punt meer mocht worden verwacht dan enkel het uitvoeren van de opdracht van KVA. Relevant in dit verband is verder dat Chane niet hebben gereageerd op de stelling van UTB dat uit het Channollrapport (productie 10 van Chane) volgt dat het hiervoor bedoelde team inhoudelijk betrokken was bij de vraag hoe de HVO douanerechtelijk moest worden behandeld. Voorts volgt uit het zogeheten Deloittememo van 1 december 2025 dat op Chane als douanevertegenwoordiger een zelfstandige en zware onderzoeksplicht rustte. Wat daar ook van zij, voor de gestelde vordering van Chane geldt dat in de periode tussen november 2024 en december 2025 de betrokken zendingen aangegeven zijn zonder toepassing van antidumping- en compenserende rechten. KVA heeft onbetwist gesteld dat de Douane die aangiften heeft geaccepteerd en de zaken heeft vrijgegeven zonder heffing van deze rechten. Voorts heeft de Douane een aantal steekproeven uitgevoerd bij de invoeren en die steekproeven hebben kennelijk geen aanleiding gegeven om af te wijken van de aangiften die Chane hebben verzorgd voor KVA, aldus de onbetwiste stellingen van KVA en UTB. Die laatste voegde daar nog aan toe dat afhankelijk van de concrete omstandigheden, dergelijke steekproeven en vrijgaven, gerechtvaardigd vertrouwen kunnen wekken en aan naheffing in de weg kunnen staan. Chane hebben op dit laatste niet gereageerd, wat opvalt gelet op de aanwezigheid van meerdere adviseurs van Deloitte ter zitting.

Daar komt bij dat KVA uitvoerig heeft betoogd dat de naheffing gebaseerd zou zijn op een nadere afbakening of uitbreiding van de productomschrijving van HVO in verordening 2021/1266 maar dat die in september 2025 gepubliceerde wijziging om redenen van rechtszekerheid geen terugwerkende kracht kent (tot in 2024). Chane hebben dit betoog van UTB niet betwist en daar zelfs nauwelijks op gereageerd, wat opnieuw opvallend is (zie ook 5.17.). De voorzieningenrechter constateert dat KVA een beroep doet op een op 15 september 2025 gepubliceerde en op 12 september 2025 gedateerde aanpassing van Vo 2021/1266. Daaruit volgt dat, voor zover hier relevant, artikel 1 van Vo 2021/1266 wordt vervangen door een nieuwe tekst en aanduiding van waar een antidumpingrecht voor geldt, een en ander met een opsomming van bepaalde aanduidingen (GN codes ex 1516 20 98). Artikel 4 bepaalt dat de verordening in werking treedt op de dag na die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de EU (15 september 2025). Chane hebben, in reactie op het verweer van UTB, niet gesteld dat en waarom deze wijziging niet van invloed is op de gestelde mogelijke naheffing. Het Deloitte memo noemt de wijzing van de verordening met ingang van 15 september 2025 wel, maar volstrekt niet duidelijk is, bijvoorbeeld, welke aangegeven hoeveelheden onder de oude en de nieuwe regeling vallen. Voor zover de stellingen van Chane/Deloitte ervan uitgaan dat niets onder de nieuwe regeling valt, maken zij niet duidelijk waarom dat zo is. Een en leidt tot het oordeel dat er, eerst, op de gestelde, maar overigens nog steeds onvoldoende aannemelijk gemaakte, naheffing van de Douane, en vervolgens, op een al dan niet daaruit voortvloeiend verhaalsrecht op KVA, het nodige valt af te dingen. De gemotiveerde betwistingen van de zijde van KVA en UTB kunnen in ieder geval niet zonder meer terzijde worden geschoven. Daar komt dan nog bij dat UTB ter zitting uitgebreid heeft gesteld dat en op welke wijze uitstel van betaling kan worden gekregen voor een naheffing van de gestelde omvang, waardoor van een direct opeisbare betalingsverplichting van welke omvang dan ook, geen sprake hoeft te zijn.

Hoewel uit de VOTOB voorwaarden volgt dat Chane aanspraak kunnen maken op vooruitbetaling van naheffingen voor wat zij verschuldigd kunnen of zullen worden, is het gelet op alle voorgaande genoemde omstandigheden, te prematuur om in deze procedure te kunnen vaststellen dat Chane een aannemelijke vordering op KVA hebben ter zake van een naheffing van de Douane. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat Chane de Douane zonder enige vorm van communicatie met haar contractspartner KVA, verzocht heeft een aanslag op te leggen en daarvan, direct, derhalve zonder dat enige reactie, laat staan een aanslag, van de Douane bekend was, betaling te verlangen door KVA.

Al het hiervoor overwogene over de gestelde vorderingen van Chane op KVA leidt tot de conclusie dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat Chane rechtsgeldig een pandrecht hebben (gevestigd) op de door haar opgeslagen zaken. Daarnaast zijn de twee gestelde vorderingen op KVA onvoldoende aannemelijk.

Ten overvloede: Chane hebben artikel 21 Rv meerdere keren geschonden

Hoewel KVA, UTB en Starol uitvoerig verweer hebben gevoerd over het al dan niet bestaan van (een voornemen tot het opleggen van) een naheffing, heeft Chane ter zitting geen spontane openheid van zaken gegeven over de stand van zaken over de mogelijke claim. Pas na vragen van de verweerders en de voorzieningenrechter ter zitting volgt een niet onderbouwde toelichting dat er twee voornemens verstrekt gaan worden en dat het bedrag van € 54 miljoen euro door de Douane in een bespreking met Chane op 24 maart 2026 zou zijn genoemd. Nog daargelaten dat dit de vraag doet oproepen waarom KVA daar niets van weet, zoals zij stelt, zijn dit feiten die Chane in het verzoekschrift, dat op 12 mei 2026 is gedateerd, hadden moeten opnemen.

In haar pleidooi verwijt Chane dat geen van de partijen getracht heeft een minnelijke oplossing te bereiken. De advocaat van KVA heeft in reactie daarop onbetwist gesteld dat hij al op 13 december 2025 contact heeft opgenomen met de advocaat van Chane om het gesprek aan te gaan om tot een oplossing te komen. Starol wijst erop dat zij op 29 april 2026 een concreet voorstel heeft gedaan om de bij Chane opgeslagen zaken (opnieuw) te kopen. Pas ter zitting, en desgevraagd, stellen Chane – zonder enige onderbouwing van hun bezwaren – dat zij niet met Starol in zee willen gaan vanwege de onaanvaardbaarheid van de achterman van Starol. Dit hebben zij echter niet (eerder) medegedeeld aan Starol. Ter zitting bleek overigens dat Starol niet één maar twee keer een bod heeft gedaan voor een koop. Het tweede bod bleek te zijn afgewezen in verband met de prijsconstructie. Het gemaakte verwijt miskent, en vermeldt niet, dat Chane de overige partijen heeft meegedeeld dat alleen overeenstemming kon worden bereikt als ieder van hen afstand zou doen van (mogelijk toekomstige) vorderingsrechten (die zouden kunnen voortvloeien uit het in een bodemprocedure blijkend gelijk van de stellingen van KVA, UTB en Starol in combinatie met de verkoop van producten voor een lagere prijs dan de actuele marktwaarde op het moment van verkoop). Dat laat zich maar moeilijk rijmen met de sinds december 2025 door Chane ingenomen stelling dat zij een harde vordering ter hoogte van € 54 miljoen (vermeerderd met rente) hebben.

Ten overvloede: de voorgestelde wijze van verkoop

Chane verzoeken een onderhandse verkoop, omdat openbare verkoop van de verpande goederen niet tot de hoogst mogelijke opbrengst zal leiden. Zij verzoeken de goederen te mogen verkopen door potentiële kopers een bindend bod te laten uitbrengen op een nader te bepalen datum onder voorbehoud van gunning en/of door het aanstellen van een broker. Chane geven niet de voorkeur aan een broker, omdat zij de goederen liever in eigen beheer verkopen en daarmee de kosten van een broker uitsparen. Ten aanzien van de prijs van de goederen verzoeken Chane toestemming om de GTL en HVO te verkopen voor een prijs die maximaal 25% lager ligt dan de benchmark op de dag van verkoop, omdat Chane, onder andere, niet beschikken over sluitende documentatie met betrekking tot de producent, grondstof en oorsprong van de HVO, wat de prijs drukt.

UTB verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de voorgestelde verkoopwijze onvoldoende bepaald, onzorgvuldig en oncontroleerbaar is. Chane verzoeken immers een verkoopproces dat ze zelf kunnen inrichten en de goederen na een selectie van bieders, naar eigen inzicht kunnen gunnen aan een koper. Daarnaast ontbreken een onafhankelijke taxatie van de waarde van de zaken, een schriftelijk biedprotocol, een regeling voor informatieverstrekking aan UTB en een deugdelijke regeling voor de opbrengst. Hierdoor kan niet objectief worden getoetst of Chane daadwerkelijk de best mogelijke opbrengst realiseren.

Starol stelt dat de door Chane voorgestane wijze van verkoop ondoorzichtig is en brengt deze wijze het risico met zich mee dat de door Chane opgeslagen goederen aan een derde worden verkocht voor een veel te lage prijs, zonder dat Starol überhaupt in de gelegenheid wordt gesteld om een bod te doen op de zaken.

Het verzoek is, nog afgezien van wat hiervoor in het vonnis is overwogen, niet toewijsbaar. In de literatuur wordt betoogd dat de toestemming van de voorzieningenrechter niet noodzakelijkerwijs gebonden is aan een bepaalde verkoop aan een bepaalde koper. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter (wel) moet toetsen of de verkoop waarvoor toestemming wordt gevraagd, leidt tot opbrengstmaximalisatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wijzen UTB en Starol er terecht op dat er bij de door Chane voorgestelde wijze van verkoop geen enkele controle, op welk moment dan ook, op het verkoopproces is. In feite is de voorgestelde wijze van verkoop een carte blanche voor Chane zonder ook maar enige vorm van transparantie richting UTB en Starol als gepretendeerde eigenaren van de zaken. De vragen die de voorzieningenrechter ter zitting stelde over de controle op het verkoopproces – vooraf, tijdens of achter – zijn onbeantwoord gebleven. Dit wringt temeer omdat Chane toestemming willen om de GTL en HVO te verkopen voor een prijs die 25% onder de marktwaarde ligt. Dat wringt met de hiervoor bedoelde opbrengstmaximalisatie, waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat Starol onbetwist stellen dat zij al een bod hebben gedaan dat aanzienlijk hoger lag dan waarvoor Chane de producten nu willen verkopen. Daar komt nog eens bij dat Chane zich op geen enkele wijze hebben uitgelaten over het, door hen overigens ook verzwegen, feit dat (een deel van) de zaken plotseling naar Nijmegen zijn vervoerd, daar zijn opgeslagen en vermengd en wat dit met de waarde van de zaken doet, of kan doen, en vervolgens met de verkoop daarvan.

Starol stelt terecht dat artikel 3:251 BW voorschrijft dat de voorzieningenrechter een onderhandse verkoop kan toestaan. In de gegeven omstandigheden en onder de verzochte voorwaarden is een onderhandse verkoop prematuur en niet in het belang van (met name) UTB en Starol en wordt het verzoek afgewezen. Omdat het primaire verzoek van Chane wordt afgewezen, kan het subsidiaire verzoek dat Chane een bankgarantie stellen in afwachting van de door de Douane op te leggen aanslag, onbesproken blijven.

Ten overvloede

De voorzieningenrechter overweegt dat door de afwijzing van de verzoeken van Chane, de status quo wordt gehandhaafd. Zij is zich er van bewust dat niemand is gebaat bij deze situatie, maar in de gegeven omstandigheden is er geen reden om de beslissing in het voordeel van Chane te laten uitvallen.

Chane worden veroordeeld in de proceskosten van KVA, UTB en Starol

Zowel de afwijzing van het verzochte als de schending van artikel 21 Rv leiden tot een veroordeling van Chane in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van KVA, UTB en Starol worden per partij begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.230,00

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij vooraard verklaard (artikel 288/289 Rv).

De veroordeling ten behoeve van KVA wordt, zoals gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde het hele bedrag is verschuldigd. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de verzoeken af,

veroordeelt Chane hoofdelijk in de proceskosten van KVA van € 2.230,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Chane niet aan de veroordelingen voldoen en de beschikking moet worden betekend,

veroordeelt Chane in de proceskosten van UTB van € 2.230,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Chane niet aan de veroordelingen voldoen en de beschikking moet worden betekend,

veroordeelt Chane in de proceskosten van Starol van € 2.230,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Chane niet aan de veroordelingen voldoen en de beschikking moet worden betekend,

verklaart de proceskostenveroordelingen in 6.2. tot en met 6.4. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.

3608/2009

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand