ECLI:NL:RBROT:2026:10623

ECLI:NL:RBROT:2026:10623

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 11695776 CV EXPL 25-11324
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Huurrecht. Dringend eigen gebruik. Verhuurder onderbouwt het gestelde dringend eigen gebruik onvoldoende.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11695776 CV EXPL 25-11324

datum uitspraak: 28 augustus 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting Maasstad Ziekenhuis,

vestigingsplaats: Rotterdam,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. N. van den Burg,

tegen

OSP B.V.,

vestigingsplaats: IJsselstein,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigden: mr. A.J. de Gier en mr. J.M. Heikens.

De partijen worden hierna ‘Maasstad’ en ‘OSP’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 2 mei 2025, met bijlagen;

het antwoord van 9 juli 2025, met een eis in reconventie (een tegeneis) en bijlagen;

het antwoord in reconventie van 3 februari 2026, met bijlagen.

Op 3 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. De zaak is aangehouden om partijen de gelegenheid te geven hun geschil samen op te lossen. Partijen hebben laten weten daar niet in geslaagd te zijn.

2. Het geschil

OPS huurt bedrijfsruimte in de hal van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam. Maasstad schrijft op 28 december 2024 aan OSP:

Op 1 januari 2011 is tussen Stichting Maasstad Ziekenhuis (hierna: MZ) en uw rechtsvoorganger OSP du Monde Beheer B.V. een huurovereenkomst gesloten betreffende een ruimte van 1445m2 vvo op de begane grond van de centrale hal van het ziekenhuis voor de exploitatie van een horeca- en winkelvoorziening. De huurovereenkomst kende een initiële looptijd van 10 jaar, derhalve tot en met 31 december 2020 en is aansluitend (stilzwijgend) met een termijn van 5 jaar verlengd. De huidige termijn loopt thans tot en met 31 december 2025.

Zoals u weet heeft MZ recent een uitvraag gestart om een strategisch partner te selecteren die zowel het personeelsrestaurant, de horeca in de centrale hal als de catering in een geheel en in partnership met MZ wil gaan verzorgen. De consequentie van de beoogde integratie van de restauratieve dienstverlening, horeca en catering binnen het MZ, is dat MZ de thans door OSP B.V. gehuurde ruimte zelf nodig heeft en in samenspraak met de te selecteren strategisch partner in gebruik zal nemen.

In dit licht [zien] wij ons thans genoodzaakt om hierbij de huurovereenkomst, conform artikel 3.4. van de huurovereenkomst, met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 1 jaar op te zeggen tegen de einddatum, zijnde 31 [december] 2025. De opzegging vindt plaats op de volgende gronden:

1. De verhuurder wil het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik nemen;

2. De belangen van verhuurder wegen zwaarder bij beëindiging van de huurovereenkomst dan de belangen van u bij voortzetting van de huurovereenkomst. Het is niet mogelijk de plannen van het MZ te verwezenlijken zonder beëindiging van de huidige huurovereenkomst.

Wij verzoeken u om ons binnen 6 weken na heden te laten weten of u akkoord gaat met de opzegging. Daarbij realiseren wij ons dat u, althans een van de andere vennootschappen binnen het [naam] -concern, actief betrokken bent bij voornoemde uitvraag naar een nieuwe strategische partner.

Wij kunnen ons dan ook voorstellen dat wij, indien u of een andere entiteit van het [naam] -concern op basis van de uitvraag als strategisch partner mocht worden geselecteerd, gezamenlijk tot een voortijdige beëindiging van de bestaande huurovereenkomst zouden kunnen komen, zodat deze goed aansluit op de nieuwe plannen.

Uw reactie zien wij met belangstelling tegemoet.

Maasstad vordert in conventie, samengevat, te bepalen dat de huurovereenkomst tussen partijen eindigt per 31 december 2025, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen datum, met veroordeling van OSP de bedrijfsruimte tegen de vast te stellen datum te ontruimen, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij dit niet doet, en met veroordeling van OSP in de proceskosten.

OSP vordert in reconventie, met veroordeling van Maasstad in de proceskosten:

1. primair Maasstad te veroordelen over te gaan tot intrekking van de opzegging van de huurovereenkomst en van de overeenkomst voor het personeelsrestaurant, althans schriftelijk aan OSP te bevestigen dat die opzeggingen als niet geschreven moeten worden beschouwd, met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Maasstad dit niet doet;

2. subsidiair voor recht te verklaren dat de opzeggingen van de huurovereenkomst en overeenkomst voor het personeelsrestaurant nietig zijn, althans vernietigbaar, althans dat daaraan niet het beoogde rechtsgevolg toekomt

Maasstad en OSP voeren verweer tegen elkaars vorderingen. Is dit van belang voor de beoordeling, dan wordt hierna ingegaan op wat partijen naar voren brengen. Wordt niet ingegaan op een argument dat naar voren is gebracht, dan is dat argument niet van belang voor de beoordeling van deze zaak.

3. De beoordeling

in conventie

De kantonrechter begrijpt (tussen de regels door) wat Maasstad wil, denkt althans te begrijpen wat Maasstad wil: meer grip, op zowel assortiment, prijzen als kosten. Maasstad is een ziekenhuis, mensen komen er niet voor de lol, bezoekers willen iets te eten en te drinken kunnen kopen en Maasstad wil dat tegen een redelijke prijs aanbieden, en gezond.

Als dit is wat Maasstad wil, dan is dit een gerechtvaardigd verlangen. En als OSP niet aan kan bieden wat Maasstad wil en Maasstad kan wat zij wil van een ander of zichzelf wel krijgen, dan is dit reden om afscheid van elkaar te nemen en de vordering van Maasstad toe te wijzen.

De wens van Maasstad vertaalt zich echter niet in concrete plannen. Wat daarnaast ontbreekt is een vergelijking tussen wat OSP aanbiedt en wat Maasstad denkt elders beter te kunnen krijgen. Wat rekent OSP bijvoorbeeld voor koffie en een broodje en hoe reëel is het te denken dat een ander dit (veel) goedkoper aan kan bieden? Maasstad wil (uiteraard) een gezond assortiment aanbieden: doet OSP dit niet? Wat is het tijdpad voor de plannen van Maasstad? Om hoeveel aanbieders in de markt gaat het die de plannen van Maasstad zouden kunnen uitvoeren? Waar ligt het kantelpunt bij de vraag of samengewerkt gaat worden met een (andere) partner of dat Maasstad de exploitatie zelf ter hand neemt? En als Maasstad de exploitatie zelf wil gaan doen: hoe ziet zij dit voor zich? Denkt zij daar personeel voor te kunnen vinden? En wat het financiële aspect betreft: aan welke bedragen en besparingen moet wat de plannen van Maasstad betreft gedacht worden? Is er verkennend onderzoek gedaan naar wat Maasstad wil en of dat haalbaar is? Dit zijn vragen die (sowieso) opkomen bij de kantonrechter maar waarop Maasstad niet ingaat.

Maasstad spreekt (tussen de regels door) een wens uit maar maakt deze wens dus niet concreet. Het is voor de conclusie dat sprake is van dringend eigen gebruik en/of dat een belangenafweging in het voordeel van Maasstad uit moet vallen niet nodig dat er tot achter de komma uitgewerkte plannen liggen, maar het moet wel concreter zijn dan wat Maasstad nu presenteert. Er is een wens, meer niet. Een wens die OSP zo nodig ook kan vervullen naar de kantonrechter begrijpt, want gedurende het hele proces, in ieder geval tot eind juni 2026 toen om vonnis werd gevraagd, zijn partijen in meer of mindere mate met elkaar in gesprek geweest. Waarom de besprekingen tot niets hebben geleid is niet bekend. De kantonrechter wijst de vordering van Maasstad gelet op een en ander nu af: de vordering van Maasstad is onvoldoende onderbouwd.

in reconventie

Wat OSP in reconventie vordert is niet toewijsbaar. Het gaat in deze zaak (in de conventie) om de vraag of een einde aan de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte op de begane grond moet komen. Het antwoord is nee. De kantonrechter ziet niet in welk belang OSP er nog bij heeft dat Maasstad de opzegging van de huurovereenkomst intrekt. Dat Maasstad ook de overeenkomst voor het personeelsrestaurant op de eerste verdieping (de dienstverleningsovereenkomst) heeft opgezegd is gesteld noch gebleken, zodat dit onderdeel van de vordering evenmin kan worden toegewezen.

in conventie en in reconventie

Maasstad is de partij die ongelijk krijgt. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van OSP uit € 1.154,00 aan salaris voor haar gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.298,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden.

Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, OSP in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter af kan dwingen dat Maasstad voldoet aan de proceskostenveroordeling.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van Maasstad en OSP af;

veroordeelt Maasstad in de proceskosten, aan de kant van OSP begroot op een bedrag van € 1.298,00;

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.

686

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand