ECLI:NL:RBROT:2026:10636

ECLI:NL:RBROT:2026:10636

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer ROT 26/6897
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De Stichting Human Rights in Finance.EU heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris tot een overnameverbod van Solvinity. De stichting wil daarmee bereiken dat zij wordt toegelaten in de bezwaarprocedure van Solvinity c.s. Volgens de staatssecretaris is de stichting geen belanghebbende en is daarom haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De stichting heeft beroep ingesteld en gevraagd om een voorlopige voorziening, waaronder de maatregel dat zij als partij wordt toegelaten aan de hoorzitting in het bezwaar van Solvinity c.s. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. Zij is met de staatssecretaris van oordeel dat de stichting geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 lid 1 en lid 3 Awb. Haar zeer ruim geformuleerde statutaire doelstellingen zien op grondrechten in relatie tot kwesties die zijn te relateren aan het economisch transactieverkeer. De staatssecretaris heeft onder meer geoordeeld dat DigiD geen verband houdt met die doelstellingen maar met een veilige communicatie met (semi-)overheidsorganisaties. Bovendien heeft de staatssecretaris op basis van de beschikbare informatie vastgesteld dat de werkzaamheden van de stichtingen zijn geconcentreerd op het voorbereiden en voeren van procedures, wat voor een algemeen belangorganisatie niet telt als feitelijke werkzaamheden als bedoeld in art. 1:2 lid 3 Awb. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen rechtstreeks en actueel belang voorligt als bedoeld in art. 1:2 lid 1 Awb nu de stichting helemaal geen bezwaar heeft tegen het overnameverbod, maar daar juist een voorstander van is.

Uitspraak

Stichting Human Rights in Finance.EU (HRIF.EU), uit Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: [naam]),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (de staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. I.M. van der Heijden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van HRIF.EU tegen het bestreden besluit van 25 augustus 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

3. De staatssecretaris heeft met het besluit van 25 mei 2026 op basis van artikel 14a.4, eerste lid van de Telecommunicatiewet, Kyndryl Holdings Inc (Kyndryl) en alle daaraan gelieerde entiteiten een verbod opgelegd op het verkrijgen van overwegende zeggenschap in Solvinity Group B.V. (Solvinity), omdat die verkrijging volgens de staatssecretaris kan leiden tot een bedreiging van het publieke belang. Solvinity en haar aandeelhouder Host Lux S.à.r.l. hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. HRIF.EU en een zestal natuurlijke personen hebben eveneens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 mei 2026.

4. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU en de zes natuurlijke personen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens de staatssecretaris geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. HRIF.EU heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, waaronder een ordemaatregel die er uit bestaat dat zij op 26 augustus 2026 als deelnemer wordt toegelaten tot de inhoudelijke hoorzitting in de bezwaarprocedure van Solvinity en haar aandeelhouder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Het verzoek strekt ertoe dat HRIF.EU als partij wordt toegelaten in de bezwaarprocedure die is gericht tegen het besluit van 25 mei 2026 waarbij aan Kyndryl een verbod is opgelegd tot het verkrijgen van overwegende (middellijke) zeggenschap in Solvinity. Met het oog op toelating als heeft HRIF.EU bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

6. Voor de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:2018, punt 5.3).

7. De staatssecretaris heeft bij het bestreden besluit onder meer (citaat met weglating voetvoet) het volgende overwogen:

“HRIF.EU richt zich, gelet op haar statutaire doelstelling, op het proactief beschermen van burgers en bedrijven tegen de schending van fundamentele grondrechten. De doelstelling van de stichting is daarmee niet toegespitst op specifieke grondrechten, maar omvat alle in Europese en internationale verdragen opgenomen grondrechten. Daarbij richt de stichting zich op zowel het handelen van de overheid als van private partijen. De statutaire doelstelling van de stichting is verder niet territoriaal beperkt. De statutaire doelstelling van de stichting is daarmee naar mijn oordeel zowel inhoudelijk als in territoriaal opzicht zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen aannemen dat het belang van de stichting rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit.

Daarbij komt dat de stichting blijkens de statutaire doelstelling zich richt op het economische transactieverkeer. (…) Tijdens de hoorzitting hebt u toegelicht dat het begrip economisch transactieverkeer ruim moet worden opgevat. Dit ondersteunt naar mijn oordeel juist mijn conclusie dat de statutaire doelstelling niet alleen zeer ruim is zowel wat betreft de te beschermen grondrechten als in territoriaal opzicht, maar ook dat het financiële onderdeel waarvoor de stichting opkomt zo veelomvattend is dat het onvoldoende onderscheidend is. Op een dergelijke wijze kan iedere handeling die indirect is terug te voeren op of voorafgaand aan een economische transactie, binnen de statutaire doelstellingen vallen waardoor het onderscheidende vermogen van de statutaire doelstelling juist ontbreekt. Het statutaire doel van HRIF.EU is zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de HRIF.EU rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

(…)

DigiD staat voor Digitale Identiteit. Met DigiD kan de identiteit van de persoon die op internet iets wil regelen bij een (semi) overheidsorganisatie aangetoond worden. Bijvoorbeeld bij de Belastingdienst, het onderwijs, de zorg of een pensioenfonds. DigiD is daarmee dus niet gericht op het economische transactieverkeer, waarop de stichting zich richt, maar op een veilige communicatie met (semi-)overheids-organisaties. Dat uit de communicatie via DigiD wellicht een economische transactie kan volgen, bijvoorbeeld de betaling van medicijnen of een belastingteruggaaf, maakt niet dat die communicatie zelf een economische transactie inhoudt. Immers, de betaling of belastingteruggaaf vindt niet plaats via DigiD.

Nu de doelstelling van de stichting gericht is op het beschermen van grondrechten binnen het domein van het economisch transactieverkeer, ben ik van oordeel dat de doelstelling van de stichting al daarom niet wordt geraakt door het bestreden besluit op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet over de overname van Solvinity door Kyndryl. Hierbij merk nog op dat uit de mogelijke verwevenheid van Kyndryl als IT-dienstverlener met de financiële sector, geen belang kan worden afgeleid. Het gaat om de belanghebbendheid van de stichting bij het bestreden besluit.

(…)

Gelet op de statutaire doelstelling is HRIF.EU niet aan te merken als belanghebbende. Volledigheidshalve heb ik toch gekeken naar de feitelijke werkzaamheden van de stichting.

Ondanks dat de omschrijving van de feitelijke werkzaamheden in de statuten meer omvatten dan het voorbereiden en voeren van procedures, kan ik uit de feitelijke activiteiten van HRIF.EU niet anders opmaken dat de activiteiten zich feitelijk grotendeels beperken tot het voorbereiden en voeren van procedures. Op de website van HRIF.EU wordt voornamelijk bericht over lopende procedures. Ook de werkzaamheden genoemd in de bijlage bij het bezwaarschrift betreffen activiteiten/stukken die verband houden met (de voorbereiding van) juridische procedures.”

8. De voorzieningenrechter acht deze motivering van het bestreden besluit vooralsnog toereikend, zodat zij er van uitgaat dat HRIF.EU geen belanghebbende is als bedoeld in het derde lid, van de artikel 1:2 van de Awb. De voorzieningenrechter acht hierbij mede van belang dat het door een organisatie zoals HRIF.EU, die een algemeen belang behartigt, in rechte opkomen tegen besluiten en het verrichten van handelingen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten in de regel niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:3920, punt 1.4 en ECLI:NL:RVS:2026:2061, punt 7.2.2 e.v.).

9. De voorzieningenrechter stelt verder – in navolging van de slotoverweging van onderdeel 3 van het bestreden besluit – het volgende vast. Gelet op onder meer haar partijdeelname in een eerder verzoek van Solvinity en haar aandeelhouder stelt de voorzieningenrechter vast dat HRIF.EU geen (inhoudelijke) bezwaren heeft tegen het besluit van 25 mei 2026, omdat haar eerdere inspanningen juist erop waren gericht dat een overname door Kyndryl zou worden verboden door de staatssecretaris. Gelet hierop heeft HRIF.EU als belangenorganisatie reeds om die reden geen rechtstreeks en actueel belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij haar bezwaar (vgl. ECLI:NL:RVS:2026:2294, punt 8 en ECLI:NL:RVS:2026:4305, punt 2.5).

10. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen of enige andere voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

11. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. R. Stijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.

De voorzieningenrechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. mr. R. Stijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand