RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12327961 VV EXPL 26-454
datum uitspraak: 27 augustus 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
1. [eiser 1],
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser sub 1,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats 2],
eiser sub 2,
gemachtigde: mr. J.M. de Heer,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die niet is verschenen.
Eisers worden hierna gezamenlijk ‘verhuurders’ genoemd en gedaagde wordt hierna ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 8 augustus 2026, met bijlagen;
de akte met een aanvullende productie van de verhuurders van 13 augustus 2026;
de e-mail van [gedaagde] en [naam], binnengekomen bij de griffie op 19 augustus 2026 om 09:56 uur;
de spreekaantekeningen van de gemachtigden van de verhuurders.
Op 19 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting met de verhuurders en mr. J.C. Kooren en mr. L.M. Geboers, namens mr. de Heer, besproken. De kantonrechter heeft de door [gedaagde] per e-mail toegezonden reactie niet opgevat als een verzoek om uitstel, omdat daar niet concreet om is verzocht. Omdat [gedaagde] niet is verschenen op de zitting is tegen hem verstek verleend.
2. Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] huurt van de verhuurders de woning aan [adres] (hierna: de woning). Hoewel de woning uitsluitend is bestemd voor één persoon woont sinds kort ook [naam] (hierna: [naam]) zonder toestemming van de verhuurders met haar twee kinderen in de woning. Daarnaast is er een huurachterstand die tot en met augustus 2026 € 1.142,49 bedraagt. Verder is er sprake van een ernstige lekkage in de winkel onder de woning, maar [gedaagde] weigert de aannemer van de verhuurders toegang tot de woning te geven om de lekkage te herstellen. De verhuurders eisen in deze procedure ontruiming van de woning, op straffe van een dwangsom. Zij vorderen ook betaling van de contractuele boete van € 45,- per dag, van de huurachterstand en van de lopende huur tot aan de ontruiming, vermeerderd met rente en kosten.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Uit de stellingen van de verhuurders volgt dat deze spoed aanwezig is.
Ontruiming
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Er is namelijk sprake van een huurachterstand van (meer dan) drie maanden, het in gebruik geven van de woning aan [naam] en haar kinderen terwijl dat op grond van de huurovereenkomst niet is toegestaan en het weigeren van toegang tot het gehuurde voor dringende werkzaamheden. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding zodat de vordering tot ontruiming wordt toegewezen.
In de e-mail van 19 augustus 2026 wordt een beroep gedaan op de belangen van [naam] en haar kinderen. Strikt genomen moet die e-mail buiten beschouwing blijven omdat [gedaagde], of namens hem een gemachtigde, niet ter zitting is verschenen. Ten overvloede wordt inhoudelijk overwogen dat uit productie 16 volgt dat de gemachtigde van de verhuurders [gedaagde] bij e-mail van 5 augustus 2026 expliciet heeft verzocht om de feitelijke situatie in het gehuurde, waaronder de eventuele aanwezigheid van minderjarige kinderen, toe te lichten en te onderbouwen. [gedaagde] heeft hierop in het geheel niet gereageerd. Ook in de e-mail van 19 augustus 2026 is geen concreet inzicht gegeven in de personalia, leeftijden en feitelijke verblijfstatus van deze kinderen, zodat niet is gebleken dat de kinderen van [naam] minderjarig zijn. De beperkte informatie staat daarom niet in de weg aan ontruiming.
De veroordeling tot ontruiming geldt tegen [gedaagde] en “de zijnen”, waaronder begrepen [naam] en haar kinderen. Zij verblijven immers zonder recht of titel in de woning en moeten deze daarom, net zoals [gedaagde], verlaten.
De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen. Op grond van de artikelen 556 lid 1 en artikel 557 Rv is de deurwaarder namelijk, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de (sterke arm van) politie in te roepen. De kosten van zo’n noodzakelijke ontruiming komen op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van [gedaagde]. De gevorderde dwangsom op de veroordeling tot ontruiming wordt ook afgewezen omdat de verhuurders immers reeds op grond van artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv gemachtigd zijn om de ontruiming zelf op kosten van [gedaagde] te doen uitvoeren door een deurwaarder. Een aanvullende dwangsom is dan ook overbodig.
Ambtshalve toetsing
De verhuurders vorderen een boete van € 45,- per dag op grond van de artikelen 1.3 en 1.4 van de algemene voorwaarden, omdat [gedaagde] de woning zonder toestemming aan derden in gebruik heeft gegeven. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van de verhuurders oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. De kantonrechter moet oneerlijke bepalingen vernietigen. De verhuurder mogen die bepaling dan niet gebruiken en kan dan ook geen beroep meer doen op aanvullend recht.
Gebleken is dat in artikel 20.6 van de algemene voorwaarden eveneens een algemeen boetebeding is opgenomen dat van toepassing is op iedere overtreding van de algemene voorwaarden. Beide boetebedingen (artikel 1.4 en artikel 20.6) kunnen, gelet op de formulering ervan, in beginsel naast elkaar worden gevorderd, evenals eventuele wettelijke schadevergoeding. Dit leidt tot een aanzienlijke cumulatie van sancties voor eenzelfde tekortkoming. Gelet op deze onbeperkte cumulatiemogelijkheid en de omstandigheid dat het boetebeding in artikel 20.6 niet specifiek is gesteld op één overtreding oordeelt de kantonrechter dat beide artikelen (1.4 en 20.6) oneerlijk zijn. Bovendien is een totale boete van € 7.335,- (en nog oplopend), in verhouding tot de geldende huurprijs en de huurachterstand, buitenproportioneel. Daarnaast is het spoedeisend belang bij de gevorderde boete niet gebleken.
Het gevolg van het bovenstaande is dat de boetebedingen buiten toepassing worden gelaten. De gevorderde boete wordt dan ook afgewezen. Omdat de boetebedingen oneerlijk zijn, hebben de verhuurders ook geen recht op de rente die zij daarover hebben berekend.
Huurachterstand en lopende huur
De gevorderde huurachterstand van € 1.142,49, berekend tot en met augustus 2026, wordt toegewezen. Vanaf 1 september 2026 totdat de woning daadwerkelijk is ontruimd moet [gedaagde] de lopende huur van € 385,86 per maand blijven betalen (artikel 7:225 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan de verhuurders moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 233,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.107,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de verhuurders dat eisen (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan de verhuurders te betalen € 1.142,49 aan huurachterstand, berekend tot en met de maand augustus 2026;
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van de verhuurders te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 september 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 385,86 per maand te betalen aan de verhuurders;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van de verhuurders worden begroot op € 1.107,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
53954