ECLI:NL:RBROT:2026:10648

ECLI:NL:RBROT:2026:10648

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer FT RK 25/2155
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek dwangakkoord afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat niet het maximaal haalbare is aangeboden. Verzoekster werkt niet en heeft onvoldoende aangetoond dat zij maximaal heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 15 april 2026

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[verweerster] ,

wonende te [straatnaam]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 28 november 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- [bedrijf 1] , wiens vordering in behandeling is bij [bedrijf 2] , hierna te noemen: [bedrijf 1] ;

die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 19 maart 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

Ter zitting van 31 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting, op 31 maart 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vier preferente schuldeisers met vier vorderingen en negentien concurrente schuldeisers met eenentwintig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 50.009,30 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 5 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,03% aan de preferente schuldeisers en 1,51% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat abusievelijk één preferente vordering en één concurrente vordering dubbel zijn opgenomen. Dit heeft gevolg dat de schuldenlast afneemt met € 5.775,62. Dit heeft ook consequenties voor het aangeboden percentage.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. De beschermings-bewindvoerder heeft verklaard dat verzoekster in september 2025 voor het laatst een gesprek heeft gehad met haar inkomensconsulent. Vanaf toen is er niet meer actief gericht op het vinden van een betaalde baan. Er is geen officiële ontheffing van de sollicitatieplicht, maar er zijn aan verzoekster geen verplichtingen opgelegd om te solliciteren omdat zij drie jonge kinderen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij solliciteert naar een betaalde baan en dat zij dit jaar al twaalf sollicitaties heeft verstuurd. Het aangeboden akkoord voorziet in een schuldregeling zonder afloscapaciteit, maar met uitdeling van vermogen. Er is een extra inleg gedaan omdat verzoekster een auto in bezit heeft. De waarde van de auto is extra ingelegd waardoor er toch een uitdeling aan de schuldeisers kan plaatsvinden. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.

Eenentwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [bedrijf 1] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 5.745,36 op verzoekster.

3. Het verweer

[bedrijf 1] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoekster heeft bij Walfdorfhaus een dienst afgenomen en een groot gedeelte van de facturen niet betaald. [bedrijf 1] stelt dat verzoekster geld heeft ontvangen van de overheid en dat dient zij aan te wenden voor hetgeen waarvoor het is bedoeld. [bedrijf 1] heeft te kennen gegeven dat zij coulant is geweest en dat zij verzoekster meerdere kansen heeft gegeven om de schuld te betalen. Via een incassobureau is er met verzoekster een betalingsregeling getroffen, maar ook hier heeft verzoekster zich niet aan gehouden. [bedrijf 1] had liever gezien dat verzoekster bij haar had aangeklopt zodat zij onderling tot een oplossing hadden kunnen komen.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [bedrijf 1] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [bedrijf 1] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vordering van [bedrijf 1] een aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 11,5% daarvan).

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aangeboden akkoord voorziet in een schuldregeling zonder afloscapaciteit, maar met uitdeling van vermogen gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Gebleken is dat verzoekster heeft gesolliciteerd naar een betaalde baan. Na de zitting heeft de beschermingsbewindvoerder sollicitatiebewijzen overgelegd waaruit blijkt dat verzoekster twaalf sollicitaties heeft verricht welke allemaal zijn gedateerd op 20 maart 2026 behoudens één sollicitatie, die is van 16 maart 2026. Over de voorliggende periode zijn geen sollicitatiebewijzen aangeleverd. Ook zijn er door verzoekster geen medische stukken overgelegd, waar blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [bedrijf 1] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om [bedrijf 1] te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Aukema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand