RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724528 / KG ZA 26-843
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. L.A. Alderlieste,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
advocaat: mr. J. Pearson.
1. De zaak in het kort
Eisers vorderen in deze procedure onder andere een verbod voor gedaagde om de woning zonder toestemming van eisers te betreden. De voorzieningenrechter treft, gelet op de belangen van partijen, een ordemaatregel. Gedaagde mag de woning tot 15 oktober 2026 niet zonder toestemming van eisers betreden. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht.
2. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 7 augustus 2026;
- producties 1 tot en met 6 van eisers;- productie 1 van gedaagde;- de pleitnota van mr. Pearson.
De mondelinge behandeling heeft op 12 augustus 2026 plaatsgevonden. Mr. Pearson heeft op die mondelinge behandeling verzocht de producties van eisers buiten beschouwing te laten.
3. De feiten
Gedaagde is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: ‘de woning’). Eisers verblijven sinds 1 november 2025 in de woning en staan ook op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Ook gedaagde staat op dit adres ingeschreven.
Eisers betalen sinds november 2025 de hypotheeklasten van gedaagde en de bijdrage voor gas, water en licht.
4. Het geschil
Eisers vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagde te verbieden om de woning zonder voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van eisers te betreden of te doen betreden, zo lang eisers de woning bewonen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat gedaagde zich niet aan houdt aan de veroordeling,
gedaagde te gebieden te gedogen de (buiten)sloten van de woning vervangen;
gedaagde te gebieden om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle sleutels van de door hem vervangen sloten aan eisers ter beschikking te stellen, althans ervoor zorg te dragen dat eisers volledige en onbelemmerde toegang hebben tot alle ruimten in de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;
gedaagde te verbieden, zo lang eisers de woning bewonen, de thans aanwezige sloten van de woning te (laten) vervangen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat gedaagde zich niet aan houdt aan de veroordeling;
gedaagde te veroordelen in de proceskosten.
Gedaagde voert verweer. Gedaagde concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
5. De beoordeling
De producties van eisers worden toegelaten
Mr. Pearson maakt bezwaar tegen de ingediende producties van eisers, omdat deze producties niet zijn meebetekend met de dagvaarding, terwijl het merendeel van de producties ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al voorhanden was. De producties zijn pas op 10 augustus 2026 aan het einde van de dag, nadat gedaagde hierom had verzocht, toegezonden. Dit is slechts één werkdag voor de zitting. Om die reden moeten de producties buiten beschouwing worden gelaten, aldus mr. Pearson.
Hoewel het mr. Pearson kan worden toegegeven dat van mr. Alderlieste wordt verwacht dat hij de producties eerder en in elk geval per omgaande na een verzoek daartoe, aan mr. Pearson had verstrekt, verbindt de voorzieningenrechter hieraan geen consequenties. Mr. Pearson heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij door de late toezending van de producties, geen verweer heeft kunnen voeren tegen de vorderingen of in dat verweer is belemmerd. De producties worden dus toegelaten.
Het toetsingskader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eisers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Eisers hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
Eisers stellen een spoedeisend belang bij hun vorderingen te hebben, omdat gedaagde de persoonlijke levenssfeer, het woongenot en het gevoel van veiligheid van eisers ernstig aantast. Eisers hebben enkele voorbeelden genoemd van confrontaties tussen partijen in de woning. Hoewel partijen twisten over wat de huidige (woon)situatie van partijen is, is evident dat de verhouding tussen hen ernstig is verstoord en dat recent sprake is geweest van confrontaties in de woning. Het spoedeisend belang is dus voldoende gegeven.
De afspraken tussen partijen kwalificeren als een huurovereenkomst
Tussen partijen is niet in geschil dat eisers sinds 1 november 2025 in de woning van gedaagde wonen. Partijen twisten over de vraag of gedaagde ook in de woning woont, zoals gedaagde stelt. Gedaagde stelt dat ook hij zijn hoofdverblijf in de woning heeft; hij heeft er zijn eigen slaapkamer met zijn eigen bed en hij staat ingeschreven op het adres van de woning. Zijn kleding, schoenen en toiletartikelen bevinden zich in de woning, aldus gedaagde. Volgens eisers is dit niet het geval. Zij stellen dat gedaagde de woning voor 1 november 2025 aan andere mensen verhuurde en dat gedaagde tot voor kort bij zijn vriendin woonde. Eisers stellen dat gedaagde pas sinds vorige week weer in de woning woont en dat hij eisers gedwongen heeft een kamer die zij met hun eigen spullen hadden ingericht, leeg te maken, zodat gedaagde daar weer kon gaan slapen. Sindsdien verblijft gedaagde in de woning, slaapt hij er en ontvangt hij er veel bezoek.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gedaagde heeft het gebruik van de woning toegestaan aan eisers en zij voldoen daarvoor een tegenprestatie, namelijk het betalen van de hypotheeklasten en de kosten van gas, water en licht. Deze afspraken kwalificeren op grond van artikel 7:201 BW als een huurovereenkomst. Het is gelet op het verweer van gedaagde echter niet aannemelijk geworden dat eisers de hele woning huren. Immers, gedaagde stelt dat hij altijd al in de woning woonde, zijn spullen daar altijd hebben gestaan, slechts spullen heeft verplaatst naar een andere kamer en in die kamer inmiddels slaapt. Zonder nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, is niet te bepalen wie van partijen op dit punt het gelijk aan hun/zijn zijde heeft. Het is daardoor onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat eisers het hele huis van gedaagde huren. Het uitgangspunt voor de beslissing in deze procedure is dan ook dat eisers een deel van de woning van gedaagde huren en dat zij op die grond gerechtigd zijn om gebruik te maken van de gemeenschappelijke ruimtes in de woning, zoals de woonkamer, de keuken en de badkamer.
Een belangenafweging brengt mee dat gedaagde de woning tijdelijk niet mag betreden
Nu wordt aangenomen dat eisers in ieder geval een gedeelte van de woning huren en, hoewel eisers dit betwisten, gedaagde als eigenaar van de woning ook verblijft in de woning, zijn partijen in principe beiden gerechtigd tot het gebruik van de (gemeenschappelijke gedeelten van de) woning. Gelet op de overgelegde stukken en wat is aangevoerd ter zitting, staat echter vast dat eisers en gedaagde niet samen in de woning kunnen verblijven. Hiervoor is van belang dat eisers hun stellingen over de confrontaties tussen partijen voldoende hebben onderbouwd. Zij hebben een aangifte van mishandeling door gedaagde overgelegd en zij hebben een gedeelte van een transcript van een telefoongesprek overgelegd, waarin ter sprake komt dat er tijdens een ruzie fysiek contact tussen eiseres en gedaagde is geweest. Gedaagde heeft deze stellingen onvoldoende concreet betwist. Een concrete betwisting had wel van gedaagde mogen worden verwacht, ook al hebben eisers slechts een gedeelte van de telefoongesprekken overgelegd. Ook uit de uitlatingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling volgt voldoende concreet dat er op dit moment geen basis voor partijen is om gezamenlijk in de woning te verblijven. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in dit vonnis een ordemaatregel treft die zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van beide partijen.
De huidige situatie is voor beide partijen belastend. Voor eisers is het belastend dat zij niet ongestoord het genot van de woning hebben en voor gedaagde is het belastend dat hij niet ongestoord in zijn woning kan verblijven. Ter zitting is gebleken dat partijen niet bereid of in staat zijn om afspraken te maken over een (tijdelijke) periode dat gedaagde niet in de woning verblijft. Eisers hebben te kennen gegeven over voldoende financiële middelen te beschikken en druk op zoek te zijn naar een koop- of huurwoning, maar dat dit tijd kost en zij op zeer korte termijn niet bij derden kunnen verblijven. Gedaagde stelt dat hij aan eisers heeft meegedeeld dat zij per 12 september 2026 de woning moeten verlaten. Hoewel gedaagde in dit verband spreekt van een “afspraak”, blijkt uit niets dat eisers met deze einddatum hebben ingestemd. Vooralsnog gaat de voorzieningenrechter er daarom vanuit dat gedaagde met deze mededeling – die eisers op zichzelf niet hebben betwist – in wezen de huurovereenkomst heeft willen opzeggen. Onduidelijk is echter wanneer gedaagde dit heeft gezegd, zodat ook onduidelijk is of de opzegging rechtsgeldig is (vergelijk artikel 7:271 in verbinding met artikel 7:232 lid 3 BW). Dit komt voor risico van gedaagde. In dit kort geding moet daarom worden aangenomen dat het recht van eisers op gebruik van een deel van de woning voortduurt na 12 september 2026.
Het belang van eisers vergt dat zij in de huidige woning kunnen verblijven zonder ongevraagd met gedaagde te worden geconfronteerd. Dit rechtvaardigt een voorziening die ertoe strekt dat het gedaagde wordt verboden zonder toestemming van eisers de woning te betreden. Het belang van gedaagde vergt dat die periode zo kort mogelijk duurt, omdat hij gedurende die periode in het genot van zijn eigendomsrecht wordt belemmerd. Die belemmering acht de voorzieningenrechter voor een korte periode wel gerechtvaardigd, omdat gedaagde er geen blijk van heeft gegeven rekening te houden met het recht van eisers op een ongestoord huurgenot en er dus zelf debet aan is dat een ordemaatregel nodig is. De voorzieningenrechter beslist, gelet op alle omstandigheden van het geval, dat gedaagde de woning tot 15 oktober 2026 zonder voorafgaande toestemming van eisers niet mag betreden. Deze periode zorgt hopelijk voor rust bij partijen en geeft eisers de gelegenheid om een nieuwe woning te zoeken, waarbij de voorzieningenrechter meeweegt dat eisers kennelijk over voldoende financiële middelen beschikken. Aan de andere kant is deze periode voor gedaagde een overzienbare periode om gedwongen elders te verblijven.
De vorderingen
Het voorgaande betekent dat vordering I. voor een beperkte periode wordt toegewezen. Gedaagde mag de woning tot 15 oktober 2026 niet zonder toestemming van eisers betreden. De voorzieningenrechter acht een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom aangewezen en deze wordt dan ook opgelegd zoals in de beslissing is vermeld.
Vordering II. wordt afgewezen, omdat het belang bij deze vordering naast het toegewezen verbod tot betreden van de woning onvoldoende is toegelicht. Daarbij komt dat gedaagde vanaf 15 oktober 2026 weer toegang heeft tot de woning.
Gedaagde heeft ter zitting erkend dat hij het slot van de slaapkamerdeur en van de deur die toegang geeft tot de tuin, heeft vervangen. Omdat in de slaapkamer persoonlijke spullen staan van gedaagde hoeft hij van deze deur de sleutel niet af te geven. Gedaagde moet de sleutel van de tuindeur wel afgeven binnen 24 uur na betekening van dit vonnis. Als gedaagde dit niet doet, is hij een dwangsom verschuldigd aan eisers. Vordering III. wordt dus gedeeltelijk toegewezen. Het wordt gedaagde tot slot tot 15 oktober 2026 verboden om de sloten van de woning te vervangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom (vordering IV.).
Gedaagde moet wel zijn persoonlijke spullen kunnen ophalen
Voor de goede orde wijst de voorzieningenrechter erop dat gedaagde vanzelfsprekend wel in staat moet worden gesteld zijn persoonlijke spullen te gebruiken in de periode tot 15 oktober 2026. Eisers zijn daarom verplicht om gedaagde daartoe gelegenheid te geven. Gedaagde moet daarvoor dan een afspraak met eisers maken. Vanwege de gespannen relatie tussen partijen, ligt het voor de hand dat deze afspraak via de advocaten van partijen tot stand komt.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat partijen (schoon)familie van elkaar zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt gedaagde tot 15 oktober 2026 om de woning zonder voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van eisers te betreden of te doen betreden,
gebiedt gedaagde om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis sleutels van de achterdeur die toegang geeft tot de tuin aan eisers ter beschikking te stellen,
verbiedt gedaagde tot 15 oktober 2026 de thans aanwezige sloten van de woning te (laten) vervangen,
veroordeelt gedaagde om aan eisers een dwangsom te betalen van € 250,- per dag voor iedere keer dat hij niet aan de in 6.1, 6.2 en 6.3 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
3608/1980