RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/722963 / JE RK 26-1361 en C/10/723121 / JE RK 26-1379
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, thans verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.B. Jobse uit Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, ingeschreven onder zaaknummer C/10/722963 / JE RK 26-1361;
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, ingeschreven onder zaaknummer C/10/723121 / JE RK 26-1379;
het verweerschrift met bijlagen van de vader, ontvangen op 20 juli 2026;
het correctiebericht op het verweerschrift van de vader, ontvangen op 21 juli 2026;
aanvullende bijlagen van de vader, ontvangen op 21 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 4] .
De moeder en haar advocaat zijn, in het bijzijn van de Raad, op een eerder moment apart gehoord.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
[minderjarige 1] verblijft in een voorziening voor netwerkpleegzorg. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verblijven met de moeder op een bij de rechtbank bekend adres.
Bij beschikking van 9 juli 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 oktober 2026.
Bij beschikking van 10 juli 2026 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van, [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de ouder met gezag, te weten bij de moeder, verleend tot 7 augustus 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
3. De (aangehouden) verzoeken
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/722963 / JE RK 26-1361
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daarop de beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Bij (spoed)beschikking van 9 juli 2026 is de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van drie maanden. De belanghebbenden dienen hierop nog te worden gehoord.
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/723121 / JE RK 26-1379
De Raad heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkvoorziening te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft ook verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de gezaghebbende moeder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Bij spoedbeschikking van 10 juli 2026 is voor alle kinderen een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 7 augustus 2026. Er resteert nog een beslissing op de machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 oktober 2026.
De zelfstandige verzoeken van de vader
De vader verzoekt primair de verleende voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing niet te bekrachtigen dan wel op te heffen.
De vader verzoekt subsidiair, indien de kinderrechter de maatregelen niettemin aangewezen acht:
het contact tussen hem en de kinderen op korte termijn te laten herstellen conform de door de rechter bekrachtigde zorgregeling;
ten aanzien van [minderjarige 1] de plaatsing in de voorziening voor netwerkpleegzorg te heroverwegen en de vader in ieder geval te informeren over zijn verblijfplaats en welzijn;
de uitspraak van [minderjarige 1] dat hij door de moeder is geslagen serieus te laten onderzoeken;
voor [minderjarige 1] een bijzondere curator te benoemen; en
de raadsonderzoeker op te dragen de door de vader overgelegde stuken en zienswijze volwaardig in het verdere onderzoek te betrekken.
4. De standpunten
De Raad handhaaft de aangehouden verzoeken tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. De Raad en andere betrokken instanties hebben een toenemende dreiging vanuit de vader richting de moeder en de kinderen gesignaleerd. Het wijkteam heeft geprobeerd om veiligheidsafspraken te maken, maar dit is helaas niet gelukt. De voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is nog steeds nodig om hun veiligheid en de veiligheid van de moeder te waarborgen. Er is rust in de situatie nodig en er moet worden voorkomen dat de kinderen heen en weer worden gesleept. Het klopt dat de Raad nog niet goed met de vader heeft gesproken. Er wordt vandaag een raadsonderzoeker aangewezen die het onderzoek zal gaan doen. Daarin zal de vader worden gehoord en zullen de standpunten en zienswijzen van de vader ook serieus worden meegenomen. Ook de wens van [minderjarige 1] om weer bij de vader te wonen zal hierbij serieus worden meegenomen.
De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat zij ten tijde van het indienen van het verzoek voor de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing twijfelde over de noodzakelijkheid van de maatregel. Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling is de GI daarom voornemens om zo snel mogelijk te werken aan contactherstel tussen de vader en de kinderen en te bekijken welke rol de vader kan spelen in de verzorging en opvoeding van de kinderen en in ieder geval [minderjarige 1] . De GI is het met de Raad eens dat hiervoor in de situatie rust nodig is en dat moet worden voorkomen dat te veel met de kinderen wordt gesleept. Er is nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar, maar er is een vast team aangesteld dat de eerste nodige stappen qua hulpverlening kan zetten. Allebei de ouders moeten werken aan de manier waarop zij elkaar benaderen en hoe zij met elkaar communiceren.
Door en namens de moeder is ingestemd met de aangehouden verzoeken van de Raad. Er is al langere tijd, ook al voor de echtscheiding, sprake van forse spanning en agressie tussen de ouders. De kinderen hebben hier last van. [minderjarige 1] heeft de afgelopen drie maanden bij de vader verbleven en heeft het gedrag van de vader richting de moeder overgenomen. Hij vindt het lastig om zowel bij de vader als de moeder te verblijven, omdat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet meer naar de vader gaan en hij de vader niet alleen wil laten. Op dit moment is het goed dat de moeder met [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ergens anders verblijft en dat [minderjarige 1] ergens in het netwerk is geplaatst. In de situatie moet rust ontstaan en [minderjarige 1] moet de kans krijgen om los te komen van het standpunt van de vader. Vervolgens moet worden bekeken welke verdere stappen nodig en passend zijn. De moeder hoopt dat de vader in de toekomst weer een grotere rol kan spelen in het leven van de kinderen, maar dit moet wel veilig gebeuren. Hier is tijd voor nodig, die door de betrokken hulpverlening goed moet worden benut.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen de aangehouden verzoeken van de Raad en verwijst voor een toelichting naar zijn verweerschrift en ingediende bijlagen. De vader heeft het gevoel dat zijn standpunten en zienswijzen in beslissingen niet worden meegenomen en dat enkel naar de moeder wordt geluisterd. De vader heeft de kinderen en de moeder nooit mishandeld. Het klopt dat hij bij betrokken instanties fel heeft gereageerd, maar dit doet hij normaal gesproken niet. Zijn gedrag kwam voornamelijk voort uit frustratie en de vader heeft hier spijt van. Het is niet in het belang van de kinderen om nog een paar weken te wachten voordat kan worden gewerkt aan contactherstel en kan worden bekeken of en op welke manier [minderjarige 1] weer terug naar de vader kan.
5. De beoordeling
Ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige ondertoezichtstelling moet worden gehandhaafd en dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Er is al langere tijd sprake van oplopende spanningen tussen de ouders, waarbij de bij het gezin betrokken hulpverlening aangeeft dat er sprake is van een toenemende dreiging van de vader richting de moeder. Het is niet gelukt om veiligheidsafspraken te maken met de vader. De kinderen verblijven sinds het verlenen van de maatregelen op een voor de vader onbekende plek en de kinderen hebben geen contact met de vader. Het is voor de kinderen onwenselijk dat zij geen contact hebben met de vader, maar de kinderen hebben de afgelopen periode veel meegemaakt door de escalerende situatie tussen de ouders en in het contact met de vader. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er eerst rust komt in deze situatie en dat de kinderen zelf tot rust kunnen komen. Dat kunnen zij op de plek waar ze nu verblijven. Het veranderen van hun verblijfsplek zou bovendien opnieuw tot onrust leiden en dat is niet in het belang van de kinderen. Dit maakt dat de machtiging uithuisplaatsing nog noodzakelijk is.
Vanuit deze situatie van rust moet worden bekeken of er positieve stappen gezet kunnen worden. Daarom is de betrokkenheid van de GI belangrijk. De GI moet met de ouders veiligheidsafspraken maken en regie voeren op de in te zetten hulpverlening, waarbij ook moet worden bekeken op welke manier de kinderen contact kunnen hebben met allebei de ouders. Daarnaast moet door de Raad nader onderzoek worden gedaan om de situatie van het gezin in kaart te brengen, waarbij de standpunten en zienswijze van alle betrokken partijen meegenomen worden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de vader
Zoals in het voorgaande overwogen, acht de kinderrechter het van belang dat een situatie van rust voor de kinderen ontstaat en dat er door de Raad nader onderzoek wordt gedaan. Het toewijzen van de verzoeken van de vader draagt op dit moment niet bij aan het creëren van deze rust. De kinderrechter zal de verzoeken van de vader daarom afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
handhaaft de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van 9 juli 2026;
handhaaft de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 10 juli 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 9 oktober 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de ouder met gezag, te weten de moeder, tot 9 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.